De Fabel van de illegaal 99, maart/april 2009

Auteur: Sandor Schmits


Migratie en de crisis

De omvang van de huidige economische crisis lijkt dagelijks toe te nemen en het einde is nog lang niet in zicht. Terwijl overheden honderden miljarden euro’s steken in de financiële sector en de industrie, worden wereldwijd tientallen miljoenen arbeiders ontslagen. Migranten zijn vaak de eersten die eruit vliegen.


Overal ter wereld komen banen in gevaar door de crisis.
Roemenië en Bulgarije zijn sinds 1 januari 2007 EU-lidstaten. Net als bij het EU-lidmaatschap van Polen in 2004, heeft de overheid een tweejarige overgangsperiode ingesteld voordat Roemenen en Bulgaren zonder werkvergunning in Nederland kunnen komen werken. Zo wil de overheid de nationale arbeidsmarkt beschermen tegen de toeloop van goedkope Oost-Europese arbeidskrachten. Per 1 januari 2009 zou de overgangsperiode ten einde zijn, maar onder invloed van de kredietcrisis heeft minister Piet Hein Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de regeling met een half jaar verlengd. Hij wijst daarbij naar omringende landen die hun grenzen ook nog gesloten willen houden. Zowel het CDA, zijn eigen partij, als de PvdA, de PVV, de VVD en de SP vinden de verlenging van een half jaar te kort. Zij willen de maximale overgangstermijn van 5 jaar, zodat Roemenen en Bulgaren tot 2012 een werkvergunning zouden moeten aanvragen.

Om de protectionistische maatregel te rechtvaardigen slepen politici er allerlei argumenten bij, zoals problemen met huisvesting en uitbuiting. Donners partijgenoot en Kamerlid Eddy van Hijum ziet ook “een zeker risico voor de sociale zekerheid”. Met de Poolse arbeidsmigranten als voorbeeld stelt hij dat het vooral gaat om laaggeschoolde arbeiders. Die worden in crisistijden het eerst op straat gegooid en zouden dan aanspraak gaan maken op een uitkering. Van Hijum geeft weliswaar toe dat het aantal Poolse migranten met een uitkering niet hoog is. Maar het risico dat ze misschien een beroep gaan doen op sociale voorzieningen, waar ze overigens zelf aan meebetalen, vormt voor hem al voldoende reden om de grenzen te sluiten. De CDA-Kamerfractie pleit daarbij meteen ook voor een aanscherping van de WW-regeling en van de bijstand, om zo “aanzuigende werking” tegen te gaan. Ook PVV-Kamerlid Tony van Dijck ziet Roemenen en Bulgaren als een bedreiging voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Hij krijgt in de Kamer echter onvoldoende steun voor zijn voorstel om alle Oost-Europeanen alleen nog maar toe te laten via een werkvergunning.

Quota

Ook Engeland, Frankrijk, Duitsland, België, Luxemburg, Oostenrijk, Ierland en Italië houden hun arbeidsmarkt geheel of gedeeltelijk gesloten voor Roemenen en Bulgaren. Tot 2012 zijn ze tweederangs burgers in die oude lidstaten. Italië en Luxemburg openen de arbeidsmarkt alleen voor sectoren met een tekort aan arbeiders, zoals de landbouw. “Wij moeten eerst de banen van onze eigen werknemers beschermen”, aldus Phil Woolas, de Britse minister van Immigratie. Engeland heeft quota ingesteld voor laaggeschoolde migranten, en hooggeschoolden mogen alleen komen als er geen vergelijkbare Engelse werknemers beschikbaar zijn. Engeland kan migratie uit andere EU-landen niet helemaal stoppen en daarom treedt men nu extra streng op tegen migranten van buiten de EU. Overigens zijn Spanje, Portugal, Hongarije en Griekenland vanaf begin 2009 wel vrij toegankelijk voor migranten uit de nieuwe EU-landen.

