De Fabel van de illegaal 54/55, najaar 2002

Auteur: Harry Westerink


Indonesië-weigeraar: "Wij waren geen helden, maar ook geen meelopers"

"Gooi die rooie hond het hok in en gaar laten stoven." Zo lieten officieren van het Nederlandse leger vlak na de Tweede Wereldoorlog dienstplichtige soldaten in de cel gooien die om politieke redenen weigerden om mee te doen aan de koloniale oorlog tegen Indonesië. Een van deze Indonesië-weigeraars was Jan Maassen, die over zijn strijd en gevangenschap een indrukwekkend boek schreef dat hij onlangs naar De Fabel van de illegaal zond.

Uit zijn verhaal blijkt dat Maassen politiek met de paplepel ingegoten kreeg. Zijn vader was actief in de Communistische Partij Holland (CPH) en smokkelde voor de Tweede Wereldoorlog communisten en joden uit Duitsland naar Nederland. Maassen was 11 jaar toen de nazi's Nederland binnenvielen. Omdat velen werden opgepakt, kampte het ondergrondse verzet met een groot tekort aan mensen. Daarom ging de jonge Maassen ook meehelpen. Hij verspreidde de illegale communistische krant De Waarheid en plakte muurkranten.

In 1946 was het de Nederlandse staat die een oorlog begon. Tienduizenden dienstplichtige soldaten werden naar het toenmalige Nederlands-Indië gestuurd om onder het mom van "herstel van orde en rust" de onafhankelijkheidsstrijd van de Indonesiërs bloedig neer te slaan. Men wilde de oude koloniale verhoudingen van voor 1940 weer invoeren. Dat leidde in Nederland tot massale protesten, stakingen, demonstraties en de weigering van een heleboel dienstplichtigen om als slachtvee de belangen van de kolonialen te verdedigen. Op 1 mei 1949, tijdens de jaarlijkse "dag van de arbeid"-demonstratie, behoorde Maassen tot de eerste soldaten die in uniform protesteerden tegen de troepentransporten naar Indonesië. Ook binnen de kazerne namen Maassen en zijn vrienden stelling. Ze plakten daar posters en verspreidden pamfletten.

Onderduiken

De legerleiding stoomde de dienstplichtigen in enkele weken klaar voor "de tropen". Men intimideerde de soldaten voortdurend en toonde hen propagandafilms vol lof over de zogenaamde goede bedoelingen van de Nederlanders in de "overzeese gebiedsdelen". Veel dienstplichtigen wisten wel beter. Ze leverden "ongezouten kritiek op de 300 jaar koloniale overheersing". Toen ze zich moesten inschepen naar Indonesië, doken ze dan ook onder bij familieleden of vrienden. Voor een aantal van hen was dat de tweede keer in korte tijd: eerst waren ze op de vlucht voor de nazi's, daarna voor de Nederlandse autoriteiten. Door onder te duiken ging Maassen in tegen de lijn van zijn eigen partij, de Communistische Partij Nederland (CPN). De CPN-leiding verlangde van de soldaten dat ze wel naar Indonesië gingen, om "daar de discussie voort te zetten en eventuele calamiteiten tegen de bevolking van Indonesië met alle middelen te verijdelen". Maar "wat moest een 20-jarige in een rimboe, in ieder geval met een legerleiding die over lijken gaat en in een volkomen onbekend land?", vroeg Maassen zich af.

Nadat de militaire politie bij zijn ouders thuis was geweest en hem daar niet hadden aangetroffen, meldde hij zich onder druk van de staatsrepressie uiteindelijk bij de marechaussee. De legerleiding schold hem uit voor "laffe hond" en "landverrader" en wilde weten wie hem had geholpen bij het onderduiken. Anders zouden ze hem wel een kopje kleiner maken. Met de bedreiging dat hij 7 jaar gevangenisstraf zou krijgen werd hij de cel ingesmeten. "Daar blijf je, net zolang tot je gaat praten." Maar het lukte niet om Maassen "Indië-bereid" te maken. Hij en andere dienstplichtigen, van wie sommigen meer dan 3 jaar ondergedoken waren geweest, werkten de legerleiding zoveel mogelijk tegen. Ze scholden het kader uit voor "oranje SS-ers" en "handlangers van het kolonialisme". En ze voerden allerlei sabotage-acties uit.

Vagevuur

"Terwijl we in de houding stonden, nou houding, verscheen voor de tweede keer de wolf in schaapskleren, kolonel Sluyters, ten tonele. Met zijn vaderlijke en bekakte stem gaf hij wederom een riedel over troepen in Indië, die hoognodig afgelost moesten worden. "En mannen", ging hij verder, "wij kunnen toch niet lijdelijk toezien hoe gij allen straks voor jaren de gevangenis indraait. Dat er vandalen tussen u zitten die een grote kolenkachel door de ramen gooien, dat past niet in het Nederlandse leger."" Maar veel weigeraars hadden maling aan dit soort praatjes.

