De Peueraar 11/12, juli/augustus 1991

Auteur: Eric Krebbers e.a.


Bio-science Park: Leidens trots? Deel 2 (Mogen)

In Peueraar nummer 10 begonnen we deze serie over het Leidse Bio-science Park met een artikel dat inging op wat biotechnologie nu eigenlijk is en welk ideeëngoed er aan ten grondslag ligt, en met de belofte het Bio-science Park eens grondig door te gaan spitten. In de tussenliggende periode stuitten we op een flinke hoeveelheid informatie, met dank aan het NoGen-archief, en vooral op de enorme breedheid van het onderwerp biotechnologie. Uiteindelijk besloten we om in ieder geval nog vier artikelen aan het onderwerp te besteden waarin we enkele bedrijven wat verder onder de loep zullen nemen aan de hand van: biotechnologie en planten, biotechnologie en dieren en biotechnologie en mensen. In het vierde artikel zullen we het academisch bedrijvencentrum, de rol van de gemeente en de universiteit wat verder belichten.

In het vorige artikel kwamen we al tot de conclusie dat je biotechnologie niet los kunt zien van hoe onze samenleving in elkaar steekt. We zullen dus niet allerlei technische processen uit de doeken gaan doen, maar biotechnologie in haar maatschappelijke context plaatsen, de gevolgen van invoering beschrijven en de wenselijkheid ter discussie stellen.

Hieronder deel 2 in de serie: biotechnologie en planten, of beter: biotechnologie en de landbouw, omdat het daar allemaal op gericht is. Het biotech-bedrijf Mogen, bekend van haar veldproeven met Bintjes, wordt onder de loep genomen.

Overheid

Met de, eind vorige eeuw, op gang komende industrialisatie en de groei van de stedelijke bevolking kwam er een grote druk op de Nederlandse landbouw. In die tijd was er ook sprake van een zogenaamde graancrisis doordat goedkoop Amerikaans graan in grote hoeveelheden de markt overspoelde. In deze periode begon de Nederlandse overheid dan ook met de oprichting van een aantal publieke agrarische onderzoeksinstellingen om de landbouwproductie te verhogen en goedkoper te produceren. Al spoedig begonnen deze onderzoeksinstellingen landbouwtechnologiën te ontwikkelen. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de huidige productie-methoden en ligt ten grondslag aan andere ontwikkelingen op dit gebied. De rol van de overheid was, en is, hierin altijd erg groot, wat ook terug te vinden is in de ontwikkeling van de Nederlandse biotechnologie en de ontstaansgeschiedenis van Mogen. In 1985 ging een advies commissie van de overheid (de commissie Wagner) op zoek naar nieuw economisch elan. Nederland profileerde zich al als hightech-land en met name op het gebied van de plantenzaad activiteiten had Nederland een toonaangevende positie in Europa. De combinatie hiervan werd het nieuwe perspectief: hoe kan Nederland biotechnologie binnen haar grenzen halen. Het Amerikaanse bedrijf Molecular Genetics inc. vestigde toen dankzij zeer gunstige financiële voorwaarden een dochter-onderneming in Leiden: Mogen was een feit.

Bedrijfsleven

Aan de ontwikkeling van de huidige planten-biotechnologie ligt ook nog een andere trend ten grondslag, de invloed die het bedrijfsleven in de landbouw heeft verworven. Voor het bedrijfsleven was de ontwikkeling van landbouwtechnologie lange tijd niet interessant. Winstmogelijkheden waren groter in andere sectoren, mede doordat goedkoop voedsel zorgde voor lage lonen in de industrie. Dit veranderde echter toen door de modernisering van de landbouw de mogelijkheden om winst te maken groter werden, bijvoorbeeld door de industriële productie van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen, en door de hybridisering van zaaizaad.

De stagnatie van de economische groei in de jaren zeventig en de toegenomen concurrentie zorgden ervoor dat het internationale bedrijfsleven op zoek ging naar mogelijkheden om haar positie te verstevigen. Ook in de landbouw werd gezocht naar mogelijkheden en dat heeft er toe geleid dat op dit moment een klein aantal multinationale ondernemingen bijna de gehele agro-business (landbouwbedrijfsleven) in handen heeft. De agro-business is vooral toegespitst op de zogenaamde inputs zoals mest, zaad, pesticiden enzovoorts en outputs, waarmee de voedselverwerking wordt bedoelt. Het zijn precies deze gebieden waarop de biotechnologie zich richt.

