De protesten in Iran vormen een keerpunt voor het land

De recente golf van protesten in Iran vormt een van de belangrijkste ontwikkelingen in de geschiedenis van de Islamitische Republiek. Hoewel de Iraanse autoriteiten het internet hebben platgelegd om de informatiestroom in te dammen, zijn er duidelijke aanwijzingen dat de staatsveiligheidstroepen enkele duizenden mensen hebben gedood, veel meer dan het aantal slachtoffers tijdens eerdere opstanden in 2009 of 2022-2023. Voorlopig heeft Donald Trump afgezien van het plan om een nieuwe Amerikaanse aanval op Iran te bevelen in de hoop om de val van het regime te bespoedigen, maar dat kan de komende weken en maanden nog veranderen. Om het belang van de laatste ontwikkelingen in de binnenlandse politiek van Iran en zijn betrekkingen met de Verenigde Staten te begrijpen, moeten we ze bekijken tegen de achtergrond van een langdurig historisch proces dat teruggaat tot de revolutie van 1979.
De ambassadecrisis
Bijna een halve eeuw geleden, op 4 november 1979, bezetten studenten die aanhangers waren van de Iraanse revolutionaire leider Ayatollah Ruhollah Khomeini de Amerikaanse ambassade in Teheran en gijzelden ze het personeel. Ze lieten hen 444 dagen later vrij toen Ronald Reagan werd ingezworen als president van de Verenigde Staten. Khomeini was enkele maanden eerder aan de macht gekomen als de onbetwiste leider van een volksopstand die Mohammad Reza Pahlavi, de sjah of koning van Iran, ten val bracht. Deze was in 1953 via een door de CIA op touw gezette militaire staatsgreep op de troon gezet.
Tegen het begin van de winter van 1979 had Washington echter zijn beleid van onvoorwaardelijke steun aan de sjah opgegeven. President Jimmy Carter gaf zijn ambassadeur in Teheran opdracht om de sjah te vertellen dat het tijd was om troonsafstand te doen en het land te verlaten. Binnen enkele weken na het vertrek van de sjah viel de monarchie uiteen, terwijl Amerikaanse gezanten in het geheim met Khomeini en zijn naaste bondgenoten in Parijs en Teheran onderhandelden over een ordelijke machtsoverdracht.
In de maanden tussen de officiële uitroeping van de Islamitische Republiek in maart 1979 en de daaropvolgende bezetting van de ambassade waren de betrekkingen tussen Washington en de prille Islamitische Republiek gespannen maar hartelijk. Onder toezicht van Khomeini bleven het hoofd van de voorlopige regering, Mehdi Bazargan, en zijn medewerkers in het geheim Amerikaanse diplomaten in Teheran ontmoeten.
Ze bespraken hoe ze de betrekkingen konden herstellen, de aankoop van wapens weer op gang konden brengen en het geld dat de sjah bij Amerikaanse banken had ondergebracht – tussen de tien en twaalf miljard dollar – terug konden krijgen. Ze wisselden ook geheime informatie uit over de Sovjet-Unie en andere buurlanden van Iran, waarbij de CIA hen zelfs informeerde over Iraakse troepenbewegingen aan de grens van hun land.
Ondertussen won een bonte coalitie van islamitische, linkse en marxistische organisaties aan politieke invloed door de openlijke en geheime contacten van de voorlopige regering met de Verenigde Staten luidkeels aan te vallen als verraad aan het anti-imperialistische karakter van de revolutie. Dit was in het kort de achtergrond van de bezetting van de ambassade in Teheran, die het verloop en de aard van de Iraanse revolutie zou veranderen door zich dwars tegenover het oppermachtige Amerika op te stellen.
