Gebladerte-reeks 19, november 2000

Auteur: Gruppe Demontage


(Vertaald uit: Konkret 10, oktober 1998)

Baskisch arbeidersvolk

In het huidige post-fordistische tijdperk veranderen veel guerrilla's hun opvattingen over nationale bevrijding. De Baskische ETA oriënteerde zich in de jaren 60 op de succesvolle bewegingen in Algerije en Cuba, en werkte later samen met de Spaanse arbeidersbeweging. Sinds de jaren 80 heeft de ETA haar socialistische jasje volledig uitgetrokken.

Op 15 juli 1998 sloot de Spaanse regering met politiegeweld de twee belangrijkste media van de links-nationale beweging in Baskenland: de krant Egin, hun drukkerij en de gelijknamige radiozender. Elf eigenaren van Egin werden wegens vermoedelijk ETA-lidmaatschap gearresteerd. Toch brengt het Egin-personeel nog steeds dagelijks een nooduitgave uit, de Euskadi Informacion.

Er waren uiteenlopende protesten tegen de sluiting. Ook de conservatieve Baskische Nationalistische Partij PNV toonde zich solidair. Hun politieke eisen gingen echter niet in linkse richting. De PNV protesteerde er weliswaar in Madrid tegen dat de Spaanse regering met het verbieden van Egin mogelijk toe werkt naar een verbod van de links-nationalistische partij Herri Batasuna, nog voor de regionale verkiezingen van 25 oktober 1998. Hun hoofdargument was echter dat de regering het Baskische nationalisme als geheel wilde discrimineren. Ook de praktische solidariteit van de PNV was gering. Zo mocht het Egin-personeel de drukkerij van het PNV-dagblad Deia niet gebruiken voor de productie van hun nooduitgaven. De PNV vergrootte daarentegen juist de druk op Herri Batasuna om zich van de gewapende strijd van de ETA te distantiëren, en probeerde nationalistische partijen te lokken met een aanbod van parlementaire samenwerking onder PNV-leiding.

De links-nationalistische partij Herri Batasuna (Volkseenheid) kreeg bij de regionale verkiezingen van 1994 in Baskenland 12,2 procent van de stemmen. Als enige partij distantieerde ze zich tot op heden nog nooit van ETA-aanslagen. Naast Herri Batasuna omvat de legale links-nationalistische Baskische Beweging voor Nationale Bevrijding, de Movimento de Liberacion Nacional Vasco (MLNV), een reeks organisaties, zoals bijvoorbeeld de vakbond LAB (Baskisch Arbeiders Platform) en de vrouwencoördinatie Egizan. Tot midden juli 1998 had de MLNV met Egin een eigen dagblad. De legale MLNV richt zich op de guerrilla-beweging Baskenland en Vrijheid, ofwel Euskadi ta Askatasuna (ETA). Terwijl de ETA in de jaren 70 nog voor een onafhankelijke socialistische nationale staat streed, is van dat doel tegenwoordig alleen de eis van onafhankelijkheid gebleven. In de gewapende strijd staat de ETA tegenover de Spaanse staat met haar goed ingespeelde repressie-apparaat, bestaande uit onder meer een paramilitaire politie, de militaire geheime dienst CESID en het speciale gerechtshof.

Op 1 december 1997 veroordeelde dat speciale gerechtshof 23 bestuursleden van Herri Batasuna elk tot 7 jaar gevangenisstraf wegens collaboratie met de ETA. Herri Batasuna had in 1996 bij de televisie-omroep als verkiezingsspot een video aangeleverd die hen door de ETA toegespeeld was. Vermomde mensen deden daarin namens de ETA een onderhandelingsvoorstel, het "Democratisch Alternatief". Als tegenprestatie voor een wapenstilstand eisten ze vrijlating van de 600 ETA- en MLNV-gevangenen, terugtrekking van leger en politie van Spanje, een volksstemming over de onafhankelijkheid van het hele gebied dat als Baskenland geclaimd wordt, en een nationaal zelfbeschikkingsrecht. Deze vier punten zijn al jarenlang centrale eisen van de ETA en stonden al in 1978 in het "7-punten programma". In het "Democratische Alternatief" van 1996 ontbreken de 3 eisen uit het "7-punten programma" die verder gaan dan nationalisme: de sociale eis van "algemene verbeteringen voor de arbeiders", de eis van een "progressieve democratische grondwet" en die van "volledige democratische rechten".