Mogen heeft bijvoorbeeld de laatste jaren onderzoeks-contracten afgesloten met 's werelds grootste aardappelzetmeelfabrikant Avebe, Gist Broccades, zaadveredelingsbedrijf Bejo Zaden en zo nog een paar.

Derde Wereld

Bij de maatschappelijke context van biotechnologie kunnen we ons niet beperken tot Europa. Veel van ons voedsel wordt geproduceerd in Derde Wereld-landen en de invloed van multinationale ondernemingen is daar zo mogelijk nog groter. Een groot aantal landen is geheel afhankelijk van de export van landbouwproducten zoals suiker of cacao-bonen en ook hier hebben multinationale ondernemingen de inputs en outputs in handen. Verder heeft Europa ook altijd haar landbouwtechnologieën in de Derde Wereld gedumpt, vaak ten koste van door de eeuwen heen ontwikkelde en zelfvoorzienende landbouwmethoden.

De groene revolutie, gepropageerd als de oplossing voor honger en armoede, heeft er uiteindelijk alleen maar voor gezorgd dat boerenbedrijfjes afhankelijk zijn geworden van de al eerder genoemde inputs. Alleen de grotere boerenbedrijven konden deze uiteindelijk bekostigen en de kleinere gingen over de kop. De hierdoor landloos geworden boeren en boerinnen waren gedwongen voor hongerloontjes op het land van de grotere te gaan werken. De hogere opbrengsten zijn alleen maar ten goede gekomen aan een kleine elite en het westerse bedrijfsleven.

De afhankelijkheid van veel Derde Wereld-landen op het gebied van de inputs kunnen we dus niet los zien van de ontwikkeling van biotechnologie. Wederom wordt door wetenschappers rond gebazuind de oplossing voor honger en armoede gevonden te hebben. A.L.Breure, directeur van Mogen: "Maar bovendien zou de biotechnologie een belangrijke bijdrage kunnen leveren om de wereldbevolking, die zich naar verwachting gaat verdubbelen, te kunnen voeden."

Gevolgen en conclusies

Met de hiervoor beschreven maatschappelijke context in ons achterhoofd hebben we de gevolgen van invoering van biotechnologie bekeken. Zoals gebleken, is biotechnologie door de Nederlandse overheid vooral gestimuleerd uit economische overwegingen, met als doel haar positie op de wereldmarkt te versterken en onze welvaart veilig te stellen. Ook het bedrijfsleven kun je van weinig anders als economische motieven verdenken. De toekomstige machtspositie van een land wordt tegenwoordig niet voor niets afgemeten aan het aantal technologische vindingen die zij tot haar eigendom kan rekenen en bedrijven besteden niet voor hun lol vele miljoenen aan technologisch onderzoek. Het verbaasde ons dan ook nog maar weinig te constateren in welke richtingen het onderzoek zich beweegt. Twee voorbeelden:

De voedsel verwerkende industrie is vooral op zoek naar goedkopere en uitwisselbare grondstoffen. Hiermee kunnen bedrijven hun winst vergroten en zijn ze minder afhankelijk van de landen die de grondstoffen produceren. De mogelijkheid voor bijvoorbeeld de frisdranken-industrie andere zoetstoffen dan suiker te gebruiken heeft de positie van deze industrie behoorlijk versterkt. Gevolg voor een eiland als Negros, dat vrijwel geheel afhankelijk was van de export van rietsuiker aan deze industrie, uitte zich gelijk in een volledige ineenstorting van de suikerproductie met als gevolg: werkeloosheid, honger en armoede. Voor de productie van cacao-boter kunnen reeds verschillende oliën en vetten worden gebruikt met als direct gevolg dat cacao-bonen enorm in waarde dalen en een voedingsmultinational als Unilever in staat is de producenten van kokos en soja-olie tegen elkaar uit te spelen.

