De mens, de auto, Herrschaft und Knechtschaft*

Hij zit alleen. Handen aan het stuur, blik vooruit, thermostaat op 21 graden. Buiten waait de wind, maar binnen heerst constant klimaat. De automobilist denkt aan vrijheid.
Vrijheid om te gaan en staan waar hij wil. Vrijheid om niet nat te regenen, niet te wachten, niet afhankelijk te zijn. Een eigen capsule, voortbewogen door honderden paardenkrachten die zich gehoorzaam onder zijn rechtervoet scharen. De weg ligt open. Of beter: is voor hem geopend. Die weg lag er niet vanzelf.
Voor elke meter asfalt werd grond onteigend, bodem verdicht, water verlegd. Steden werden opengebroken om doorstroming mogelijk te maken. Woonwijken werden gepland rond parkeerplaatsen, niet rond pleinen. Het landschap werd versneden met viaducten, klaverbladen en geluidsschermen. Ooit was er een veld, nu is er een afrit. Ooit hoorden we de wind waaien door de bomen. Nu horen we de pk’s optrekken.
“De auto” is – zo gezien – geen voorwerp, maar een ordeningsprincipe. Zij dicteert afstanden. Zij bepaalt wat dichtbij is en wat ver. Zij maakt suburbia mogelijk en tegelijk noodzakelijk. Wie ver woont, moet rijden. Wie rijdt, bevestigt het systeem dat ver wonen logisch maakt. Een kringloop van oorzaak en gevolg bijt in haar eigen staart.
De automobilist ervaart autonomie, maar beweegt in een infrastructuur die zijn mogelijkheden al heeft bepaald. Probeer eens zonder auto te leven in een verkavelde randgemeente. De vrijheid is de vrijheid om te kiezen tussen files.
Ondertussen verandert de openbare ruimte. De straat is geen verblijfsruimte meer, maar verkeersruimte. Kinderen leren niet spelen, maar EERST UITKIJKEN. De vanzelfsprekende houding in de stad is waakzaamheid. Het lichaam staat permanent in paraatheid: luisteren naar naderend rubber, kijken over de schouder. Dat noemen we normaal.
Binnen in het blikken hokje verdwijnen andere mensen achter glas en staal. Ze worden voertuigen, geen personen. Hun intenties lezen we niet af aan mimiek, maar aan richtingaanwijzers. De sociale verhouding is gereduceerd tot een technisch protocol. Claxon is communicatie. Remlicht is waarschuwing. De ander verschijnt als obstakel of vertraging.
En toch is de automobilist niet de baas. Hij is afhankelijk van brandstofprijzen, van leasecontracten, van software-updates. Hij beheerst het gaspedaal, maar niet de keten die het mogelijk maakt dat er überhaupt een gaspedaal is. Mijnbouw, raffinage, logistiek, krediet – een wereldwijde choreografie die zich onttrekt aan zijn blik. Zijn vrijheid rust op een netwerk dat hij niet overziet.
De natuur verschijnt intussen als decor. Achter het raam glijdt zij voorbij in hoge resolutie. Regen is een ruitenwisserstand. Hitte is een airco-instelling. Het lichaam wordt ontkoppeld van temperatuur, geur en wind. De seizoenen worden abstract. De mens reist door het klimaat zonder er in te verblijven.
Dat alles heeft een prijs, maar die staat niet op de factuur. Fijnstof in longen die niet achter glas zitten. Geluid dat niet wordt weggefilterd. Ruimte die niet meer kan worden gebruikt om te wonen, te spelen of te groeien en bloeien. De kosten worden gespreid, de winsten geconcentreerd. De belofte van individuele vrijheid maskeert de collectieve afhankelijkheid.
Het merkwaardige is dat deze orde wordt gepresenteerd als natuurlijk. Alsof steden altijd al rond snelwegen waren georganiseerd. Alsof het vanzelf spreekt dat mobiliteit gemotoriseerd is. Alsof het onvermijdelijk is dat we voorzichtig moeten zijn in onze eigen straat.
Maar wat als vrijheid niet betekent: sneller dan de ander? Wat als zij betekent: niet gedwongen worden je leven rond één dominante techniek te organiseren? Wat als publieke ruimte weer ruimte wordt – niet voor doorstroming, maar voor aanwezigheid?
De automobilist is deelnemer aan een systeem dat hem tegelijk bevoordeelt en bindt. Zijn autonomie is voorwaardelijk. Zijn comfort tastbaar, maar afhankelijk van een wereldwijde machine die lucht, bodem en ruimte onderwerpt.
Misschien begint bevrijding niet met het demoniseren van de bestuurder, maar met het omdenken van de vanzelfsprekendheid. Met de vraag wie onze steden ontwerpt, voor wie de ruimte wordt vrijgemaakt en welke vorm van leven de norm is.
Vrijheid heeft een fundament. Moet dat van asfalt zijn?
Arjen van de Merwe
Noot