Het beperkende beleid mag ook na 2012 nog voortgezet worden wanneer migratie “ernstige verstoringen” van de arbeidsmarkt zou veroorzaken. Maar uit onderzoek van de Europese Commissie blijkt dat het openen van de grenzen voor migranten uit de nieuwe EU-landen geen nadelige gevolgen voor de binnenlandse arbeiders heeft gehad. In de oude lidstaten was er grote behoefte aan extra arbeiders. De arbeidsmigranten hebben dus zo bijgedragen aan de economische groei. Ook in Nederland blijkt het verwachte negatieve effect van de instroom van Oost-Europese arbeiders zich nauwelijks te hebben voorgedaan. Behalve in de landbouw, een sector met zwaar werk voor weinig geld, zijn de lonen nergens onder druk komen te staan. Het effect op de sociale voorzieningen is zelfs positief voor de Nederlandse arbeiders en oneerlijk voor de EU-migranten. Die betalen namelijk wel premies en belastingen, maar maken daar zelf nauwelijks gebruik van omdat ze meestal tijdelijk blijven. Uit de ervaringen met Poolse arbeiders blijkt verder dat het opheffen van het beperkende beleid niet voor veel meer migratie heeft gezorgd.

Spanje

Spanje werd al vroeg in 2008 getroffen door de crisis. Jarenlang was het een van de snelst groeiende economieën in Europa, mede vanwege de bouwsector. Dat trok veel migranten aan uit Afrika, Oost-Europa en Latijns-Amerika. Nu zijn veel bouwprojecten stilgelegd of afgeblazen, en heel wat bedrijven gaan failliet. De werkloosheid is in 2008 met een miljoen gestegen tot meer dan 3 miljoen. Spanje kent nu het hoogste percentage werklozen binnen de EU: 11,3 procent en onder migranten zelfs 17,5 procent. Die worden het hardst getroffen, vliegen er meestal het eerste uit en beschikken vaak niet over een netwerk van familie en vrienden die hen kunnen opvangen. De migranten zijn juist meestal in Spanje komen werken om hun familie in het land van herkomst te ondersteunen. Nu zijn velen dakloos geworden en aangewezen op gaarkeukens.

Door de crisis komen illegale migranten makkelijker aan het werk dan legale, voor wie de bazen premies en hogere lonen moeten betalen. De zoektocht naar werk loopt regelmatig uit op een onderlinge strijd tussen migranten van verschillende nationaliteiten. De spanningen lopen daarbij hoog op. Marokkaanse migranten bijvoorbeeld leven al langer in Spanje en hebben een sterkere positie verworven. Daardoor kunnen ze ook meer geld eisen voor hun arbeid. Maar momenteel worden ze vervangen door Roemenen die genoegen nemen met minder. De uurlonen zijn zo inmiddels tot ver onder het wettelijk minimum gedaald. Sommige arbeiders maken zelfs werkdagen van 10 uur voor in totaal 15 euro.

Werkloze Chinezen in een café.
De Spaanse regering probeert van de werkloze migranten af te komen door hen oprotpremies aan te bieden. Een deel van dat geld krijgt de migrant bij vertrek uit Spanje en de rest bij aankomst in eigen land. Wie zo terugkeert, mag Spanje drie jaar niet meer in. Van de regeling wordt dan ook nauwelijks gebruik gemaakt. Veel Afrikanen hebben duizenden euro’s betaald en hun leven gewaagd in gammele bootjes om naar Spanje te komen. Ze willen nu niet afgekocht worden.

Engeland

Engeland en Ierland waren sinds 2004 populaire bestemmingen voor Poolse migranten. Er was werk zat en er waren geen beperkende maatregelen tegen hun komst. Meer dan 1,2 miljoen Polen deden voornamelijk laaggeschoold en zwaar werk in de bouw en de landbouw. Nu Engeland hard is getroffen door de crisis en veel banen verloren zijn gegaan, trekken veel Polen weg. Sommigen gaan naar Noorwegen en Zweden, maar de meesten keren terug naar Polen. Aan het begin van de crisis groeide de Poolse economie nog even door, wat een extra reden was om terug te gaan. Ook speelde de zwakker wordende Britse pond een rol. Kregen de Poolse migranten voor 500 pond (625 euro) eerst nog 3.500 zloty, nu is dat niet meer dan 2.300. Inmiddels echter heeft de Poolse economie ook last van de crisis. De teruggekeerde migranten lijken dus van de regen in de drup beland en moeten opnieuw voor hun baan vrezen. Daarnaast hebben velen bij terugkeer te kampen met aanpassingsproblemen. De Engelse samenleving is in het algemeen minder conservatief dan de Poolse.