De zaad-industrie ontwikkelt vrijwel alleen zaden die hybride zijn, wat betekend dat ze alleen biotechnologisch te vermeerderen zijn. Hadden boerenbedrijven vroeger de mogelijkheid zelf het zaaizaad voor het volgende jaar te produceren, deze verbeterde zaden zullen ze elk jaar opnieuw moeten kopen. Via de distributie-netwerken voor landbouw-inputs die tijdens de groene revolutie werden opgezet zal het voor de zaad-industrie weinig moeite kosten boerenbedrijven aan hun gemanipuleerde zaden te binden.

Een andere tendens in de zaad-industrie heeft te maken met het milieu. Hoewel biotechnologen hun technologie aanprijzen als oplossing voor de milieu-problemen in de landbouw, blijkt 90 procent van de toepassingen van genetische manipulatie gericht op het 'bestrijdingsmiddelen-resistent' maken van zaden te zijn. Bestrijdingsmiddelen-resistent betekent simpelweg dat er op los gespoten kan worden zonder dat de plant er schade van ondervindt. Onderzoek hiernaar wordt dan ook voornamelijk verricht bij bedrijven die het desbetreffende bestrijdingsmiddel produceren (in de zaad-industrie zijn trouwens veel kleinere bedrijven overgenomen door multinationale ondernemingen afkomstig uit de chemische en farmaceutische industrie).

Ook Mogen beroept zich op de heilzame toekomst die biotechnologie voor het milieu kan bieden en zegt alleen onderzoek te doen op het gebied van de ziekte-resistentie. Door een bepaald gen in te bouwen zou bijvoorbeeld een aardappel niet meer vatbaar zijn voor aardappelmoeheid. Hierdoor zou het gebruik van bestrijdingsmiddelen drastisch afnemen. Mogen gaat hiermee echter volledig voorbij aan het gegeven dat de grote schade die ziekten in de landbouw aanrichten voornamelijk wordt veroorzaakt doordat de diversiteit van de verbouwde gewassen door veredeling steeds kleiner is geworden en dat door genetische manipulatie deze diversiteit nog meer afneemt. Dit heeft dus tot gevolg dat de plant dan misschien tegen die ene ziekte resistent zal zijn, elke andere ziekte zal genadeloos kunnen toeslaan. Het einde van de genetische manipulatie lijkt hierdoor volledig zoek. Daar bovenop geldt nog dat biologisch-dynamische en ecologische landbouw al lang in staat is op een verantwoorde manier te produceren.

Al met al lijkt biotechnologie dus vooral gericht op het zoeken naar mogelijkheden om door te kunnen blijven gaan met de winstgevende manier van produceren en de dominerende positie van de westerse economie te handhaven. Het gezegde kennis is macht wederom bevestigt in neo-koloniale verhoudingen.

Mogen

Terug naar Leiden: welke positie heeft een bedrijf als Mogen in deze internationale ontwikkelingen? Mogen lijkt toch in eerste instantie een bedrijf dat bestaat uit een flink aantal beroeps-fanatici die heilig geloven in waar ze mee bezig zijn, zich ten doel stellen er zelf ook wat beter van te worden en zich gesteund weten door overheid en bedrijfsleven.

Zo onschuldig als dat lijkt is het echter niet. Het blijkt dat de meeste doorbraken op het gebied van de biotechnologie juist worden gerealiseerd door kleine particuliere bedrijfjes als Mogen. Deze bedrijfjes zijn echter, zoals je ook bij Mogen ziet, direct gebonden aan de business via het kapitaal dat deze in hen geïnvesteerd hebben.

Daarnaast doet Mogen veel onderzoek in opdracht van en in samenwerking met ondernemingen uit de agro-business, het zogenaamde contract-research. Verder is het natuurlijk een illusie dat "het opbouwen van kennis", zoals A.L. Breure dat omschrijft als doelstelling van Mogen, los staat van ontwikkelingen die door de agro-business worden gedicteerd. Mogen wil haar kennis immers commercialiseren en van wie ze daarbij afhankelijk is, hoef ik geloof ik niet meer te vertellen.