De gijzelingscrisis in Iran had tot gevolg dat de Amerikanen Jimmy Carter niet herkozen. Wel had hij Iran onmiddellijk uitgebreide handelssancties opgelegd en had hij opdracht gegeven tot een militaire operatie om de gijzelaars te bevrijden, maar die mislukte. Hoewel de VS de sjah niet uitleverden en de bevroren tegoeden niet teruggaf aan Iran, bereikte Khomeini met zijn vijandige opstelling zijn doel om zijn islamitische dictatuur te verstevigen door in te spelen op de anti-imperialistische demonstraties van de bevolking in wat hij de “Tweede Revolutie” noemde. Op deze manier wist hij links buiten spel te zetten.
Oorlog met Irak
Op de lange termijn zou Khomeini’s confrontatie met de VS, door marxistisch wetenschapper Fred Halliday omschreven als het “anti-imperialisme van dwazen”, echter rampzalige gevolgen hebben voor Iran. Het leverde het land de diepe vijandschap van de Amerikaanse regering en bevolking op, terwijl het de Iraakse dictator Saddam Hoessein de kans gaf om de internationaal geïsoleerde Islamitische Republiek binnen te vallen.
De oorlog tussen Iran en Irak duurde acht jaar, van 1980 tot 1988, maakte meer dan een miljoen slachtoffers, en kostte meer dan duizend miljard dollar. Toen Iran in 1982 het verloren gebied heroverde en in de aanval ging, verhoogde de Verenigde Staten haar steun aan Irak. Tegelijkertijd bewapende Washington echter in het geheim Teheran, in strijd met de Amerikaanse wetgeving – een clandestien project dat president Reagan in grote problemen bracht.
De Verenigde Staten voerden een schaamteloos ongevoelig beleid om het militaire evenwicht tussen de twee tegenstanders te handhaven en de oorlog te verlengen om zowel Iran als Irak uit te putten. Zoals een CIA-agent het botweg verwoordde: “We wilden gewoon dat ze elkaar de hersens insloegen.” Ook Israël greep in volgens hetzelfde draaiboek, door aanvankelijk Iran te bewapenen toen Irak de overhand had en zich later aan te sluiten bij het Amerikaanse beleid om de offensieven van Iran militair in te dammen.
In 1988 waren de VS zozeer betrokken geraakt bij de oorlog tussen Irak en Iran dat zij namens Irak Iran gingen aanvallen. Zij stuurden de grootste Amerikaanse vloot sinds de Vietnamoorlog naar de Perzische Golf, waar toenemende schermutselingen met de Iraanse marine duidden op de bereidheid van Washington tot een totale oorlog. Toen Khomeini in 1988 uiteindelijk een staakt-het-vuren accepteerde, regeerde hij over een gehavend en verarmd land. Maar de bestuursstructuur en officiële ideologie zijn tot op de dag van vandaag grotendeels intact gebleven.
De heftige en langdurige confrontatie met de Verenigde Staten ging het karakter van Iran bepalen en veranderde het land in een bolwerk waarvan de belangrijkste pijlers de inlichtingendiensten en het leger waren. Deze gingen de binnenlandse oppositie op brute wijze onderdrukken vanwege zogenaamde samenzweringen in Washington en Tel Aviv. De meedogenloze geheime en openlijke oorlog van de VS en Israël tegen Iran hielpen het overdreven achterdochtige gedrag van het regime te rechtvaardigen. Afwijkende meningen waren in hun ogen verraad aan de Islamitische Republiek en eisten een verschrikkelijke tol van de Iraanse samenleving, waarbij tijdens de eerste tien jaar van de revolutie duizenden mensen omkwamen bij straatgevechten of door doodvonnissen, en tienduizenden wegkwijnden en gemarteld werden in gevangenissen.
Oorlogs-welvaartsstaat
Toch regeerde het regime niet alleen met onderdrukking. Tien jaren van revolutie en oorlog in de jaren tachtig maakte een sociaal en economisch beleid noodzakelijk dat de Islamitische Republiek zou omvormen tot een “oorlogs-welvaartsstaat”. Er waren duidelijke verbeteringen op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, elektrificatie en transport, vooral op het platteland.