Een medewerker van het ministerie van Oorlog voerde de druk op: "Houdt u rekening met 13 jaar te zitten in de kerkers van het donkere zuiden, Roermond of Maastricht. Stel u voor, na uw veroordeling door de Krijgsraad wordt u vervoerd in een auto, u komt te stoppen voor een somber gebouw, het hek gaat open en u komt op een donkere binnenplaats, kortom, uw verdere leven wordt vernietigd. U zult nooit meer kunnen solliciteren bij het rijk of bij de gemeente, uw ouders zullen oneindig veel verdriet hebben." Maassen en zijn kameraden waren laaiend. ""Vuile zwendelaar", zo verbrak Gerrit de stilte, "in het vagevuur met die kerel". En we hadden weer de neiging om iets door de ruiten te smijten, hoewel dat waarschijnlijk een averechtse werking teweeg had gebracht. Nog steeds zat het gros van de jongens wezenloos voor zich uit te staren. We voelden het met onze klompen aan, de solidariteit was gebroken, het draaiboek van de koloniale scherpslijpers was verder open getrokken, de 'democratie' had gesproken."

Lukte het niet met harde hand, dan probeerde de legerleiding wel om de soldaten met een geniepige aanpak "Indië-bereid" te maken. Volgens de legeraalmoezenier had de moeder van een dienstplichtige hem in een brief gesmeekt om naar Indonesië te gaan. "Je liegt", antwoordde de soldaat, "mijn moeder kan niet schrijven". Een andere soldaat merkte gevat op: "Die aalmoezenier heeft meer op met het Koninkrijk der Nederlanden dan met het Koninkrijk Gods".

Nadat hij al maanden zat opgesloten, werd Maassen in 1950 veroordeeld tot 3,5 jaar gevangenisstraf. Hij en andere weigeraars werden gevangen gehouden in gebouwen die in gebruik waren "voor het opbergen van collaborateurs en foute Nederlanders". Het gevangenispersoneel bestond voornamelijk uit voormalige verzetsstrijders, die daar een tijdelijke baan hadden gekregen van het ministerie van Justitie. Tot zijn afgrijzen zat Maassen in dezelfde gevangenis als SS-ers, SD-ers, concentratiekampbewakers en beruchte oorlogsmisdadigers als Aus der Fünten en Kotella. Terwijl een heleboel nazi's al snel gratie werd verleend, moesten de weigeraars hun volle straf uitzitten. Ook maakte Maassen mee hoe de ene veroordeelde nazi stram in de houding ging staan voor de andere en hem aansprak met "Herr General". Het ging om generaal Christiansen, "Wehrmachtbefehlshaber in den Niederlanden". Maassen schrijft: "In mijn gedachten zag ik weer de aanplakbiljetten uit de oorlog, waar zijn naam onder prijkte en waarop bekend werd gemaakt dat er 6, 8 of meer mannen gefusilleerd waren, onschuldig en zonder vorm van proces. Nog hadden die schooiers niets geleerd, ruim 6 jaar na hun nederlaag."

Onrecht

Al jarenlang strijden de Indonesië-weigeraars voor eerherstel, zo blijkt uit een gesprek met Maassen. In april 2001 vroegen ze de toenmalige PvdA-voorzitter Koole per brief om "een officieel excuus". De weigeraars vinden dat de PvdA nogal wat heeft goed te maken, want het was die partij die in 1946 de doorslag gaf bij het parlementaire besluit om troepen naar Indonesië te sturen. Pas na 5 maanden kregen ze een reactie. Er volgde een teleurstellend gesprek met PvdA-Tweede Kamerlid Albayrak. "Haar eerste vraag was: "Gaat het jullie om geld?". Ze begreep helemaal niet waar het ons om ging. Ze beloofde nog om het in een Kamercommissie te bespreken. Maar we hebben er nooit meer iets van gehoord", aldus Maassen. Ook bij GroenLinks vingen de voormalige weigeraars bot. "Daar zeiden ze: "Waar maken jullie je druk om, het is zo lang geleden". Maar de slavernij is al 150 jaar geleden afgeschaft, en die wordt wel herdacht. Andere partijen, zoals de SP, reageerden helemaal niet. Ze hebben gewoon geen zin om er iets mee te doen, ze vinden ons maar lastig. Milosevic wordt nu in Den Haag als oorlogsmisdadiger berecht, maar hoe zit het met Drees, Romme, Beel en de rest van de Nederlandse regering van toen? Moet daar niet wat mee gebeuren?" Maassen zond ook tientallen brieven naar media. "Af en toe mogen we opdraven om ons verhaal te vertellen, maar er verandert niets." De Nederlandse staat heeft nooit erkend dat de weigeraars groot onrecht is aangedaan. Het gaat er de weigeraars om dat de overheid toegeeft dat men toen een volkomen foute politiek voerde.

Van de ongeveer 20.000 weigeraars van het eerste uur volhardden er uiteindelijk zo'n 6.000 in hun weigering. De rest zwichtte voor de zware druk die er op hen werd uitgeoefend en ging alsnog. Na hun vrijlating werden de weigeraars voor 3 jaar uitgesloten van hun kiesrecht. De burgerlijke stand is steeds blijven vermelden dat ze in de gevangenis hadden gezeten, waardoor ze werden benadeeld bij sollicitaties. Toch hadden de meeste weigeraars geen moeite om aan werk te komen. Maassen: "Dat kwam niet door de autoriteiten, want men wilde ons maar al te graag de voet dwars zetten. Nee, het lag aan de economie die in de jaren 60 enorm groeide. Toen had men hard arbeiders nodig. Toen gingen de deuren voor ons ineens wel weer overal open."

"Een Indonesië-weigeraar vertelt zijn verhaal", Jan Maassen. Bestellen? Bel of mail De Fabel van de illegaal.

Terug