De toenemende nationalisering van de ETA-politiek staat tegenover de maatschappelijke ontwikkeling dat een aanzienlijk deel van de bevolking in het opgeëiste gebied zich ertegen verzet tot de "Baskische natie" gerekend te worden. Terwijl tussen 1979 en 1991 de partijen van de diverse varianten van Baskisch nationalisme samen nog meer dan 50 procent van de stemmen haalden, bereikten ze sindsdien geen getalsmatige meerderheid meer. Met name de arbeidsmigranten uit Zuid-Spanje die in de jaren 50, 60 en 70 binnenkwamen, voelen zich tegenwoordig niet meer thuis in de Baskische autonomie-beweging. Sinds ook het links-nationalistische deel zich van haar vroegere socialistische retoriek afgekeerd heeft en als centrale eis "vrijheid voor het Baskische volk" propageert, zijn er geen alternatieven meer voor de volkse leuzen van het traditionele nationalisme.

De doodlopende weg van de nationale polarisering

Sinds 1996 regeert de conservatieve volkspartij PP de Spaanse staat. In 1990 verving Aznar de vorige voorzitter Fraga Iribane, die nog onder Franco minister was. De regering-Aznar is in het parlement afhankelijk van de steun van de Baskische rechtse nationalisten. Tegenover de ETA mikt de PP op een krachtige confrontatie, isolatie en vernietiging. Men ging niet in op het ETA-aanbod van vredesonderhandelingen. Om hun eisen kracht bij te zetten heeft de ETA als puur militaire reactie 6 gemeentepolitici van de PP neergeschoten, de laatste in mei 1998. Ondertussen voert de ETA nog slechts een oorlog tegen de lagere echelons van Spaanse staatsambtenaren. De ETA raakt nog maar zelden de hogere rangen, die werkelijke verantwoordelijkheid dragen in het staatsapparaat, het leger of de economie. De voortgezette militaire strijd staat, anders dan in de Franco-tijd, los van sociale strijd en meet zijn efficiëntie alleen nog aan de aantallen en kracht van de aanslagen. De militarisering van de politieke conflicten is ook te zien aan de toename van spontane militante acties van de jongeren van de MLNV. Bij de dagelijkse conflicten bestrijden zij hun politieke tegenstanders steeds minder met argumenten en meer en meer met molotovcocktails en stenen. Zo brandden in augustus 1998 zo'n 100 vermomde activisten een 4 verdiepingen hoog woonhuis in Gexto af, om de woning van een PP-politicus te beschadigen. Over het algemeen nemen zulke spontane militante acties sinds 1990 flink toe. Volgens berichten in Egin werden alleen al in het eerste half jaar van 1997 239 jongeren bij straatgevechten gearresteerd.

Sterk gestimuleerd door de Spaanse media en regering, kwam het in juli 1997 na de ETA-moord op PP-gemeentepoliticus Miguel Angel Blanco tot regelrechte drijfjachten op de aanhangers van Herri Batasuna. Partijlokalen werden belegerd en in de fik gezet; bars waar aanhangers van Herri Batasuna vaak komen, werden met stenen bekogeld en straatfeesten werden aangevallen omdat de bezoekers niet meededen aan de rouw. Aan de gewelddadigheden deden zowel Spaanse fascisten als politie-agenten in burger mee. Zo vierde het officiële Spanje de herovering van de straat door de zogenaamde "democraten". Op de herdenkingsbijeenkomst van de regering voor Miguel Angel Blanco in de stierenvechtersarena van Madrid traden veel sterren op, van wie de biografie nauw met de Franco-dictatuur verbonden is.

Deze gebeurtenissen werden in de genoemde links-nationalistische krant Egin uitgebreid bediscussieerd. De MLNV-aanhangers profileerden zich daarbij tot slachtoffer van een anti-Baskisch racisme en vergeleken hun onderdrukking met de vervolging in Nazi-Duitsland. Zo schreven bijvoorbeeld de medewerkers van de milieugroep Eki, van wie tijdens de gewelddadigheden het kantoor was beklad omdat het om een verzamelplaats van Herri Batasuna zou gaan: "Het eerste wat ons te binnen schoot was een spandoek te maken met de tekst: "Wij zijn ook joden". Wij hebben weinig sympathie voor de huidige politiek van de zionistische staat, maar het markeren van huizen herinnert ons ergens aan."