Tegen het einde van de oorlog controleerden de onderdrukkende, militaire onderdelen van het regime een groter gedeelte van de economie dan de rest van de overheid en het bedrijfsleven samen. In feite overheersten enkele door de overheid opgerichte groepen de Iraanse economie, in de eerste plaats de Islamitische Revolutionaire Garde en daarnaast ook een paar machtige stichtingen die opereerden onder toezicht van ayatollah Ali Khamenei. Hij is de opvolger van Khomeini, die in 1989 overleed, en is tot nu toe de hoogste religieuze leider van het land.
De Garde en de stichtingen, die honderden bedrijven, banken, investeringsmaatschappijen en welzijnsinstellingen bezitten of controleren, hebben zich aangepast aan tientallen jaren van zware economische sancties van de VS. Geleidelijk aan hebben zij hun toch al ondoorzichtige activiteiten uitgebreid tot het beheren van een schaduweconomie die bedreven is in clandestiene financiële transacties van miljarden dollars, het opzetten van nepbedrijven in het buitenland, het rommelen met valuta, het witwassen van geld en het onderhands verkopen van olie.
De Amerikaanse sancties, die bedoeld waren om de Islamitische Republiek te verzwakken, hebben zo bijgedragen aan het ontstaan van een machtige Iraanse “deep state”, waarvan de belangrijkste medewerkers en aandeelhouders, de zogenaamde “sanctiehandelaren”, enorme winsten behalen door de sancties te omzeilen. Tegelijkertijd heeft de heersende kliek van Iran stevige banden gesmeed met het leger, dat zich steeds verder ontwikkelt als reactie op militaire dreigingen en daadwerkelijke aanvallen van de VS en Israël.
In de eerste tien jaar na de dood van Khomeini werd de relatie met de Verenigde Staten wat meer ontspannen, waarbij de regering-Clinton de handelssancties enigszins versoepelde zonder ze ooit helemaal op te heffen. Na de aanslagen van 11 september 2001 kwam de Islamitische Republiek stilletjes dichter bij de VS te staan en hielp zij mee aan de militaire invasie van Afghanistan. Teheran verwelkomde ook de afzetting van Saddam Hoessein door president George W. Bush in 2003 en werkte mee aan de Amerikaanse bezetting van Irak, waar het een belangrijke positie verwierf als weldoener van de sjiitische meerderheid van de bevolking.
Om Iran verdacht te maken begon Israël een uitgebreide en succesvolle campagne om dat land bovenaan de lijst van vijanden van de VS, de zogenaamde “As van het Kwaad”, te krijgen omdat het vermoedelijk kernwapens aan het ontwikkelen was en terroristen ondersteunde. Terwijl Israël en zijn bondgenoten in de Amerikaanse regering de militaire dreiging van Iran sterk overdreven, bouwde de Islamitische Republiek verder aan haar kernenergieprogramma tot het punt waarop het inderdaad in staat was een kernbom te maken.
Het ontwikkelde geleidelijk aan ook een serie raketten waarmee het niet alleen Israël, maar ook Europa kon bereiken, en sloot militaire bondgenootschappen met het regime van Bashar al-Assad in Syrië en Hezbollah in Libanon. Hoewel Teheran deze stappen rechtvaardigde als noodzakelijke afschrikking tegen de dreiging van een militaire invasie door de VS en Israël, gaven ze enige geloofwaardigheid aan het beeld dat Tel Aviv van de Islamitische Republiek schetste als een agressief regime met mogelijk kernwapens.
Van Obama tot Trump
De politieke en economische druk van de VS op Iran nam in de eerste tien jaar van de nieuwe eeuw toe en bereikte een nieuw hoogtepunt tijdens de eerste ambtstermijn van Barack Obama. Toen Obama in 2009 aantrad, sloot hij in het geheim een akkoord met Khamenei om de bezorgdheid over het kernwapenprogramma van Iran via onderhandelingen weg te nemen. Voordat de officiële besprekingen startten, kreeg Iran te maken met de grootste massaprotesten sinds de eerste jaren van de revolutie.
