De Fabel van de illegaal 89/90, winter 2008

Auteur: Harry Westerink


SGP-oprichter: God strafte Joden met Tweede Wereldoorlog

SGP-leider en dominee Gerrit Hendrik Kersten (1882-1948) sprak en handelde antisemitisch, aldus de orthodox-christelijke godsdienstleraar Herman van Beek. Kersten zag het Hitler-regime als een instrument van God tegen communisme, rooms-katholicisme en andere “zondigheid”. Toch lijkt zijn gezag binnen de SGP (1) nog steeds onaantastbaar.


Gerrit Hendrik Kersten
Van Beek kreeg het christenfundamentalisme met de paplepel ingegoten. Hij groeide op in een gezin waar regelmatig de preken van Kersten werden gelezen en waar steevast op de SGP werd gestemd. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2006 stond hij op de kieslijst van de fractie SGP-ChristenUnie Barendrecht, en onlangs rondde hij zijn studie theologie aan de Leidse universiteit af met de scriptie “De houding van G.H. Kersten als leider van de SGP tegenover de Joden”.

Aanleiding voor zijn kritische onderzoek vormde een steunbetuiging in 2002 van de Gereformeerde Gemeenten aan Joden en aan de staat Israël. Van deze oerconservatieve “zwartekousenkerk” zijn veel SGP-ers lid. In een advertentie in het Reformatorisch Dagblad suggereerde de kerk dat Kersten als SGP-leider volop had gestreden tegen de jodenvervolging door de nazi's. “Zestig jaar later is de geest van antisemitisme weer ontwaakt, zoals onder meer blijkt uit het voornemen van Gretta Duisenberg 6 miljoen (!) handtekeningen te verzamelen voor de zaak van Yasser Arafat. Opnieuw kan er niet gezwegen worden.” De kerk riep op om “in het voetspoor van de vaderen” te gaan door hedendaags antisemitisme aan te klagen. Dat bracht Van Beek tot de vraag of Kersten eigenlijk wel wat had ondernomen tegen de jodenvervolging, hoe zijn houding was tegenover Joden, en welke rol de SGP speelde voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Voedseloverschotten

Kersten was voorman van de bevindelijk gereformeerden en drijvende kracht achter de totstandkoming van de Gereformeerde Gemeenten in 1907. Het woord “bevindelijk” wil zeggen dat de gelovigen de bijbel niet alleen met het verstand moeten begrijpen, maar ook met het hart moeten aanvaarden. Zo krijgen ze aangepraat dat God de aarde werkelijk 6 duizend jaar geleden in 6 dagen tijd heeft geschapen. Als “Gods woord” zou de bijbel nu eenmaal “onfeilbaar” zijn. Bevindelijk gereformeerden wonen vooral in een strook die loopt van Walcheren tot Staphorst, de bijbelgordel waar men streng vasthoudt aan de zondagsrust. Een derde van de half miljoen bevindelijken wijst vaccinatie af omdat het in strijd zou zijn met “Gods voorzienigheid”. De bevindelijken onderscheiden zich verder van andere christenen doordat ze de bijbel lezen in de bijna vier eeuwen oude Statenvertaling. Andere vertalingen worden afgedaan als nieuw en modernistisch.

Kersten preekte, schreef boeken, gaf les, stichtte scholen, leidde de SGP van 1918 tot 1945, was hoofdredacteur van het partijblad De Banier, en zat van 1922 tot 1945 namens de partij in de Tweede Kamer. Uit Van Beeks scriptie blijkt hoe passief, fatalistisch en zelfs loyaal de SGP-leider is geweest naar de nazi's toe. “Kersten zag de Duitsers als een roede in Gods hand om Nederland te straffen voor de zonde. Het oordeel van God was gekomen en de mensen moesten bukken en buigen onder de slaande hand Gods.” Een van die “hemeltergende zonden” zou zijn geweest dat Nederlanders bewust voedseloverschotten hadden weggegooid, zo schreef Kersten in De Banier vlak voor de inval van de nazi's op 10 mei 1940. Vijf dagen daarna, net na het bombardement op Rotterdam, liet hij zonder blikken of blozen weten dat “Gods gerechtigheid” was “gehandhaafd”. Met vrouw en kinderen woonde Kersten toen zelf in Rotterdam. Zijn woning stond door toedoen van de nazi's op instorten, maar toch vond hij “het goddelijke genade dat hij voor Gods recht buigen mocht en Hem te midden van de oordelen aanbidden kon”.(2) Ook zou God zich in die dagen tegen Nederland hebben gekeerd vanwege “de zondigheid” van prinses Juliana. Na de inval van de Duitsers was zij het land namelijk op een zondag ontvlucht en daardoor zou ze de zondagsrust hebben “ontheiligd”.

