De materie, de macht

De planeet spreekt. Niet in woorden, maar in materie: in de olie die onder onze voeten sijpelt, in de stormen die kusten uithollen, in de atmosfeer die reageert op onze activiteiten. Moderniteit is niet neutraal. Fossiele brandstoffen zijn geen hulpmiddelen die de mens naar believen inzet. Ze zijn dwingende krachten, materiële entiteiten die onze wereld hebben gevormd. Onze steden, onze economie, onze politiek. Hun eigenschappen – concentratie, transporteerbaarheid, infrastructuur – creëren een wereld waarin macht geconcentreerd vorm krijgt.
Het is niet begonnen met de olievelden van Venezuela of de pijpleidingen in het Midden-Oosten, maar in Engeland, in de negentiende eeuw. Daar vervingen kolengestookte stoommachines de watermolens. Niet omdat stoom efficiënter is, maar omdat waterkracht de arbeidersmacht faciliteert. Rivieren zijn openbaar, rivieren volgen het landschap, rivieren gehoorzamen niet aan de fabrieksdirecteur. Kolen daarentegen kun je verplaatsen, controleren, inzetten waar veel arbeiders elkaar beconcurreren. Waar je zo nodig maffers kan rekruteren. Zo wordt energie niet alleen een motor van productie, maar ook een instrument van hiërarchie, een mechanisme waarmee macht wordt gecentraliseerd.
Diezelfde logica herhaalt zich eeuwen later op wereldwijd niveau. Olie creëert staten, versterkt autocratie, dwingt democratieën tot afhankelijkheid. Kijk naar de ontvoering van Nicolas Maduro: een president die de olierijkdom gebruikte voor onderdrukking. En Donald Trump begon openlijk over olie. Niet over democratie, niet over mensenrechten, maar over de waarde van de grondstof zelf. Eerst steunde hij de aanval op Irak, later verweet hij zijn voorgangers dat ze de olie niet hadden “ingenomen”. De macht over een land staat gelijk aan macht over de brandstof. Materie dicteert de politiek; olie maakt leiders groot of klein.
Europa leeft al sinds de industriële revolutie in de schaduw van deze logica. Europa is een continent van importeurs, kwetsbaar voor elke geopolitieke schok. Russische gasleveranties, Saoedische oliecrisis, conflicten in Libië en het Midden-Oosten laten zien hoe fossiele energie staten afhankelijk maakt, ongeacht hun culturele of intellectuele macht. Tegelijkertijd probeert Europa zich los te maken: duurzame energie is de uitweg, de kans op autonomie. Zon en wind zijn overal aanwezig, diffuus, niet monopoliseerbaar, niet met geweld te veroveren. Juist daarom stuit de transitie op weerstand. Kapitalisten en politici die fossiel handhaven, verzetten zich niet alleen uit economisch belang, maar vooral vanwege de macht die olie en gas hen geven. Kernenergie past in dat plaatje: grootschalig, gecentraliseerd, gebaseerd op brandstof. Hernieuwbaar is decentraliserend, democratiserend. Daarom zijn de gevestigde machthebbers er bang voor.
Materie heeft agency (handelingsbekwaamheid), een concept dat doet denken aan het gevoel dat je krijgt als een storm over een stad raast: de atmosfeer luistert niet naar politieke afspraken, maar reageert wel op klimaatverandering. Op eenzelfde manier handelt olie: wie controleert de bronnen, wie de raffinaderijen, wie de pijpleidingen? Macht wordt niet uitgevonden, macht ontstaat uit de eigenschappen van de brandstof zelf. Het is een terugkerend thema: centralisatie leidt tot machtspolitiek, decentralisatie tot autonomie en vrijheid.
Het Amerikaanse beleid illustreert dit perfect. Irak, Venezuela, Saoedi-Arabië: bij allemaal zijn olievelden cruciale knooppunten in het netwerk dat politiek en economie vormgeeft. Trump zei dit expliciet: aanvallen en interventies worden gemotiveerd door de controle over brandstof, niet door abstracte idealen. Hetzelfde patroon zien we bij Petro-regimes: Poetin, Maduro, autoritaire leiders in het Midden-Oosten. Hun stabiliteit, hun persoonlijk gezag, is gefundeerd op de materiële concentratie van energie. Macht en brandstof vormen één geheel.