Dit was de “Groene Beweging” van de zomer van 2009, toen miljoenen mensen de straat op gingen om fraude bij de presidentsverkiezingen aan de kaak te stellen. Het regime sloeg de protesten met geweld neer, waarbij het tientallen mensen doodde en honderden verwondde, en maakte zo een einde aan een volksbeweging die vreedzame, democratische veranderingen binnen de grenzen van de Islamitische Republiek eiste. Achteraf gezien lijkt de belangrijkste les van de “Groene Beweging” te zijn geweest dat werkelijke hervormingen in de Islamitische Republiek onmogelijk waren. Vanaf dat moment zouden massale protesten spontaan, zonder leiders plaatsvinden, waarbij demonstranten woedend oproepen tot de omverwerping van het regime.
Tijdens zijn tweede ambtstermijn hervatte Obama de onderhandelingen met Teheran en bereikte hij in juli 2015 een doorbraak met een akkoord. Volgens deze “Obama-deal” zou Iran de verrijking van uranium strikt beperken tot wat nodig was om elektriciteit op te wekken en het zou volledige inspectie toestaan van de bedrijven die uranium verrijkten. In ruil daarvoor kwamen de Verenigde Staten, China, Rusland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland overeen om de sancties stapsgewijs terug te draaien, wat zij op elk moment ongedaan zouden maken, zodra de Islamitische Republiek haar verplichtingen niet nakwam.
Door de sterke stijging van de olie-inkomsten had de versoepeling van de sancties onmiddellijk tastbare gevolgen voor de Iraanse economie, die in 2016 en 2017 gemiddeld met tien procent groeide. De tijdelijke economische groei kon de langdurige achteruitgang van de levensstandaard van de bevolking echter niet goed maken. Tussen 2011 en 2019 vervielen bijna tien miljoen mensen, ongeveer vijftien procent van de bevolking, tot armoede.
Eind 2017 mondde de opgekropte woede van de bevolking uit in gewelddadige rellen. In december 2017 en januari 2018 braken gedurende tien dagen in meer dan honderd steden woeste demonstraties uit, waarbij menigten anti-regime slogans riepen en vervolgens banken, politiebureaus en andere overheidsgebouwen en seminaries aanvielen.
Vermoedelijk zijn tussen de vijfentwintig en vijftig mensen omgekomen en zijn er honderden gewond geraakt, voordat de overheid de protesten wist neer te slaan. De menigten bestonden voornamelijk uit armen en mensen uit de lagere middenklasse. In tegenstelling tot de hervormingsgezinde eisen van de Groene Beweging in 2009, riepen zij op tot de omverwerping van de Islamitische Republiek.
Donald Trump trok zich onder sterke druk van Israël, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten in mei 2018 terug uit het nucleaire akkoord van Obama. Hoewel Iran zich volledig aan de bepalingen ervan gehouden had, beweerde Trump dat hij Teheran tot een “beter akkoord” kon dwingen, iets dat niet gebeurde.
Onder de enorme sancties van Trump kromp de Iraanse economie met meer dan tien procent, terwijl het aantal armen van vijftien tot vijfentwintig procent van de bevolking toenam. De voedselprijzen stegen met tweehonderd procent en de kosten voor gezondheidszorg met 125 procent. Alle beschikbare gegevens tonen aan dat de levensstandaard van Iraniërs uit de midden- en lagere klasse in de periode 2015-2025 aanzienlijk is gedaald.
Vrouw, leven, vrijheid
Tientallen jaren van sancties van de VS en andere landen hebben zeker bijgedragen aan de verarming van gewone Iraniërs, ook al zijn ze niet de enige oorzaak. Bovendien ondermijnden ze de democratische ontwikkeling van Iran, in plaats van die te bevorderen, door de Islamitische Republiek ertoe aan te zetten om de sfeer van staat van beleg verder op te kloppen en nog hardnekkiger kritiek te onderdrukken.