Tiranniek

Kersten vond het zinloos om tegen de nazi's te vechten, want “wie zal vermogen tegen God te strijden?” En “God doet geen onrecht, ook niet als Hij de Duitser gebruikt om ons te slaan”. De Nederlanders zouden “een welverdiend oordeel” en een terecht pak slaag van God hebben gekregen. Ze dienden het Hitler-regime voortaan als wettige overheid te gehoorzamen. Volgens hem was verzet tegen de overheid altijd ongeoorloofd, ook tegen een bezettende overheid als de Duitse. Daarom deden SGP-ers en leden van de Gereformeerde Gemeenten nauwelijks mee aan protesten van andere kerken tegen de “ariërverklaringen” en de jodenvervolging. Kersten was bovendien niet vies van de NSB. Ook al vond hij het “een heidense stroming”, toch had hij sympathie voor het autoritaire leiderschap van de fascisten en voor hun strijd tegen “het rode gevaar” van socialisten en communisten. Ook flink wat andere SGP-ers hadden waardering voor het fascisme.

Christenen als Kersten hebben altijd een extreem gehoorzame en onderdanige houding gehad naar alles en iedereen met macht en autoriteit. De wortels voor die griezelige gezagsgetrouwheid liggen bij de zestiende-eeuwse reformator Johannes Calvijn. Van hem hebben massa's protestanten en gereformeerden door de eeuwen heen geleerd dat ze zelfs een “tirannieke” overheid moeten gehoorzamen. “Wij moeten niet alleen gehoorzamen aan de overheid die geheel terecht en plichtsgetrouw haar gezag uitoefent, maar wij behoren ook degenen te verdragen die op een tirannieke manier misbruik maken van hun macht, totdat wij op wettelijke wijze van hun juk zijn bevrijd”, aldus Calvijn. “Want zoals een goede vorst het bewijs is van de goedheid Gods om het welzijn der mensen te bewaren, zo is een slechte, wrede vorst een gesel Gods om de zonden van het volk te bestraffen. Het wordt echter als vaststaand beschouwd dat zowel de goede als de slechte vorst hun macht van God hebben gekregen, en dat wij ons niet tegen hen kunnen verzetten zonder ons tegelijk ook te verzetten tegen de voorschriften van God.”(3) Veel christenen zitten nog steeds in de houdgreep van dit calvinisme.

Nederlandse boter

Na het aan de macht komen van het Hitler-regime in 1933 bagatelliseerde Kersten de jodenvervolging in Duitsland als “overdreven leugens en verzonnen verhalen”. In De Banier werd Hitlers “Mein Kampf” zonder commentaar en kritiek besproken. Zelfs na de Kristallnacht in 1938 bleef Kersten beweren dat de Joden voor eeuwig de vervolging over zichzelf hadden afgeroepen door Jezus te kruisigen, waarbij hij zich beriep op de antisemitische bijbelpassage “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen”. Binnen het christendom was het al eeuwenlang gemeengoed om het lijden van de joden te beschouwen als een straf van God. De Joden zouden door God niet langer als zijn “uitverkoren volk” worden beschouwd. Die bevoorrechte positie zou zijn overgenomen door de christelijke kerk.

Johannes Calvijn
Naast dit traditionele religieuze antisemitisme maakte Kersten zich ook schuldig aan sociaal-economische jodenhaat. Hij stelde goed te begrijpen waarom Duitsland zich tegen de Joden keerde. “Door hun grote rijkdom” zouden de Joden namelijk “bij machte zijn om pers, handel, industrie en tal van andere zaken te beheersen, tot benauwing van geheel de overige bevolking”. Kersten was fel tegen Joodse bedrijven als Jürgens en Van den Bergh (nu Unilever). Die zouden de Nederlandse boter verdringen, alsof deze Joodse ondernemers geen Nederlanders waren. Omdat veel Joden vrijmetselaar of communist zouden zijn, vond hij het noodzakelijk “om tegen hen positie te kiezen”. “Op de Joden is veel aan te merken, vooral op de Joden die socialist of communist zijn. Joodse journalisten als Polak en Kleerkoper dienen zich te matigen in hun kritiek op Hitler, want onze handel wordt bedorven door dit odium van ‘Deutschfeindlichkeit’.” Hij pleitte er na de Kristallnacht voor om de grenzen te sluiten voor Joodse vluchtelingen. Nederland heeft 400 duizend werklozen, schreef hij, en dan “gaat het niet aan om er nog een belangrijk aantal bij te nemen, daar toch het merendeel van hen die Duitsland ontvluchten willen, zonder middelen van bestaan zijn”.

