Big Tech zal als winnaar uit de AI-crash komen

Actiebord op de klimaatdemonstratie van 12 september in Amsterdam.

De zeepbel zal uiteenspatten – en de hyperscalers (de grote cloud/datacenter aanbieders) zullen sterker dan ooit uit de strijd komen.

Je hoeft niet alle hype rond AI te geloven om te erkennen dat we getuige zijn van de opkomst van een reeks technologieën die de kapitalistische productie zullen transformeren.

Deze technologieën zijn in handen van een klein aantal buitengewoon machtige bedrijven. De grote zeven – Alphabet, Amazon, Apple, Meta, Microsoft, Nvidia en Tesla – zijn samen ongeveer een derde waard van de volledige S&P 500, een index van de vijfhonderd grootste beursgenoteerde bedrijven in de VS. Het komt zelden voor dat zo’n groot deel van de waarde bij zo weinig bedrijven geconcentreerd is.

Erkennen dat AI de wereldwijde productie ingrijpend zal veranderen – vooral in combinatie met de ontwikkelingen op het gebied van robotica die in China plaatsvinden – is heel iets anders dan beweren dat kunstmatige intelligentie de wereld zal overnemen of alle banen zal doen verdwijnen. Binnen kapitalistische economieën vinden voortdurend omwentelingen in de productie plaats – zoals Marx meer dan 150 jaar geleden al opmerkte, zou het moderne kapitalisme zonder zulke omwentelingen onherkenbaar zijn.

Dat wil ook niet zeggen dat de huidige waarderingen van grote technologiebedrijven gerechtvaardigd zijn. Er valt veel voor te zeggen dat de markten inmiddels in een bubbel zitten, aangejaagd door de hype rond AI. Maar allerlei baanbrekende technologieën – van spoorwegen tot het internet – hebben geleid tot het ontstaan van bubbels. Die barstten niet omdat de technologie nutteloos was, maar omdat mensen te snel te enthousiast werden en op basis van dat enthousiasme geld leenden, terwijl het langer duurde dan verwacht voordat de technologie rendement opleverde.

We bevinden ons nu in een vergelijkbare situatie met AI. Er bestaat weinig twijfel over dat AI-technologieën het beheer van de kapitalistische productie volledig zullen veranderen – om nog maar te zwijgen van nieuwe wetenschappelijke en technologische doorbraken die hele nieuwe industrieën kunnen voortbrengen. AI in combinatie met robotica zal ook de aard van de productie zelf veranderen – zoals nu al in China gebeurt, waar het steeds gebruikelijker wordt om “dark factories” te zien die bijna volledig door robots worden bevolkt.

Maar deze veranderingen zullen tijd kosten en onder het kapitalisme is tijd geld. Een bedrijf als Oracle, dat 125 miljard dollar aan schulden heeft (plus 288 miljard dollar aan verplichtingen uit leasecontracten voor datacenters), zal die schulden de komende jaren moeten aflossen. Als het zijn bestaande schulden wil afbetalen zonder nieuwe schulden aan te gaan, zullen de inkomsten aanzienlijk moeten stijgen. Naar verwachting zullen die toekomstige inkomsten komen van bedrijven als OpenAI, die betalen om datacentercapaciteit van Oracle te huren. OpenAI alleen al is goed voor ongeveer de helft van Oracles nog uit te voeren contracten.

Om zijn schulden te kunnen aflossen, is Oracle er dus van afhankelijk dat aanbieders van grote taalmodellen (LLM’s) steeds meer datacentercapaciteit nodig hebben en daarvoor grote bedragen blijven betalen. Dat betekent dat ze hun gebruikersbestand aanzienlijk moeten uitbreiden en dat hun gebruikers bereid moeten zijn flink te betalen voor toegang tot deze producten. Dat soort uitgaven zal niet van consumenten komen; het zal van zakelijke klanten moeten komen. En om bedrijven ertoe te brengen al dat geld aan LLM’s uit te geven, moeten zij op korte tot middellange termijn een aanzienlijke productiviteitsstijging zien door de inzet van AI.

Als die productiviteitsstijging kleiner is of langer op zich laat wachten dan verwacht, zal de zakelijke vraag naar LLM’s stagneren. Daardoor zullen ook de inkomsten van LLM-aanbieders stagneren, net als die van infrastructuurleveranciers zoals Oracle. Datacenters vergen voortdurend investeringen in onderhoud, terwijl ook de energiekosten hoog zijn en de bouw achterloopt. Daardoor zullen bedrijven als Oracle hun schulden sneller zien stijgen dan hun inkomsten. Zodra de kredietverlening opdroogt, zullen de prijzen van productiemiddelen en andere bezittingen dalen en zullen sommige bedrijven ten onder gaan. De AI-zeepbel zal barsten.

Maar dat betekent niet dat AI-technologieën van de ene op de andere dag zullen verdwijnen – integendeel zelfs. Nieuwe sectoren groeien vaak met horten en stoten, en zeepbellen gaan vaak gepaard met de opkomst van een nieuwe, revolutionaire technologie. Eerst raken mensen overenthousiast over de mogelijkheid om snel winst te maken en investeren ze te veel. Daarna beseffen ze dat die winsten niet zo snel zullen worden gerealiseerd als ze hadden verwacht, en barst de zeepbel. Maar dan wordt het pas interessant.