Opvallend aan deze reactie is niet alleen de antisemitische reflex dat men toch nog even snel het zionisme van "de joden" wil veroordelen, wanneer men zelf politiek in het nauw wordt gedreven. Het is ook het consequente eindpunt van een politiek die enkel nog neerkomt op militant nationalisme, die conflicten nog slechts waarneemt als strijd tussen geëtniseerde groepen en die alle sociale categorieën naar de achtergrond verdringt.

Zelf-etnisering in het nationalistische spectrum

Het tegenwoordige Baskische nationalisme is gevormd door de Franco-dictatuur van 1937 tot 1975. De door Franco benoemde burgemeester van Bilbao, Areilza, verklaarde na de verovering in de Spaanse burgeroorlog in 1937: "Bilbao is met bloed schoongewassen. Deze verschrikkelijke duivelse nachtmerrie genaamd Euskadi, die voortkwam uit het socialisme en de waanzin, is voor altijd overwonnen."

Uiterst agressief werd sindsdien in de steden en op het land de dominante Spaans-nationalistische cultuur opgelegd en alles wat voor on-Spaans werd aangezien, werd gediscrimineerd. Niet alleen de Baskische taal, het Euskara, was tot midden jaren 60 verboden, maar ook alle culturele uitingen die ervan verdacht werden Baskisch te zijn. Wie op het land nog op de Baskische manier groette, kon rekenen op een geldstraf. En het dragen van een traditionele jas in de stad kreeg het karakter van een nationalistische uiting. Op het land waren die jassen heel gewoon, maar wie ze droeg kreeg een geldboete.

Het Baskische nationalisme sloeg op het land pas aan, toen het geconstrueerd kon worden als geëtniseerde tegenhanger van de dominante Spaanse cultuur. De systematische uitsluiting van Baskisch sprekende mensen door de dictatuur versterkte dat proces van zelf-etnisering nog. In 1979 schreef de ETA-sympathisant en publicist Ortots in volledig positieve termen over dat proces van uitsluiting: "Franco's dictatuur heeft het nationale bewustzijn kracht gegeven. De prijs daarvoor is hoog geweest. Doden, gevangenen, folter, verbanning, vernietiging van de cultuur".

Het traditionele Baskische nationalisme ontstond in de industriestad Bilbao. Vanaf de jaren 40 begonnen veel mensen van het land naar de stad te trekken. Hun alledaagse cultuur, die niet nadrukkelijk als "Baskisch" beleefd werd, kwam daar in aanraking met een nationalistisch geladen Baskische identiteit. Dit proces laat zien dat de (zelf-)etnisering van een groep alleen tot stand kan komen via het idee van een afgrenzing van een andere groep. Een jonge Bask, die in 1970 van het land naar Bilbao kwam, beschreef het als volgt: "Ze zeiden ons dat we de Baskische dansen moesten leren en onze vakanties in caserio's (typische boerenhoeven) moesten doorbrengen, omdat Franco de Baskische cultuur wilde vernietigen en het Baskische volk terug moest vechten. Ze vroegen me nooit naar Baskische cultuur. Ze legden hem mij uit! Het waren Spaanse Basken en ik was Bask op zijn Euskara. Ik had altijd het gevoel dat mijn echte leven hen totaal niet interesseerde."

Van de PNV tot de ETA

Het links-nationalisme in Baskenland is nauw verbonden met de in 1959 opgerichte ETA. De organisatie is ontstaan uit de jeugdorganisatie van de Partido Nacionalista Vasco (PNV). De PNV is de oudste en meest gevestigde Baskisch-nationalistische partij. Sinds 1980, toen Baskenland deels autonoom werd, vormt de PNV de Baskische regionale regering en de partij heeft sindsdien vele nieuwe bevoegdheden bij de Spaanse centrale staat afgedwongen. De PNV is conservatief-nationalistisch en erg vriendelijk voor de katholieke kerk. Het nationalisme van de PNV gaat zelfs zover dat men in 1993 op de Baskische tv een sketch verbood waarin grappen gemaakt werden over de vermeende reinheid van het Baskische bloed. De oprichter van de PNV en uitvinder van de Baskische natie, Sabino Arana y Goiri, had 100 jaar daarvoor uitvoerig uitgelegd dat het Baskische bloed in tegenstelling tot het Zuid-Spaanse "vrij van Arabisch en joods bloed is".