Tekenend voor Kerstens houding was de affaire rond de scholiere Mirjam de Groot. In 1941 eiste de Duitse bezetter dat opgave gedaan werd van het aantal Joodse kinderen op scholen. De nazi's wilden hen uitsluiten van onderwijs. Daarop adviseerden de meeste christelijke scholenbonden hun schoolbesturen om die antisemitische maatregel te boycotten. Maar de gereformeerde scholenbond dacht daar anders over. Als voorzitter van die bond verlangde Kersten van zijn scholen dat ze de Duitsers zouden gehoorzamen. Zulke scholen waren volgens het illegale blad Trouw “als was in de handen van de bezettende macht”. Met zijn beleid kwam Kersten in conflict met voorzitter Kok van het bestuur van een van de weinige gereformeerde scholen die wel wilden protesteren tegen de uitsluiting. Kok wilde de Joodse leerlinge De Groot gewoon toelaten op zijn school, en daarop zette Kersten Koks school uit zijn scholenbond. Kersten vond dat Kok het meisje niet mocht beschermen, omdat de Joden Jezus hadden verworpen.

Antichrist

Kersten zag in het rooms-katholicisme zijn grootste vijand. “Veel meer dan voor socialist en voor NSB-er heeft ons protestantse volk voor Rome te vrezen en tegen Rome zich te wapenen”, schreef hij in 1938. Een lid van het SGP-hoofdbestuur noemde de paus en zijn aanhangers zelfs “de Antichrist met zijn goddeloze en misdadige synagoge”. Dat lag in de lijn van Calvijn, die stelde dat de paus van de duivel afstamde. Kersten meende dat rooms-katholieken geen echte Nederlanders waren. Katholieke politici zouden niet in het belang van het land werken, maar “in het leger van de paus strijden”. “Ons calvinistenland” zou “verraderlijk aan Rome zijn uitgeleverd”.(4)

Na de Tweede Wereldoorlog werd Kersten “gezuiverd”. Hij mocht niet meer terugkeren in de Tweede Kamer, omdat hij “tekort was geschoten in een juiste houding tegenover de Duitse bezetting”. Men beschouwde hem als een collaborateur. Ook kreeg hij een schrijfverbod van 10 jaar opgelegd vanwege pro-Duitse artikelen in De Banier. Drukkerij De Banier had zelfs nazistische boeken gedrukt. SGP-leden met kritiek op Kersten kregen binnen de partij echter geen schijn van kans. Ze werden geroyeerd of kregen te maken met kerkelijke censuur. De autoritaire Kersten betitelde hen als oproepkraaiers die de kop moest worden ingeslagen.

Vandaag de dag wordt Kersten in SPG-kringen nog steeds de hand boven het hoofd gehouden. De op zich moedige kritiek van een geloofsgenoot als Van Beek dringt er nauwelijks door. Volgens de SGP-jongeren zou “de beschuldiging” van Van Beek ongenuanceerd zijn. Kersten zou niet antisemitisch hebben gehandeld. In plaats van kritiek op hun voorman serieus te nemen, luisteren veel SGP-ers liever naar donderpreken over het “zondige Nederland” dat hel en verdoemenis tegemoet zou gaan. “Wij zijn een schandvlek geworden”, bulderde een dominee een paar jaar geleden in een zaal vol SGP-ers. “De ene pilaar na de andere pilaar van de samenleving wordt weggehaald, en slechts een puinhoop blijft over. Wij zijn een land dat vooropgaat in de zonde. En dat land zal ook vooropgaan in het oordeel” van God. Maar de christenfundamentalisten weten nog niet met welke “roede” God de Nederlanders dit keer gaat afranselen.

Noten

Terug