Als laatste nog dat bedrijfjes als Mogen vaak worden opgekocht op het moment dat ze belangrijke vindingen op de markt willen brengen.

Discussie

De invoering van biotechnologie in de landbouw staat op vele plekken in de samenleving ter discussie. Veel boeren- en boerinnen-organisaties staan er zeer kritisch tegenover. Ook binnen organisaties als de NOVIB wordt de discussie over biotechnologie gevoerd en niet te vergeten groepen als Ziedende Bintjes en Woedende Escorts die zich in woord en daad tegen biotechnologie keren. Verder spelen er onder de Nederlandse bevolking allerlei ethische bezwaren en speelt het gegeven dat niemand, ook de biotechnologen niet, een inschatting kunnen geven van de risico's die genetische manipulatie met zich mee kan brengen. Wij, de Peueraars, zijn tot de conclusie gekomen dat de biotechnologie voortkomt uit de huidige machtsverhoudingen en ingezet wordt om deze te bestendigen, dat honger en milieuvernietiging niet met technologische middelen bestreden kunnen worden en er juist door veroorzaakt worden. Hiermee verklaren we Mogen tot ongewenst bedrijf.

Mogen international

1985: Opgericht als dochter-onderneming van het Amerikaanse bedrijf Molecular Genetics inc. (MGI). MGI zorgde voor de know how en de Maatschappij voor Industriële Projecten (MIP) voor de financiën.

1987: Mogen wordt zelfstandig.

Kosten bedrijfspand en laboratoria: 9.000.000

Kosten inventaris: 2.500.000

Immateriële activa: 4.600.000

Het financiële resultaat loopt volgens planning. In 1995 moet Mogen uit de rode cijfers komen. Verlies in

Groot aandeelhouders:

De meeste aandelen zijn via de Amro-bank doorverkocht aan particuliere en institutionele beleggers. Mogen wil bedrijven niet meer dan 15 procent van de aandelen geven (per bedrijf) om overname te voorkomen.

In 1988 kwam Mogen op de beurs. Op basis van de koers was Mogen toen 47.000.000 waard.

A.L. Breure (directeur): "Onze hoofddoelstelling is het opbouwen van kennis die we dan door middel van licenties kunnen commercialiseren. De binnenkomende royalties kunnen weer gebruikt worden voor onderzoek. Maar het ontwikkelen van biotechnologische kennis en het toekennen van patenten kost veel tijd zodat we om de zaak draaiende te houden, onderzoek voor derden moeten doen."

Enkele onderzoeken door Mogen

(We waren voor deze opsomming afhankelijk van de reguliere pers en dus van wat Mogen naar buiten wilde brengen)


Biotechnologische vakantieplannen?

Overgenomen uit Lekker Fris, maandblad voor Arnhem, Wageningen en Nijmegen.

Begin dit jaar verschenen er weer aankondigingen in de krant waarin werd bekend dat er hinderwetvergunningen waren aangevraagd om veldproeven uit te voeren. Wie bezwaar wilde aantekenen tegen de aanvragen, of alleen uit belangstelling de aanvragen wilde inzien, kreeg met een geheel nieuwe procedure te maken. In de bibliotheek, waar aanvragen van hinderwetvergunningen traditiegetrouw ter inzage liggen, zou het tevergeefs zoeken zijn naar de aanvragen. Wie dit jaar de aanvragen wilde inzien moest toestemming hebben van het ministerie van VROM. De hinderwetvergunningen konden na toestemming worden doorgebladerd in het ministerie van VROM en in de gemeentehuizen van de plaatsen die de twijfelachtige eer te beurt vielen een veldproef binnen hun grenzen te hebben. Kortom, de aanvragen van hinderwetvergunningen voor veldproeven zijn niet meer vrij in te zien.