Ondertussen is de onvrede onder de Iraanse bevolking steeds verder toegenomen, wat zich uitte in grote protesten die de afgelopen tien jaar om de twee à drie jaar uitbraken. In november 2019 gingen ongeveer tweehonderdduizend voornamelijk armere demonstranten in het hele land de straat op, toen de regering de energieprijzen verhoogden en subsidies aan de armen verlaagden. Ze vielen overheidsgebouwen aan en staken deze in brand. Pas toen de staatsveiligheidstroepen machinegeweren, tanks en helikopters tegen hen inzetten, wisten zij de opstand te onderdrukken, waarbij honderden slachtoffers vielen.
In september 2022 braken opnieuw massale protesten uit, die tot in de winter van 2023 voortduurden en tot meer dan vijfhonderd doden en twintigduizend arrestaties leidden. Dit was de opstand onder de naam “Vrouw, leven, vrijheid”, die naast zijn uitzonderlijke lange duur en heftig karakter ook nieuwe kenmerken vertoonde, zoals de leidende rol van jonge vrouwen, de eenheid van demonstranten uit de midden- en arbeidersklasse en het grote aantal demonstraties in provinciesteden. Hoewel de protestgolf openlijk tegen het regime gericht was, bleek het gebrek aan leiderschap, organisatie en duidelijke politieke eisen een groot nadeel te zijn.
Nadat Israël Iran de schuld had gegeven van de Hamas-aanval in oktober 2023, bombardeerde het in april 2024 de Iraanse ambassade in Damascus. Na jarenlang niet gereageerd te hebben op Israëlische cyberaanvallen en moordaanslagen op Iraanse wetenschappers en hoge militairen, beantwoordde de Islamitische Republiek de agressie dit keer met raket- en drone-aanvallen op militaire doelen in Israël. De twee landen waren nu in oorlog.
In juli 2024 deed Tel Aviv er nog een schepje bovenop en doodde, nota bene in Teheran, de politieke leider van Hamas, Ismail Haniyeh. Iran reageerde in oktober met een spervuur van raketten op Israëlische doelen, waarvan de Israëlische, Amerikaanse en Jordaanse luchtverdediging de meeste wist te onderscheppen. Later die maand sloeg Israël terug met drie aanvalsgolven op twintig plekken in Iran, waarbij het zich speciaal richtte op afweergeschut en raketfabrieken. Bij de aanval waren meer dan honderd Israëlische vliegtuigen betrokken, waarvan sommige het Iraanse luchtruim binnendrongen, en die allemaal ongedeerd terugkeerden naar hun bases.
Tegelijkertijd hadden heftige Israëlische aanvallen op Hamas in Palestina en Hezbollah in Libanon, evenals de ineenstorting van het regime van Assad in Syrië, in 2024 de “As van Verzet” gebroken, het netwerk van politiek-militaire bondgenoten dat Iran met grote kosten rond Israël had helpen opbouwen. Zodoende was de Islamitische Republiek veel kwetsbaarder geworden voor directe militaire aanvallen van Israël en de Verenigde Staten.
De Twaalfdaagse Oorlog
De machtsverhouding verschoof nog meer in het nadeel van Iran toen Trump werd herkozen en aan Khamenei een brief schreef met het voorstel om te onderhandelen, een aanbod dat Teheran accepteerde. Trump noemde een deadline van zestig dagen voor het bereiken van een nieuw nucleair akkoord. Op 13 juni 2025, één dag na Trumps deadline, lanceerde Israël een geweldige reeks cyberaanvallen en luchtbombardementen op Iran. Het trof belangrijke militaire gebouwen en een fabriek om uranium te verrijken en veroorzaakte de dood van tientallen hooggeplaatste militaire en inlichtingenleiders en wetenschappers die werkzaam waren in het nucleaire programma.
