Van welvaartsstaat naar strafstaat

Minister Klijnsma probeert initiatieven van onderop te beheersen.
Minister Klijnsma probeert initiatieven van onderop te beheersen.

De artikelen van Jonathan Witteman in De Volkskrant van 24 december 2013 hebben veel stof doen opwaaien. De journalist interviewde tientallen bijstandsgerechtigden die te werk waren of zijn gesteld in projecten van de gemeente Amsterdam aan de Laarderhoogtweg. In de artikelen kwamen de misstanden die daar heersen en de zinloosheid van de trajecten uitgebreid aan de orde.

Daarbij probeert een gedeelte van de verantwoordelijke bestuurders en ook wetenschappelijk onderzoekers van GroenLinks, de PvdA en de VVD de schrijnende misstanden die worden gesignaleerd, te relativeren en begrip te kweken voor de goede bedoelingen van de stichting Herstelling Werk en Uitvoering, die de projecten uitvoert. Sommigen zijn voorstander van de in te voeren algemene “tegenprestatie” in de Wet Werk en Bijstand, van de uitbreiding van het sanctie-instrumentarium op basis van die wet, en van andere maatregelen die de bijstandsgerechtigden onder dwang ertoe moeten brengen om vrijwilligerswerk te doen of deel te nemen aan een traject richting arbeidsmarkt. Dat is beter voor henzelf en voor de maatschappij, stellen de voorstanders. Vanzelfsprekend moet iedereen respectvol en humaan worden behandeld, laten ze ook nog weten.

Tegenover de critici die het huidige beleid verwerpen, stellen ze: moeten de bijstandsgerechtigden dan maar “met rust” worden gelaten, lees: moeten we die dan in hun sop laten gaarkoken? Alsof de tegenstanders van het huidige dwangbeleid dat zouden willen. Dat is niet het geval. Er zijn duizend en een creatieve alternatieven voor het huidige beleid. Veel bijstandsgerechtigden doen al zinvol vrijwilligerswerk, en anderen kunnen positief worden gestimuleerd op basis van het creëren van voorzieningen en mogelijkheden, op vrijwillige basis. Er zouden bijvoorbeeld projecten van en voor mensen zonder werk kunnen worden opgezet die door de werklozen zelf worden gerund en waarbij mensen op vrijwillige basis kunnen deelnemen met hooguit enkele betaalde krachten die voor de continuïteit zorgen. Het argument van de voorstanders van de voorgestelde “tegenprestatie”, waarbij de suggestie wordt gewekt dat tegenstanders ervan de mensen in hun sop willen laten gaarkoken, is des te kwaadaardiger omdat er daarbij naar voren wordt gebracht dat de bestuurders mensen willen activeren en de oppositiebeweging niet. Terwijl het precies andersom is.

Participatiesamenleving

Het is de regering die honderden miljoenen op het reïntegratiebudget bezuinigt, en bij de invoering van de Participatiewet nog meer, als het om voorzieningen gaat voor mensen met een handicap. En het zijn de gemeentelijke bestuurders die op hun beurt bezuinigen, die in dat kader voor het gros van de bijstandsgerechtigden niets meer doen. Dus in hun sop laten gaarkoken. De “tegenprestatie” is geen voorziening. Werken voor behoud van uitkering – dat wil zeggen: dwangarbeid – ook niet. Mensen worden door een maatregel onder druk gezet om… ja, om wat? Voorzieningen waar mensen vrijwilligerswerk kunnen doen, worden in de buurten wegbezuinigd. Het is “de maatschappij” die maar plaatsen voor vrijwilligers moet creëren, zo stelt men. Zij moeten maar zien hoe ze aan inkomsten komen. De staat wil vervolgens een grote bureaucratische controle uitoefenen op die vrijwilligersorganisaties. Waarbij die organisaties verantwoording moeten afleggen over de begeleiding, voor de bureaucratische uitvoeringsorganisaties rapportages moeten schrijven over de vrijwilligers, enzovoorts. Kortom, de vele initiatieven die in de samenleving worden genomen, moeten onder een controlesysteem van inspectie en bewaking door de staat worden gebracht. Dat is hoe de staat reageert op “de participatiesamenleving”.

