De Peueraar 7, maart 1991

Auteur: Harry Westerink


Thema-avond over de textielindustrie in India

Op zaterdag 23 maart organiseert De Invalshoek een avond over de Indiase textielindustrie. Deze avond is de eerste in een reeks van 3 informatie-avonden over India. De andere 2 avonden vinden plaats op 10 april (over de ontwikkelingshulp van Nederland aan India) en 17 april (over de vrouwenbeweging in India). De informatiecyclus wordt georganiseerd in samenwerking met de WereldWinkel Leiden, de India Werkgroep Leiden en omstreken en de Landelijke India Werkgroep. De avonden worden gehouden in De Invalshoek.

Veel Nederlanders kennen India als het land van de heilige koe, het kastesysteem, het hongerprobleem of de vele religieus filosofische stromingen. Maar India is natuurlijk veel meer dan dat alleen. India heeft kerncentrales, satellieten en reageerbuisbabies, en exporteert computers. Ja, India exporteert zelfs graan. Je zou bijna gaan vergeten dat het om een Derde Wereld-land gaat. Toch woont een derde van de ondervoede mensen op de wereld in datzelfde India. Drie van de vier ondervoede Indiërs zijn landarbeiders, waaronder veel vrouwen. De armoede van 250 miljoen mensen in India is een sociaal en politiek probleem van de eerste orde. Bijna de helft van de Indiase bevolking leeft nog steeds onder de armoedegrens van 900 gulden per jaar. Juist deze groep is vaak volledig afhankelijk van zijn natuurlijke omgeving en dus direct de dupe van de vergaande milieu-vernietiging in India. In een land als India blijkt hoezeer de kapitalistische economie extreme verschillen tussen arm en rijk veroorzaakt en in stand houdt. Verschillen die hier in het Westen nog niet zo schrijnend aan de oppervlakte treden (maar daar komt steeds meer verandering, dat wil zeggen verslechtering, in), zijn in India letterlijk levensgroot waar te nemen. Denk maar aan een miljoenenstad als Calcutta, met krottenwijken naast torenhoge flats.

Op 23 maart zal spreekster Pit Gooskens, medewerkster van de Landelijke India Werkgroep, eerst de dia-serie "India in wankel evenwicht" vertonen, met toelichting. Deze dia's laten het dagelijkse leven zien van een Indiaas gezin. Daarna zal zij ingaan op de Indiase textielindustrie.

Wereldwijd is er in deze industrietak sprake van een lange keten van uitbesteding en uitbuiting. Hoe dichter je in deze keten de eigenlijke producenten, de textielarbeiders, benadert, hoe lager de lonen worden, en hoe groter dus de uitbuiting. Dit bleek ook al uit informatie van de Schone Kleren Campagne, een actie die op 10 november 1990 van start is gegaan.

De textielsector in India, en met name de confectie, is een groeiende exportsector. Dertig procent van de Indiase export is textiel en dat percentage moet van de regering van V.P. Singh nog verder stijgen om de handelsbalans in evenwicht te brengen. Een steeds liberaler politiek ten opzichte van het internationale bedrijfsleven heeft ervoor gezorgd dat de importen schrikbarend zijn gestegen. In 1989 waren de totale inkomsten uit de confectie-export - omgerekend naar Nederlands geld - maar liefst 2 en een half miljard gulden. In 1987 was dat nog 1,7 miljard gulden. De Indiase regering hoopt in 1990 op een export van 4 miljard gulden en in 1995 moet dit getal nog eens verdubbeld zijn.

Het grootste deel van de confectie wordt geëxporteerd naar Europese landen. De meeste confectiewarenhuizen in Europa en Amerika hebben eigen agenten in India of houden regelmatig contact met exporthuizen. Deze exporthuizen hebben zelf een beperkt aantal arbeiders in dienst. Het gaat hierbij vooral om geschoold werk als het maken van patronen en het herstellen van fouten. Het grootste deel van het werk wordt uitbesteed aan kleinschalige fabriekjes en werkplaatsjes in de buurt. De eigenaren van deze werkplaatsjes pachten een ruimte in een van de nieuwbouwwijken van New Delhi en zetten daar 10 tot 25 arbeiders aan het werk. De werkomstandigheden in de ateliers zijn schrikbarend slecht. Ongeventileerde ruimten, waarbij 's zomers de temperatuur oploopt tot 50 graden. Er is geen sanitair en geen water. Er komt geen daglicht binnen, de enige verlichting komt van een aantal TL-buizen. De arbeiders slapen op balen textiel tussen de naaimachines en daar wordt ook gegeten.

De betaling gebeurt in de vorm van stukloon, dus hoe meer er wordt geproduceerd, hoe hoger het loon. Wanneer men 15 tot 18 uur (!) per dag werkt, levert dat 20 tot 30 roepies op ( 2,40 tot 3,60). Een maandloon komt dan op 70 tot 100 gulden. Men werkt 7 dagen per week, dat wil zeggen wanneer er werk is. Gemiddeld heeft men 8 maanden per jaar werk. Het aantal ateliers groeit zo hard, dat de onderlinge concurrentie moordend is. De lonen gaan eerder naar beneden dan naar boven. Een paar maal per jaar bezoeken de agenten van Europese warenhuizen, waaronder C&A, Bijenkorf Holding en Superconfex, een aantal exporthuizen waarmee ze contact onderhouden. De grote warenhuizen laten zich vaak leiden door het aanbod en dat betekent dat de Indiase exporteurs zichzelf op de hoogte moeten brengen van ontwikkelingen in de mode. Op de verschillende kledingstukken worden enorme winsten gemaakt, niet alleen door de confectiewarenhuizen, maar ook door de Indiase exporteurs. De enigen die niets merken van de groeiende opbrengsten in deze sector zijn de arbeiders. Een exporteur betaalt slechts 12 roepies (f 1,45) voor het maken van een blouse, die vervolgens 500 roepies ( 60,-) opbrengt in Europa. Een confectie-arbeider ontvangt nog veel minder. Confectie-arbeiders worden per handeling betaald, wat hun werk nog eentoniger maakt. Meestal moeten zij wekenlang alleen mouwen of kragen aanzetten. De kans op fouten wordt zo geringer. Voor dit werk krijgen ze een loon dat omgerekend neerkomt op niet meer dan 3 tot 5 roepies ( 0,35 tot 0,60) per stuk.

De mogelijkheden van de arbeiders om door verzet verbetering in hun toestand te brengen zijn niet groot. De huidige vakbond strijdt een eenzaam gevecht en wordt regelmatig geconfronteerd met keihard geweld van de werkgevers. Maar ook de overheid biedt hen geen bescherming. Omdat de exportbevordering hoog in het vaandel staat van de regering is het moeilijk de grootste exportsector aan te pakken. Hogere lonen betekenen immers hogere productiekosten en in de hevige concurrentiestrijd met andere ontwikkelingslanden als Pakistan, Sri Lanka, Bangladesh en China moet India goedkoop blijven, anders gaan C&A, V&D, en Peek en Cloppenburg straks naar een ander. Het is deze verdeel- en heerspolitiek die ervoor zorgt dat het verzet tegen misstanden, uibuiting en uithongering in de wereld niet goed op gang komt, en eigenlijk steeds aanholt achter de winstplannen van de ondernemers en handelaren.

Terug