Ook migranten uit andere EU-landen liggen onder vuur. In 2004 waarschuwden de vakbonden de Britse overheid dat de EU-regelgeving het mogelijk maakt voor buitenlandse bedrijven om bij grote infrastructurele projecten Portugese of Italiaanse arbeiders in te zetten in plaats van Britse. Bij de bouwprojecten voor de Olympische Spelen van 2012 komt 37 procent van de arbeiders uit een ander land. De bazen profiteren flink van de komst van de arbeidsmigranten. Britse arbeiders worden relatief goed betaald en verdienen meer dan Portugese en Italiaanse. De lonen in de bouw verschillen binnen de EU enorm. In Engeland is het maandloon gemiddeld 2.481 euro, in Duitsland 2.074, in Italië 1.592, en in Portugal slechts 705 euro. De Britse arbeiders zijn vaak ook nog beter beschermd en worden vertegenwoordigd door de vakbond. Ze kunnen dus makkelijker protesteren tegen te lange werktijden of onveilige arbeidsomstandigheden. Voor buitenlandse arbeiders is dat veel moeilijker vanwege taalproblemen en het ontbreken van steun.

Onder invloed van de crisis zijn protectionistische en nationalistische sentimenten flink opgelaaid. In de olie- en energiesector braken protesten uit nadat aannemers verklaarden geen lokale arbeiders in te zetten bij het bouwen van raffinaderijen en een energiecentrale. Britse arbeiders probeerden buitenlandse arbeiders te beletten om aan het werk te gaan, onder het motto “Engelse banen voor Engelse arbeiders”. De Britse premier Gordon Brown had deze slogan overigens zelf als eerste gebruikt bij zijn eerste toespraak als Labour-partijleider in 2007. Het spreekt voor zich dat arbeiders kwaad zijn over de toenemende onzekerheid en hun machteloze positie. Maar die woede moet zich dan wel richten tegen de bazen en niet tegen buitenlandse arbeiders die minstens net zo hard worden uitgebuit.

China

In de EU staan miljoenen banen op het spel, maar in China gaat het nu al over tientallen miljoenen. Naar schatting 750 miljoen Chinezen wonen op het platteland. Door de opkomst van grootschalige geïndustrialiseerde landbouw kunnen veel kleine boeren daar niet meer overleven. Jaarlijks vinden er daarom duizenden opstanden plaats waarbij vrijheid en welvaart wordt geëist. De woede richt zich vaak op de bestuurders en het staatsapparaat. De rellen worden bedwongen met bot geweld van de politie en het leger. Maar het is vooral de belofte van economische vooruitgang die de meeste Chinezen in het gareel houdt. Zo’n 130 miljoen migreerden er naar de steden om daar te gaan werken in fabrieken. Het land heeft zich in 30 jaar tijd opgewerkt tot het industrieterrein van het rijke Westen. Maar nu is de export voor een deel ingestort en zijn volgens officiële cijfers al zo’n 20 miljoen binnenlandse migranten werkloos teruggekeerd naar het platteland. Volgens sommige economen gaat het zelfs om 40 miljoen arbeiders. Maar grote delen van het platteland waren leeggelopen en daardoor is de sociale en economische infrastructuur goeddeels verdwenen. Terugkeer naar een boerenbestaan is dus onmogelijk geworden. Het gebrek aan kansen om te overleven leidt tot onrust en hongeropstanden. Dat kan op termijn zelfs een gevaar gaan vormen voor de Chinese staat, en die probeert daarom de arbeiders te paaien met werkgelegenheidsprojecten, hogere inkomens, uitkeringen en medische zorg.

Hoe de migratie zich onder invloed van de crisis wereldwijd gaat ontwikkelen, is nog onduidelijk. Uit het “World Migration Report 2008” van de migratiebeheersingsorganisatie IOM blijkt dat migratie nog steeds toeneemt. Het onderzoek is wel gedaan op basis van cijfers uit 2005, van voor de huidige crisis dus. Wereldwijd migreren meer dan 200 miljoen mensen, dat is 1 op de 30. Naar schatting 10 tot 15 procent van de migranten is illegaal. Meer dan de helft van alle migratie vindt plaats tussen de rijke landen.8 Ondanks de ineenstorting van diverse economische sectoren blijft de vraag naar arbeid bestaan. In crisistijden groeit de vraag naar goedkope arbeiders juist. Bedrijven moeten hun kosten omlaag brengen om te kunnen blijven concurreren, wat leidt tot slechtere arbeidsomstandigheden en hogere werkdruk. De import van goedkope arbeidsmigranten is dan een oplossing. Het is belangrijk om juist in crisistijden niet naar een zondebok te gaan zoeken. Migranten zijn niet de schuld van de economische problemen. Het kapitalisme leidt immers voortdurend tot uitbuiting en onzekerheid, en alle arbeiders worden daarvan het slachtoffer.

Terug