Israël bombardeerde ook burgerdoelen,waaronder de energie-infrastructuur van Iran, ziekenhuizen, woonwijken en het gebouw van de staatsomroep. Er waren bijna vijfduizend slachtoffers aan Iraanse zijde, met meer dan duizend doden, waaronder honderden burgers. De Islamitische Republiek nam wraak door honderden raketten en drones naar Israël te sturen, waarvan de meeste werden onderschept, hoewel sommige door de Israëlische en Amerikaanse verdedigingslinies heen braken en militaire doelen troffen, met honderden slachtoffers en enkele tientallen doden tot gevolg, voornamelijk onder burgers.
Op 22 juni mengden de Verenigde Staten zich rechtstreeks in de oorlog met bombardementen, waarbij zij twaalf zeer krachtige bunkerbommen van veertienduizend kilo op drie Iraanse nucleaire fabrieken afwierpen. Toen de oorlog van de VS en Israël tegen Iran na twaalf dagen eindigde met een staakt-het-vuren, riep de Islamitische Republiek de overwinning uit, hoewel het land in feite zwaar beschadigd was. Het Iraanse regime verloor daarmee heel wat sympathie onder de bevolking die zo te lijden had gehad onder de bombardementen. Meteen na de oorlog eisten talrijke publieke verklaringen en open brieven een andere aanpak van de regering. Wetenschappers, mensenrechtenactivisten, advocaten, voormalige en huidige politieke gevangenen, vakbondsleden, vrouwenorganisaties, onderdrukte etnische minderheden en dissidenten spraken zich hiervoor uit.
De oproepen kwamen op een aantal belangrijke punten overeen: de vrijlating van politieke gevangenen; de vrijheid om partijen en verenigingen op te richten; het einde van de staatscontrole over de media; de overdracht aan de regering van de enorme bedrijven die de Opperste Leider en niet-gekozen instellingen controleren en in bezit hebben; en het stoppen van het nemen van economische beslissingen door militairen, in het bijzonder de Revolutionaire Garde. Alle verklaringen veroordeelden verder de aanval van de VS en Israël op Iran en verwierpen het idee van “regimeverandering” door buitenlandse interventie of gewelddadige opstanden.
Dit had de perfecte gelegenheid kunnen zijn voor het regime om vreedzame structurele veranderingen door te voeren, nu de bevolking zo ontevreden was, de economie dreigde in te storten en machtige vijanden voor de poorten stonden. Khamenei weigerde verantwoordelijkheid te nemen voor de ernstige problemen in het land en bleef zijn afgezaagde toespraken over verzet herhalen.
Op 28 december braken er protesten en stakingen uit in de bazaar van Teheran na een plotselinge daling van de wisselkoers van de Iraanse munt, terwijl er een tekort was aan elektriciteit, water en gas. De inflatie van veertig procent verslechterde de levensstandaard van de midden- en arbeidersklasse en leidde tot langdurige stakingen van arbeiders en leraren en acties van gepensioneerden. Daarnaast kampten de grote steden met giftige luchtvervuiling.
Ongekende harde aanpak
De protesten verspreidden zich net als bij de voorafgaande opstanden snel via beelden van woedende menigten op internet, zodat al gauw honderdduizenden mensen in het hele land betrokken waren. De regering sloot daarop het internet af, zoals zij ook tijdens eerdere protesten al had gedaan. Aanvankelijk reageerde Khamenei met een mix van verzoenende taal en dreigementen, waarbij hij verklaarde dat het regime zou luisteren naar de “klachten” van de bevolking, maar geen “onrust” zou tolereren. Hij beweerde ook dat er Amerikaanse en Israëlische agenten onder de demonstranten waren, die probeerden hen tot gewelddadige confrontaties aan te zetten. De meeste spreekkoren waren onmiskenbaar tegen het regime gericht en vele riepen op tot de omverwerping ervan. Er waren ook berichten over gewelddadige aanvallen op overheidsgebouwen, moskeeën en veiligheidspersoneel, hoewel het niet duidelijk was wie de daders waren.