Toen vorig jaar voor de tweede keer een veldproef met genetisch gemanipuleerde aardappelen werd vernield gingen de betrokkenen in beraad. Het was duidelijk geworden dat vernielingen en veldproeven wel een twee-eenheid konden vormen. Een probleem is dat beveiliging van de veldproeven moeilijk is. Men kan natuurlijk hekken plaatsen, een elektronisch beveiligings-systeem aanleggen en met honden patrouilleren. Maar dat zou het imago van biotechnologie weinig goed doen. Geheimhouding van de plaats waar de veldproeven plaatsvinden zou het meest wenselijk zijn, maar is helaas niet mogelijk. De precieze aanduiding staat in de aanvraag beschreven. Wat natuurlijk wel mogelijk is, is het registreren van degene die de aanvraag inkijkt. Het kan afschrikken om een blik in de aanvraag te werpen, maar wie zich niet laat afschrikken kan worden genoteerd als kritisch ten opzichte van biotechnologie. Altijd handig om door te geven aan de bewakers van de democratie. Mocht er iets fout gaan bij de uitvoering van de veldproeven is iedereen die de aanvragen heeft ingezien verdacht. Hij of zij is een potentiële dader van een misdrijf. Minstens een van de mensen die de aanvraag heeft ingezien moet in contact staan met de dadergroep, zo zal de redenering zijn.

Maar helaas gaat die vlieger dit keer niet op. Bij deze een overzicht van (bijna) alle locaties waar in Nederland veldproeven van Mogen plaatsvinden en die eigenlijk geheim dan wel vertrouwelijk hadden moeten blijven. De meeste veldproeven beginnen ergens in mei. De veldproef kan plaatsvinden bij een instelling of bedrijf, maar ook op particulier terrein.

Het is eigenlijk een grof schandaal dat het ministerie van VROM toeristen kennis onthoudt over de locaties van de biotechnologische gevarenzones. Bij geheimhouding van de plaats van de veldproeven is de kans niet denkbeeldig dat menig wildkampeerder zijn of haar haringen door een genetisch gemanipuleerde biet of aardappel slaat. Dankzij de belangenvereniging wild kamperen kan men nu een betere keuze van de vakantieplek maken. Mijdt de plekken van biotechnologisch onheil!

Natuurlijk zijn er ook mensen met een vaste reservering of die zich juist aangetrokken voelen door avontuur. Deze lopen een verhoogde kans op een genetisch verstoorde nachtrust. Als u er zo een bent en 's nachts niet kunt slapen, ga dan eens kijken. Bij nadere kennismaking blijkt het toch niet zo eng te zijn als u altijd had gedacht.

Uit in eigen land, ook heel interessant! Dagtochten bij u in de buurt.


Mogen international BV, Leiden, en PAGV, Lelystad.

De klap op de vuurpijl is afkomstig van het Leidse biotechnologiebedrijf Mogen. Op niet minder dan 34 locaties laat dit bedrijf veldprocven uitvoeren. Het overheidsinstituut PAGV. proefstation voor de akkerbouw en de groenteteelt in de volle grond, zorgt voor de begeleiding van de veldproeven. De veldproeven zijn dan ook op naam van het PAGV aangevraagd. Vorig jaar zijn de veldproeven van Mogen, die dit jaar op grote schaal worden herhaald, het slachtoffer geworden van ontworteling door de Woedende Escorts. Misschien een van de redenen om de proef dit jaar op zo'n grote schaal te laten uitvoeren. Een andere reden is het vermeerderen van de escorts.


Woedende escorts

Hieronder volgt een groot deel van de persverklaring van de Woedende Escorts. Zij hebben vorig jaar de veldproeven van Mogen verstoord. Deze persverklaring is afkomstig uit de NN, een radicaal links actieblad.

In de nacht van 8 op 9 juli 1990 hebben we veldproeven met genetisch gemanipuleerde planten van Mogen International in Emmeloord en Ede verstoord. In Emmeloord ging het om een veldproef van transgene klonen van de aardappelsoorten Bintje en Escort. Deze transgene klonen werden getest op resistentie tegen het aardappelvirus PVX (X). De veldproef was een uitbreiding van eerdere proeven van Mogen. Het doel van de veldproef was om te onderzoeken of onder laboratorium omstandigheden waargenomen resistentie ook onder veldomstandigheden plaats vond.