Bij haar oprichting wees de ETA dit Blut-und-Boden-racisme af en zette er een cultureel concept tegenover waarin de natie gedefinieerd werd via de Baskische taal. Desondanks bleef de ETA in haar eerste programma in 1962 in zoverre gevangen in die racistische denkwijzen dat men in etno-pluralistische zin over "rassen" sprak in hun "weigering van racisme en daarmee van het principe van de superioriteit van het ene volk of ras over het andere".

In het begin ging het de jonge cultuurstrijders van de ETA er vooral om zich te "herbezinnen" op de naar hun idee egalitaire voor-Spaanse Baskische samenleving. Ze waren tegen de groeiende sociale ongelijkheid in de kleine steden ten gevolge van de industrialisering die in de jaren 50 plaatsvond. De ETA hield echter wel vast aan het doel van de traditionele PNV: het stichten van een eigen nationale staat. Ze wilden een modern nationalisme, een "federale Europese integratie, voorzover die op het vlak van de nationaliteiten verloopt". Ook eiste men een evenwicht tussen "arbeid en kapitaal als integrerend deel van een onderneming, waarbij beide deelhebben aan de besluitvorming en de winst". De ETA geloofde in een harmonische natie.

Deze nationalistische denkwijze ging erg ver. De ETA wilde in een nieuwe staat een garantie voor de mensenrechten "zolang die niet ingezet worden tegen de soevereiniteit van Euskadi of voor de oprichting van een dictatoriaal regime (zij het fascistisch of communistisch)."

In tegenstelling tot het traditionele nationalisme van de PNV, die zich beperkte tot de poging internationale druk uit te oefenen op Franco, nam de ETA een voorbeeld aan de succesvolle onafhankelijkheidsstrijd van de FLN in 1962 in Algerije, de Cubaanse revolutie van 1959 en de guerrillastrijd in Vietnam. Belangrijk daarbij vond men echter vooral de militante verzetsvormen en niet de programma's, zoals de ETA in 1965 verklaarde: "Beslissend in de Vietnamoorlog zijn niet de communisten en de boeddhistische bonzen. De beslissende factor is de confrontatie natie-natie, waardoor de werkelijke onderdrukking aan het licht komt."

Van een "nationale cultuur" naar het "Baskische arbeidersvolk"

De opening van de ETA naar het marxisme bleef beperkt tot de overname van stukken van het decor. In de jaren 60 vonden er in de ETA vergaande discussies plaats over het concept van "het arbeidersvolk", waarna de ETA in 1966 de fractie ETA-Berri uitsloot. Die fractie "bekritiseerde de meerderheidsfractie wegens hun nationalistische karakter. Een van de kernvragen in de polemiek was de positie van de migranten. ETA-Berri beschouwde hen als onderdeel van het Baskische volk", schreef Peio Aierbe terugblikkend in 1990. Vanuit de linkse afsplitsing ETA-Berri werd later de organisatie Zutik opgericht.

Vanaf 1968, in de nasleep van de illegale algemene staking, veranderde ETA van mening over wie er bij het Baskische volk hoort. De stakingen werden georganiseerd door de Comisiones Obreras (CC.OO), in de jaren 60 door communistische organisaties opgebouwde arbeiderscommissies. Deze illegale basisvakbond was de belangrijkste organisatie in het anti-Franco verzet en men verklaarde zich solidair met de ETA tegen de repressie van de Spaanse staat.

Daardoor begon langzamerhand bij de ETA het idee te leven dat wie tegen de Spaanse staat strijdt, bij de Baskische gemeenschap hoort. En omdat de arbeidsmigranten uit Zuid-Spanje een belangrijke rol speelden in de CC.OO behoorden ze voortaan ook bij het Baskische volk. Voorheen werden ze gezien als pionnen van het Franco-regime die de Baskische cultuur bedreigden. In de gepolariseerde situatie aan het einde van de Franco-dictatuur vonden veel anti-fascistische migranten uit Zuid-Spanje dat hun strijd voor sociale gelijkheid een en hetzelfde was als het militante Baskische nationalisme. In die tijd was de ETA deels socialistisch en kreeg het ook brede bijval buiten Baskenland. De organisatie bleef echter steeds gesplitst in fracties. Zo maakte bijvoorbeeld de cultuurfractie de socialisten uit voor "smerige Spanjaardvrienden" omdat ze, nadat de politie een bouwvakker had vermoord, namens de ETA geld stuurden naar zijn familie in Andalusië.