Tegelijkertijd toont de opkomst van duurzame energie het tegengestelde effect. Diffuus, decentraal, geschikt voor coöperaties, huishoudens en lokale netwerken. Wind en zon ondermijnen de logica van de macht. Ze maken de staat en grote bedrijven minder dominant. Wie de toekomst van energie vormt, beheerst de toekomst van de macht. Niet via wetten of verdragen, maar via zonnepanelen, batterijen, netwerken. Materie vormt politieke werkelijkheid, net zoals ooit de stoommachines Engelse fabrieksdirecteuren creëerden.
Dit brengt Europa, de Verenigde Staten en China in een paradoxale positie. Europa kan onafhankelijker worden door duurzame energie, maar de politici worstelen met hun eigen positie en gevestigde belangen. De VS worstelen met het verlies van absolute controle over de wereldwijde olie-infrastructuur en trachten hun hegemonie te behouden via geopolitieke druk en militair geweld. China bouwt massaal duurzame infrastructuur, maar centraliseert tegelijk de productie en distributie: het wil de decentraliserende kracht van duurzaam gebruiken voor een nieuwe vorm van hegemonie. De materiële logica van energie dicteert strategie, ongeacht politieke ideologie.
Het is hier dat de materiële wereld terugpraat. Klimaat, stormen, droogten: we hebben het niet zo bedoeld, maar moeder aarde doet het gewoon. Fossiele infrastructuur heeft historisch macht geconcentreerd, maar zijn fysieke consequenties bedreigen nu diezelfde macht. Autoritaire regimes die ooit floreerden dankzij olie staan onder druk door hitte, droogte en een stijgende zeespiegel. Democratieën worstelen met hun afhankelijkheid en de noodzaak om infrastructuur fundamenteel te herzien. De planeet schrijft de agenda.
Hier wordt duidelijk waarom politieke strijd over energie niet gaat over abstracte waarden, of over de kosten van elektriciteit. Het gaat over wie de wereld vormgeeft, wie macht concentreert, wie kan decentraliseren. Fossiele subsidies zijn geen economische vergissing, maar een instrument om de macht te fixeren. Kapitalisten en politici die kernenergie promoten en duurzame projecten vertragen, beschermen niet alleen investeringen, maar ook het hele materiële machtsmodel dat hen groot heeft gemaakt.
Maar de technologie is er: duurzame energie spreidt macht, schept ruimte voor coöperaties, decentrale netwerken, kleinschalige projecten. De energietransitie kan leiden tot een gelijkere verdeling van politieke invloed, een democratischer systeem dat minder afhankelijk is van kapitalisten, pijpleidingen en strategische flessenhalzen. Materiële eigenschappen bepalen de logica van macht: concentratie = hegemonie; diffusie = vrijheid.
Je gaat het pas zien als je het doorhebt. Negentiende-eeuwse stoommachines, twintigste-eeuws oliekapitaal, eenentwintigste-eeuwse oorlog: telkens lijkt het of macht een menselijke constructie is, terwijl materie zelf het decor én de speler is. De toekomst wordt geschreven door die combinatie van menselijke ambitie en fysieke realiteit, door infrastructuur en energie, door het onvermijdelijke gesprek met de aardbol.
Als we het goed bekijken, zien we dat de strijd om de energie geen technologische kwestie is, maar een machtsstrijd op planetaire schaal. Fossiele hegemonie wankelt, duurzame diffusie verspreidt zich, geopolitiek verschuift. De ontvoering van Maduro, de invasie van Irak, de Amerikaanse obsessie met oliebronnen: alles is onderdeel van hetzelfde verhaal. Materie bepaalt vorm en richting; mensen spelen binnen die randvoorwaarden. De planeet praat terug.
En in de boodschap van de planeet ligt de kans op verandering, verbetering. Het is geen ideologie, het is geen voorschrift, het is de materiële realiteit. Onontkoombaar. Wie de energie beheerst, beheerst de toekomst, niet zozeer van staten, maar van de samenleving, van steden, van hele continenten. De vraag is niet of de wereld verandert. De vraag is wie de materiële logica van die verandering beheerst.
Het gif dat we ontketenden in de vorm van olie en kolen, in pijpleidingen en raffinaderijen, praat terug. Wie niet horen wil, moet maar voelen. Maar wie het wil horen, kan beginnen om een wereld te bouwen waarin het complex van macht en energie niet langer gecentraliseerd is in handen van een paar machthebbers, maar verspreid over velen. Misschien wel de hele wereldbevolking.
Arjen van de Merwe