Ondertussen schoten regeringstroepen op de menigte, waarbij zij aanvankelijk tientallen slachtoffers maakten en uiteindelijk honderden en duizenden mensen doodden. Khamenei bevestigde het enorme aantal doden, en beweerde dat een belangrijk gedeelte daarvan bestond uit regeringspersoneel. Het gruwelijke aantal van duizenden slachtoffers onder de demonstranten is zelfs naar de wrede maatstaven van de Islamitische Republiek ongekend.
Een ander nieuw kenmerk van de recente protesten is het verschijnen van slogans ten gunste van de monarchie als alternatief voor de Islamitische Republiek. Decennialang was het monarchisme, belichaamd door Reza Pahlavi, de zoon van de afgezette koning van Iran, iets van de Iraanse diaspora, met name in de Verenigde Staten, waar het eerder een onbelangrijke dan een populaire trend was. Bovendien schaart Reza Pahlavi zich ongegeneerd aan de kant van de meest rechtse groepen in de VS en Israël, die steun krijgen van Trump en Netanyahu.
De afgelopen jaren heeft zijn boodschap weerklank gevonden in Iran dankzij Perzischtalige satelliet televisiezenders die heel waarschijnlijk gefinancierd worden door de Saoedische, Israëlische en Amerikaanse regeringen of bepaalde rijke mensen uit die landen. Reza Pahlavi verwelkomde de aanval op zijn land afgelopen zomer en is duidelijk voorstander van buitenlands militair ingrijpen om de Islamitische Republiek omver te werpen. Slogans als “Lang leve de sjah” lijken nog steeds eerder boze klappen in het gezicht van het huidige regime te zijn dan werkelijke steunbetuigingen aan de monarchie. Niettemin moeten we de recente opkomst van het monarchisme wel serieus nemen en niet afdoen als louter reactionaire illusie, vooral omdat de Amerikaanse en Israëlische regering deze ontwikkeling steunen.
Impasse
Nu Khameini en de regering de protesten opnieuw met geweld de kop hebben ingedrukt en de samenleving onrustig, ja zelfs wanhopig aan het worden is, zit het land in een impasse. Om die te doorbreken is een ingrijpende politieke verandering nodig, iets waar het regime absoluut weigert om over na te denken. De steunbetuigingen van Trump aan de demonstranten hebben geen merkbare invloed gehad op de situatie in Iran, behalve dan dat de Iraanse machthebbers de protesten nu kunnen wijten aan Amerikaanse en Israëlische inmenging.
Ondertussen hint Trump af en toe op een regimewisseling door middel van direct militair ingrijpen van de VS. Dit is een zeer gevaarlijk voorstel, waarop de Islamitische Republiek zou kunnen reageren door Amerikaanse bases in de landen rond de Perzische Golf te bombarderen, wat de wereldwijde olietoevoer zou verstoren en chaos in de regio zou oproepen. Er zijn tekenen dat zelfs Trump zich bewust is van de onvoorspelbare gevolgen van een volledige oorlog tegen Iran, aangezien hij heeft toegegeven dat elk haalbaar alternatief voor de Islamitische Republiek uit het land zelf moet komen. Dat klopt. Het is de taak voor de Iraanse bevolking en hun progressieve internationale bondgenoten om met een verstandig plan te komen om het land uit de huidige verschrikkelijke impasse te halen. Dat zal niet eenvoudig zijn.
Afshin Matin-Asgari
Het oorspronkelijke artikel “Iran’s Protests Are a Turning Point for the Islamic Republic” verscheen eind januari bij Jacobin. Vertaling en bewerking: Jan Paul Smit.
Verder lezen