Post-fordistische vestigingsplaats

Nadat in 1973 de ETA haar meest succesvolle actie uitgevoerd had, was de dag erop niet alleen in Baskenland de champagne uitverkocht. Ze hadden Franco's minister-president Carrero Blanco de lucht in geblazen. Deze verzwakking van het leiderschap viel samen met duizenden stakingen, die zich niet meer lieten verbieden. Ook voor de gegoede burgerij had de dictatuur met zijn autoritaire fordistisch geleide economie zijn historische functie verloren, nadat het systeem tientallen jaren goed bruikbaar was geweest voor het kapitaal. Toen Franco eind 1975 stierf was het dan ook gedaan met de dictatuur.

De dictatuur ging naadloos over in democratie. De ETA stond als vanouds tegenover dezelfde vijanden bij de politie en het leger en versterkte daarom haar militante activiteiten.

In 1980 werd de Baskische regionale autonomie vastgelegd en er werden scholen en televisiezenders opgericht waarop Baskisch gesproken werd. De regionale PNV-regering ging geld steken in de nieuwe hi-tech industrie. Tegenover enorme verbeteringen voor de middenklasse stonden de steeds onzekerder arbeidsverhoudingen voor de arbeidersklasse. In 1997 werd in Bilbao op het terrein van de voormalige werf Euskalduna een Guggenheim-museum geopend. Het 300 miljoen gulden kostende museum ziet eruit als een gigantisch schip. In 1986 was er door voornamelijk niet-nationalistische radicaal-linkse werknemers met een bezetting van de werf geprotesteerd tegen de voorgenomen sluiting. De kritiek van het links-nationalistische spectrum op het museum richt zich er vandaag de dag vooral op dat er te weinig Baskische kunst tentoon wordt gesteld en te veel Kandinsky, Chagall en Miro. Men streeft liever naar een cultureel provincialisme dan zich aan te sluiten bij een sociale strijd zoals de bezetting van de werf. Daarbij staat de ombouw van het omstreden havengebied van 1986 tot een wijk met status in 1997 vooral symbool voor de herstructurering van Bilbao, waarbij de dienstensector en hi-tech-bedrijven de haven uit het midden van de stad naar de Atlantische kust verbannen.

Het traditionele Baskische nationalisme in partijvorm, de PNV, heeft weinig te bieden tegen de gevolgen van de deregulering en de afbouw van de sociale voorzieningen, behalve het hijsen van de Baskische en EU-vlaggen voor de gemeentehuizen en de bewering dat het ETA-geweld talloze potentiële investeerders weg houdt van vestigingsplaats Baskenland. De PNV kent enkel het "nationale vraagstuk". Hun strategie is het bewaken van de rust en orde om goed bruikbare omstandigheden voor het kapitaal te creëren en zo te kunnen concurreren met andere vestigingsplaatsen. De PNV-regering probeert via regionale programma's van de EU onafhankelijker te worden van de centrale staat.

Economisch gezien was Baskenland ten tijde van het fordisme met zijn traditionele zware industrie, en in het bijzonder sinds de snelle groei van de montage-industrie in de jaren 50 en 60, een van de regio's met de grootste welvaart in Spanje. De industrie van Bilbao was gebaseerd op kolenmijnbouw, staalovens en werven, en in de kleinere steden werden consumentengoederen geproduceerd. Met het einde van de fordistische massaproductie kwam de nog steeds aanhoudende structuurcrisis. Die crisis versnelde in 1975 het einde van de Franco-dictatuur en zijn autoritaire variant van de fordistische staatseconomie, toen die niet in staat bleek te reageren op de nieuwe eisen die tegenwoordig gesteld worden aan post-fordistische nationale concurrentiestaten. De staatsbedrijven uit de Franco-tijd zijn na het toetreden tot Europese markt in 1986 verdwenen of geprivatiseerd. De autofabrieken van SEAT zijn eigendom geworden van Volkswagen.

Omdat de agro-industrie en de industriële grootvisserij in het voordeel zijn in de EU, betekende de toetreding tot de EU een verslechtering voor de in het bergachtige Baskenland wonende kleine boeren en de vissers die op kleine kotters vanuit de kustplaatsen opereren. Er zijn nauwelijks alternatieven voor de kleine veeteelt, de visserij en visverwerking en een beetje toerisme, en daardoor verarmen steeds grotere delen van de landelijke bevolking van Baskenland.

