René Cuperus: de onwetende columnist als graadmeter

Geen sterk Europa zonder een sterk Duitsland en stabiel Frankrijk”, heet de column die René Cuperus gisteren in De Volkskrant schreef. Oeps! Hij heeft per ongeluk het rechtse corporatisme opnieuw uitgevonden. En hoewel we daar schande over kunnen (en gaan) spreken, is het eigenlijk wel nuttig om te zien wanneer dat soort oude ideeën per ongeluk van stal worden gehaald.

Wat zegt Cuperus? In zijn stuk waarschuwt hij allereerst voor de opkomende grootmachtpolitiek: de strijd tussen de VS, Rusland en China die de wereld dreigen in te delen in “invloedssferen” (ook wel: imperiale achtertuinen). Hij wil dat de Europese Unie zich daarop voorbereidt.

“Mee eens!”, zullen mensen snel zeggen. Zelf vind ik ook dat Europa iets moet doen tegen opkomend fascistisch-imperialisme, de logische opvolger van neo-liberaal-imperialisme. Bijvoorbeeld democratiseren en dekoloniseren. Maar Cuperus wil vooral dat Europa kan meedoen in de imperialistische strijd.

Hoe dan? Daar komt de aap uit de mouw: Cuperus stelt dat het probleem zit in de “economische concurrentiekracht”, “migratie” en “verdeeldheid tussen het establishment en extreem-rechts”. Volgens hem moet Europa die “problemen” oplossen om “sterk” te worden.

Dat doet vrezen. “Concurrentievermogen” is namelijk een veelgebruikt eufemisme. Daarmee wordt erover geklaagd dat bedrijven zich in Nederland aan regels moeten houden en dat lonen te hoog zouden zijn, en dat bedrijven te veel belasting zouden moeten betalen.

De oplossing uit het bedrijfsleven is dan altijd hetzelfde: verlaag de lonen, verlaag de “regeldruk” (dus: schaf regels af) en verlaag belastingen. Goed voor de winstmarge van bedrijven, maar funest voor mens en milieu.

Daar roept Cuperus in zijn stuk ook toe op: de Green Deal, de Europese regelgeving die natuur en milieu moet beschermen tegen de fossiele industrie, moet van tafel voor de zogenaamde “strategische industrieën” als olie en landbouw. Dus: geen stikstofregels en geen afbouw van fossiele energie.

Daarnaast wil Cuperus ook een sterke kapitaalmarkt en AI-innovatie, zodat Europa onafhankelijk wordt van de VS en China. Maar dat zal betekenen: aantrekkelijk worden voor tech-bedrijven, waarschijnlijk vooral door regelgeving rond AI af te schaffen en tech-bedrijven financieel te spekken.

Dit laat overigens ook zien wat de intersectie is tussen de nationalistische angstcultuur en big tech. We weten al langer dat AI een bubbel is met nauwelijks toekomst, maar toch willen nationalisten als Cuperus er geld naar blijven gooien.

De problemen van “migratie” en “politieke verdeeldheid” wil Cuperus in één klap oplossen door een (accuraat benaamd) “monsterverbond” tussen “bestuurlijk establishment” en “de populisten”, waarmee hij puur doelt op rechts-populisten. Dit is veelzeggend als je het naast zijn andere werk legt.

Zo waarschuwt Cuperus in 2022 nog voor zowel radicaal-links als extreem-rechts. Maar dat politieke monsterverbond ziet hij alleen maar met extreem-rechts. Blijkbaar ziet hij radicaal-links als een groter gevaar dan rechts. Hij is niet de eerste.

Eenzelfde soort “deal” dacht de Duitse centrumpoliticus Franz von Papen te kunnen maken met de nazi’s. Hij dacht de NSDAP te kunnen beheersen zodra ze in een coalitieregering zaten. Dat bleek later een gigantische fout, want hij werd snel weggezet.

En ook Mussolini kwam zo aan de macht: de (centrum-)rechtse partijen zagen “links” als een groter gevaar dan extreem-rechts, en gingen daarom met hen in zee om het socialistische gevaar tegen te houden. Iets dat ook herkenbaar is in de VVD-formatiestrategie.

Onderdeel van die (naïeve) deal met extreem-rechts is een “compromis” op migratie. Ons huidige systeem is al hardvochtig, en extreem-rechts wil mensen deporteren en de islam in Nederland verbieden. Op wat voor “compromis” kom je dan precies uit?

In zijn conclusie vat Cuperus het zo samen: een dynamische, geglobaliseerde middenklassesamenleving met “high trust” en lage criminaliteit (waar komt criminaliteit opeens vandaan?), en zonder onderklasse. Met andere woorden: een imperiale grootmacht waarin het mondiale zuiden voor “ons” werkt.

Wat Cuperus hier omschrijft, is een samenleving waarin politieke meningsverschillen op de tweede plaats moeten komen. Het “lichaam” van de staat, de corpus, krijgt voorrang en moet sterker gemaakt worden. Daar moet de economische ordening voor zorgen, door een geven en nemen van kapitaal en arbeid.

Dat is corporatisme, zoals uitgewerkt in het Mussolini-fascisme. Het idee dat individuele belangen moeten wijken voor het belang van een sterke staat, en dat kapitalisten en arbeiders met elkaar tot een compromis moeten komen die dat doel steunt.

Dat is al zorgwekkend als het in de praktijk zo zou werken, maar zelfs dat deed het niet. Corporatisme betekende in de praktijk dat arbeiders zich moesten schikken naar de wensen van hun bazen. Want conflict moest voorkomen worden. Onderbetaling was geen conflict, maar staken was dat wel.

Dus, René Cuperus staat een oud, fascistisch economisch stelsel voor. Waarom is dat van belang? Het is van belang omdat het een graadmeter is voor de gezondheid van de samenleving. Als meerdere denkers en stukjesschrijvers allemaal het fascisme en corporatisme heruitvinden, is dat reden tot zorg.

Zeker vandaag de dag, waar ‘anti-fascistisch’ nationalisme steeds populairder wordt. Bewapening en versteviging van de staat wordt steeds vaker gelijkgesteld aan “vrijheid” en “veiligheid”, en dat soort nationalisme is zorgwekkend.

Het risico bestaat dat Europa onder luid gejuich van het politieke ‘midden’ wordt omgetoverd tot een militaristische, imperialistische macht, met als economie een giftige mix tussen neo-liberalisme en fascistisch corporatisme. Allemaal verkocht als “verzet” tegen Trump.

Ook hier gebruikt Cuperus enorme angstbeelden als rechtvaardiging voor waarom we maar moeten buigen voor staat en kapitaal, allemaal in dienst van de “kracht” van Europa. De kracht om wat te doen, precies? Neo-koloniaal beleid voeren zeker?

Daarom is die graadmeter belangrijk. Het is goed om kritisch te kijken naar wat voor ideeën als “nieuw” worden gepropageerd, en of ze eigenlijk wel nieuw zijn. Dat zegt niet alleen wat over de schrijver, maar ook over het maatschappelijke water waarin we zwemmen.

Bo Salomons

(Dit artikel verscheen eerder als draadje op Bluesky.)