Zo maar een sticker ergens op straat.

Als de zeepbel eenmaal is gebarsten, gaan zwakkere bedrijven failliet en dalen de prijzen van productiemiddelen en andere bezittingen over de hele linie. Door die schifting kunnen gevestigde spelers profiteren van de ondergang van hun concurrenten, en ontstaat er ruimte voor nieuwe bedrijven. Precies dat gebeurde met de grote technologiebedrijven in de jaren na het barsten van de dotcomzeepbel. De eeuwwisseling luidde niet het einde van het internet in, maar het begin van big tech.

Bedrijven als Google, Facebook (nu Meta) en Amazon kwamen op na de dotcomcrash of maakten toen een sterke groei door. Aanvankelijk richtten ze zich vooral op groei en herinvesteerden ze om marktaandeel te veroveren, zelfs als dat ten koste ging van hun winst. Toen er in 2008 een nieuwe crisis uitbrak, waren ze uitstekend gepositioneerd om dankzij de lage rente nog verder te groeien. Toen hun dominantie eenmaal was verzekerd, leidde hun marktmacht tot torenhoge winsten. Binnen twintig jaar na de dotcombubbel behoorden ze tot de grootste en machtigste bedrijven ter wereld.

Tegenwoordig domineren veel van de bedrijven die na de dotcombubbel opkwamen ook de AI-boom. De hyperscalers – Google, Microsoft, Amazon en Meta – zijn grote, gevestigde bedrijven met stabiele inkomsten en enorme hoeveelheden kapitaal. Beleggers staan te popelen om hun geld aan hen uit te lenen, omdat vrijwel niemand denkt dat een van hen failliet zou gaan – zelfs niet als de AI-boom in het ongunstigste geval instort.

Een groot verschil tussen de AI-boom en de dotcomzeepbel is dat de hyperscalers niet alleen de nieuwe technologie ontwikkelen, maar ook eigenaar zijn van een groot deel van de infrastructuur waarvan die technologie afhankelijk is. De bedrijven die door de dotcomzeepbel werden getroffen, stonden grotendeels los van de bedrijven die door de telecomzeepbel werden geraakt: de eerste bouwden internetbedrijven, de laatste bouwden het internet. Tegenwoordig doen de hyperscalers allebei.

Na de dotcomcrash konden nieuwe bedrijven voortbouwen op goedkope infrastructuur die failliete telecombedrijven hadden achtergelaten. Na een AI-crash zal een groot deel van de infrastructuur nog steeds in handen zijn van de hyperscalers. De rest zal zo goedkoop zijn dat de hyperscalers die kunnen opkopen wanneer andere bedrijven omvallen. Na het uiteenspatten van de AI-zeepbel zal een nieuwe groep techgiganten opkomen, met nog meer macht dan ze nu al hebben.

Deze bedrijven zullen niet alleen markten beheersen, maar complete samenlevingen. Hun invloed zal zich uitstrekken tot in de staatsinstellingen, de media, onze financiële instellingen en de infrastructuur waarop ons dagelijks leven steunt. Ze zullen hegemoniaal zijn. De ultieme kapitalistische planners.

Om deze macht te bestrijden, kunnen we niet vertrouwen op staten die zijn ingepalmd door juist de bedrijven die ze zouden moeten reguleren. Vooraanstaande politici verlaten de politiek om vervolgens bij grote techbedrijven aan de slag te gaan; deze bedrijven doneren enorme bedragen aan politieke partijen en hebben grote contracten met staatsinstellingen. Doordat de belangen van de grote techbedrijven en onze politieke klasse zo nauw samenvallen, komt regelgeving die die laatste invoert vaak ten goede aan de eerste.

Op korte termijn moet de macht van de grote technologiebedrijven van onderop worden bestreden. Dat betekent dat de aanleg van datacenters en de inzet van hun technologieën in het staatsapparaat moet worden verstoord. Dit soort verstoringen komt in de VS al op grote schaal voor en verspreidt zich nu ook in het Verenigd Koninkrijk. Werkers in de technologiesector zullen zich moeten organiseren om binnen die bedrijven voor meer zeggenschap te strijden. En het betekent dat we de ontwikkeling moeten steunen van coöperatieve alternatieven, alternatieven in publiek bezit of alternatieven in handen van werkers, als tegenwicht voor de macht van big tech.

Op lange termijn moeten werkende mensen macht verwerven binnen staatsinstellingen om publieke, democratische zeggenschap over al onze essentiële infrastructuur af te dwingen – van water en energie tot technologie.(*) Net als de financiële crisis van 2008 kan het uiteenspatten van de AI-zeepbel een cruciaal keerpunt in de geschiedenis van het kapitalisme blijken. De grote banken waren goed genoeg georganiseerd om van de vorige crisis te profiteren – en big tech is goed genoeg georganiseerd om van deze te profiteren. Wij moeten ons goed genoeg organiseren om weerstand te bieden.

Grace Blakeley

(Dit artikel verscheen gisteren op haar substack onder de titel “Big Tech will Win in the AI Crash”.)

Noot van de redactie

(*) We moeten inderdaad “publieke, democratische zeggenschap over al onze essentiële infrastructuur af te dwingen”, maar wat ons betreft niet via het “macht verwerven binnen staatsinstellingen”, maar door een sterke (buiten-parlementaire!) revolutionaire tegenmacht.