De proef werd uitgevoerd door genen gemanipuleerde en gekloonde aardappels van Mogen tussen met FVX besmette aardappels van het CRZ (Centrum Rassenonderzoek en Zaaktechnologie) te poten. De proef zou zich uitstrekken over de periode 1990-1991. Na afloop van de proef zou het genetisch gemanipuleerde materiaal worden verbrand. De proef werd met het oog op het ontstaan van nieuwe ziektepathogenen onder toezicht van de Plantenziektedeskundige Dienst uit Wageningen uitgevoerd.

In Ede ging het eveneens om een veldproef met transgene Bintjes en Escorts van Mogen. De proef werd uitgevoerd door het CRZ. Het ging haar om de beoordeling of er sprake zou zijn van een nieuw aardappelras, zodat Mogen hierop patent zou kunnen aanvragen. Ook deze veldproef zou zich uitstrekken over de periode 1990-1991.

Bij de acties hebben we de nodige veiligheidsmaatregelen in acht genomen. De transgene aardappels liggen alle klaar voor verbranding.

Resistentie

Op meerdere plaatsen in Nederland en elders in de wereld vinden op het moment veldproeven plaats met genetisch gemanipuleerde planten. Bij de genetische manipulatie van planten zijn er twee belangrijke ontwikkelingen te zien: het onderzoek dat zich richt op de resistentie van planten tegen de nadelige effecten van bestrijdingsmiddelen en het onderzoek dat zich richt op het resistent maken van planten tegen ziekten door het inbouwen van een resistentie-gen.

Het onderzoek naar resistentie van planten tegen bestrijdingsmiddelen wordt voornamelijk gedaan door multinationale petro-chemische concerns of gebeurt in opdracht door gespecialiseerde biotechnologie-bedrijven, zoals Mogen er een van is. Deze petrochemische concerns, zoals bijvoorbeeld Bayer, Hoechst en Shell, zijn grote bestrijdingsmiddelen producenten. Doordat zij de laatste 10 tot 20 jaar veel zaadbedrijven hebben opgekocht domineren zij ook de handel en distributie in zaden. Hierdoor zijn de ondernemingen in staat resistentie tegen bestrijdingsmiddelen in het zaad in te bouwen, waarbij zij de planten alleen resistent maken tegen hun eigen merk bestrijdingsmiddelen.

Boeren en boerinnen die zaad van een onderneming kopen zullen ook het bijbehorende bestrijdingsmiddel van die onderneming moeten kopen. Zonder dit middel is het gemanipuleerde zaad niet productief. Voor de ondernemingen is deze koppelverkoop winstgevend. Voor de boeren en boerinnen is het afhankelijkheid.

Deze manier van werken verandert niets aan de oorzaken van de kwetsbaarheid van planten voor ziekten en het uitgroeien daarvan tot plagen. De kwetsbaarheid voor ziekten ontstaat doordat planten genetisch identiek worden gemaakt, waardoor een ziekte die vat krijgt op een plant een bedreiging gaat vormen voor de gehele oogst. De onderzoeken naar resistentie van planten tegen ziekten en bestrijdingsmiddelen vertonen grote overeenkomsten. Aan de oorzaken van ziekten en plagen, die liggen in de industrialisering van de landbouw, wordt niets gedaan. De boeren en boerinnen worden eveneens afhankelijk van de toeleveranciers van de superzaden.

Met biotechnologie worden planten samengesteld met voor de industrie interessante eigenschappen, waardoor andere eigenschappen verloren gaan. Deze genetische erosie vergroot de kwetsbaarheid van de planten opnieuw. Nieuwe ziekten kunnen daardoor weer vat krijgen op de planten, waar ze op hun beurt weer resistent tegen moeten worden gemaakt. Een vicieuze cirkel.

De ondernemingen zijn zich bewust van deze genetische erosie en leggen genenbanken aan waarin zij oude en uitstervende rassen opslaan om de genetische variëteit te bewaren. Deze verloren gegane eigenschappen kunnen zij op elk gewenst tijdstip inzetten om 'verbeterde' planten te maken en te koop aan te bieden. De ondernemingen creëren zo schaarste die ze later weer te gelde kunnen maken.