Het officiële werkloosheidscijfer voor heel Spanje bedraagt 18,9 procent. En wanneer men een baan heeft, dan gaat het steeds vaker om tijdelijke contracten. Bij Volkswagen in Pamplona heeft 98 procent van de werknemers een tijdelijke aanstelling. Ook de traditionele kernen van hoger opgeleide arbeiders verliezen hun vaste arbeidsverhoudingen. Door deze ontwikkelingen verliezen zowel radicaal-links als de links-nationalistische Baskische vakbond LAB aan handelingsmogelijkheden.

Daar komt nog bij dat de sociale conflicten bij zowel militante als traditionele nationalisten ondersneeuwen en dat de kapitalistische herstructurering bezien wordt in het kader van de nationalistische polarisering. Of, zoals de vakbond LAB het eind 1997 uitdrukte in hun uitgangspuntendocument "De zelfbeschikking van de volkeren als alternatief voor de door het neo-liberalisme opgedrongen globalisering": "De tegenwoordige realiteit van het Baskische volk en land hangt af van beslissingen van de Spaanse en Franse staat. Dat zorgt ervoor dat we het probleem van de territorialiteit prioriteit en een dwingend karakter zullen moeten geven."

Deregulering en privatisering worden in Baskenland vaak als aanval van de Spaanse staat op de Baskische natie gezien, niet als ombouw van het kapitalisme. De ETA, de LAB en Herri Batasuna zien zichzelf als anti-koloniale strijders voor nationale onafhankelijkheid. Het kolonialisme wordt daarbij volledig los gedacht van het kapitalisme. De rijkste families van Baskenland bezitten een flink deel van de Spaanse banken en bedrijven. Het inkomen per hoofd van de Baskische bevolking is het op een na hoogste van alle Spaanse regio's. Baskenland kent in tegenstelling tot de armere regio's van Spanje een zeer uitgesproken klassentegenstelling. Desondanks speelt de sociale strijd in de MLNV en zelfs in de LAB maar een ondergeschikte rol. Het uitgangspunt van de LAB is de strijd voor "elementaire rechten van de volkeren en arbeiders". Hun doel is een "Baskische sociaal-economische ruimte", "een uit de volkeren groeiende ontwikkeling als alternatief voor een naar buiten gerichte economie". Zo wordt ook in de links-nationalistische beweging het waarnemen en centraal stellen van klassentegenstellingen versluiert ten gunste van het idee van een homogene natie en een Baskisch volk.

Ook het zich socialistisch noemende nationalisme in partijvorm heeft het steeds minder over "het sociale vraagstuk". Weliswaar bekritiseert Herri Batasuna de EU als een samenwerkingsverband om de belangen van het kapitaal door te drukken en steunt de partij het sociale protest. Maar toch maakt men deze politiek ondergeschikt aan het doel van de nationale onafhankelijkheid. Bij de aan het begin genoemde criminaliseringscampagne van de Spaanse centrale regering vluchtte Herri Batasuna op 3 september naar voren. Om het dreigende verbod voor te zijn, nam men het initiatief tot de open lijst Euskal Herritarrok voor de regionale verkiezingen op 25 oktober. Kandidaat op de lijst stonden, naast enige bekende sporters, zowel de LAB-voorzitter als ook functionarissen van de traditioneel-nationalistische vakbond ELA. Op de eerste plaatsen op de lijst stonden ook leden van Zutik. Zutik beargumenteerde de deelname van enige van haar leden als noodzakelijke solidariteit tegen de criminalisering van Herri Batasuna door het Spaans-nationalistische front van de PP-regering en de PSOE-sociaal-democraten.

Naar links werkt Herri Batasuna samen met medewerkers van Zutik, die de gewapende strijd van ETA bekritiseren als een afleiding en blokkade van de sociale strijd. Naar rechts onderhandelt men met de conservatieve PNV over een "nationale overeenkomst". De PNV staat daar in principe wel open voor, maar eist tegelijk dat Herri Batasuna zich distantieert van de ETA-politiek. De strategie van het openen van de kieslijst zal het verbieden van Herri Batasuna zeker bemoeilijken. Het zal de links-nationalistische beweging echter niet vertragen in het proces van het vervangen van linkse posities door nationaal-Baskische bondgenootschappen.

Terug