Want het is niet de regering en het zijn niet de gemeentelijke bestuurders die de “participatiesamenleving” ontwikkelen. Dat gebeurt namelijk vanuit de bevolking zelf in het algemeen en door bijstandsgerechtigden in het bijzonder. Tine de Moor, hoogleraar Instituties voor collectieve actie in historisch perspectief aan de universiteit van Utrecht, heeft de opkomst en ondergang bestudeerd van initiatieven voor zelfbeheer en zelfregulering door burgers in de loop der tijd. Zij noemt dat “instituties voor collectieve actie”. Coöperatieve samenwerkingsverbanden, broodfondsen voor zzp-ers, woon-werk gemeenschappen, collectieven voor de productie van duurzame energie, Transition Towns, enzovoorts, schieten als paddenstoelen uit de grond. Er is in dat opzicht een ware hausse aan de gang. Dergelijke initiatieven zijn er bijvoorbeeld ook veel in de zorg. De Moor produceert statistieken waaruit deze golf van initiatieven blijkt. De opkomst stamt al uit 2004 en 2005, dus van voor de economische crisis. De collectieve instituties waartoe burgers sinds 2004 in toenemende mate het initiatief nemen, zijn een gevolg van de extreem doorgevoerde en doorgeschoten marktwerking die de bevolking wil corrigeren.

Tucht van de markt

Zoals gezegd, wil de overheid greep krijgen op dergelijke initiatieven. Een van de redenen dat de overheid dat wenst, is dat zij in het kader van haar onversneden liberale beleid streeft naar maximalisering van het aantal voor het bedrijfsleven beschikbare arbeidskrachten op vaak laagbetaalde, flexibele baantjes met slechte arbeidsomstandigheden en ook op hogere functies. Die gaan gepaard met grote risico’s, waarbij de omstandigheden en voorwaarden en de zeggenschap van de werknemers niet kunnen worden verbeterd vanwege de concurrentieverhoudingen en onze nationale concurrentiepositie. In feite wil de staat in essentie regisseren dat de uitbuiting van arbeidskrachten in stand blijft en nog kan worden opgevoerd. Volgens de visie van de staat moeten burgers niet teveel zichzelf bedruipende alternatieven ontwikkelen waarbij ze dergelijke functies kunnen vermijden. Werklozen moeten maximaal beschikbaar blijven voor deze functies. Het liefst, indien mogelijk, moeten ze onder druk nog slechtere voorwaarden accepteren. Dat is de betekenis van het project van Herstelling Werk en Uitvoering en van de misstanden die daar voorkomen. De gevolgen van dat beleid zijn desastreus.

Zoals hierboven aangegeven, doet de overheid weinig tot niets in positieve zin voor de honderdduizenden Wajongers en bijstandsgerechtigden en wordt de WSW afgebouwd. Het gaat om mensen die, gezien vanuit de tucht van de markt, in een tijd van massawerkloosheid economisch eigenlijk overbodig zijn en hooguit zijn geschikt voor baantjes in de periferie van de arbeidsmarkt. Wat de overheid in feite doet, is een strafstelsel optuigen waarin de verschillen tussen werklozen en taakgestraften vervagen. Loïc Wacquant beschrijft in zijn boek “Straf de armen” dat bij de toenemende tegenstellingen tussen arm en rijk in verschillende landen van Europa een grote groep mensen aan de rand van de maatschappij terechtkomt waarbij ze leven in steeds dualer wordende grootsteden. Door projecten als dat van Herstelling Werk en Uitvoering worden deze mensen naar de buitenste regionen van de groeiende secundaire arbeidsmarkt geduwd. De door marktwerking economisch overbodig geworden mensen, zowel arbeidsgeschikten als arbeidsongeschikten, vormen de behoeftige en potentieel ontwrichtende segmenten van het postindustriële proletariaat. Doelstelling van het overheidsbeleid is om deze groep te normaliseren, controleren, bewaken en neutraliseren door hen onzichtbaar te maken of op te sluiten. Workfare en prisonfare zijn twee kanten van dezelfde medaille.

Buitenparlementaire stem

We bevinden ons met het overheidsbeleid in een spiraal naar beneden, waarin humane waarden in toenemende mate worden opgeofferd aan de tucht van de markt. De socialisten hebben zich in de negentiende eeuw verzet tegen deze ogenschijnlijk ijzeren logica waarbij ze met succes de mensonterende toestanden in de fabrieken aan de kaak stelden. Nu, anno 2014, komt na decennia van opgaande welvaart een oude waarheid die de oprichters van de eerste vakbonden in de negentiende eeuw verkondigden, weer akelig dichtbij huis: het kapitalisme stort mensen in ellende.

Tot nu toe staan de actievoerders die de “tegenprestatie” verwerpen en die het werken voor behoud van uitkering dwangarbeid noemen, nog betrekkelijk alleen in hun strijd, hoewel de acties zich wel gestaag uitbreiden. De hausse aan initiatieven vanuit de bevolking om collectief alternatieven te ontwikkelen voor falende marktwerking en die een rol zou kunnen spelen bij de verdediging van de belangen van bijstandsgerechtigden, heeft tot nu toe niet echt een buitenparlementaire, politieke stem. Maar dat lijkt mij slechts een kwestie van tijd.

Piet van der Lende
Dit artikel verscheen eerder bij Konfrontatie.