Voedselproductie

Multinationale ondernemingen krijgen een steeds grotere grip op de voedselproductie. Ten eerste doordat zij veredeling, handel en distributie van zaden beheersen. Ten tweede is een veredelingsdoel van biotechnologie, of een onbedoeld maar niet onwelkom effect, het onvruchtbaar maken van gewassen. Dit heeft tot gevolg dat boeren en boerinnen, zowel in het westen als in de Derde Wereld, ieder jaar opnieuw zaden moeten kopen. Ten derde proberen ondernemingen patenten te krijgen op genetisch gemanipuleerde planten. Levensvormen worden, als de octrooi-bureaus patenten blijven toekennen, eigendom van ondernemingen.

Risico's

Door de veldproeven met genetisch gemanipuleerde planten worden er planten met vreemd materiaal in de natuur gebracht. De risico's hiervan zijn niet te overzien. Als gevolg van deze veldproeven kunnen ecologische evenwichten, die zeer wankel kunnen zijn, worden verstoord. Het is niet onwaarschijnlijk dat in de natuur aangebrachte genetische veranderingen hier ook toe zullen leiden.

In het verleden zijn al eerder ecologische evenwichten verstoord door het inbrengen van voor die omgeving vreemde levensvormen. Een bekend voorbeeld is de introductie van konijnen uit Australië. Een ogenschijnlijk ongevaarlijke ingreep die een plaag tot gevolg heeft gehad. Door veldproeven met genetisch gemanipuleerde planten kan zich een herhaling voor gaan doen op genetisch niveau of op het gebied van micro-organismen.

Het genetisch materiaal van gemanipuleerde planten kan zich in de natuur oncontroleerbaar verspreiden door overdracht naar andere organismen. Ook kunnen er nieuwe ziekten optreden doordat een nieuw type virus ontstaat uit contact met het veranderde genetische materiaal.

In bezwaarschriften tegen de veldproeven wordt telkens weer gewezen op de risico's en de onbekendheid daarmee. De gevaren worden door de proefnemers niet ontkend, maar weg getheoretiseerd: er zouden hiervoor geen aanwijzingen zijn. Daaruit kan ook worden geconcludeerd dat de risico's onbekend zijn, zodat van een risico-analyse geen sprake kan zijn. Als men niet weet wat er kan gebeuren weet men ook niet of het kan gebeuren. Kennelijk worden er bewust risico's genomen.

Loskoppeling van de natuur

Het resistent maken van planten tegen ziekten door middel van recombinant-DNA-techniek is een loskoppeling van de landbouwproductie en de natuur. Ecologische evenwichten worden steeds minder van belang.

De industriële input (de genetisch gemanipuleerde plant) wordt de bepalende factor in de landbouwproductie. In het verleden kon de industriële productiemethode zich alleen handhaven door te steunen op het gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest. Aan deze methode heeft de natuur zijn grenzen aangegeven: uitgedroogde en vervuilde gronden, verontreinigd bodemwater en vervuilde lucht. Door biotechnologie wordt de productie nog meer onafhankelijk van de natuur gemaakt, zodat de industriële productie zich kan handhaven. Deze productie wordt door biotechnologie tot het uiterste doorgedreven. De ondernemingen/heersenden willen hun winstgevende handeltje niet kwijt en zetten nu zelfs met genetische manipulatie de natuur naar hun hand.

Een grotere afhankelijkheid van multinationale ondernemingen, industrieel eigendom van het leven, een nog verdere vervreemding van de natuur, risico's van veldproeven. De huidige ontwikkelingen onder invloed van biotechnologie trekken een zware wissel op de toekomst.

De vraag luidt niet langer voor of tegen biotechnologie, maar welke politieke strategie moet worden ontwikkeld om hier een dam tegen op te werpen en welke alternatieven kunnen worden aangereikt voor de huidige ontwikkelingen. Alternatieven die het bouwsel van de kapitalistische economie op haar grondvesten doen schudden. Met biotechnologie als sleuteltechnologie van de heersenden kan verzet ertegen de kern van het syteem raken dat deze technologie heeft voortgebracht. Een zware opgave en nog een lange weg te gaan, maar een weg met perspectief op verandering.



Terug