De nieuwe asielwetten deel 1: de tijdbom van Faber

Naar alle verwachting worden de twee nieuwe asielwetten (de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet tweestatussenstelsel) in april door de Eerste Kamer behandeld. Er is een grote kans dat de Eerste Kamer ze zal aannemen, tenzij er iets bijzonders gebeurt. Deze wetten, ooit ingediend door PVV-minister Marjolein Faber, zijn bedoeld om het “strengste asielbeleid ooit” teweeg te brengen. De coalitie-Jetten heeft al aangegeven dat zij de wetten gaat uitvoeren als ze, zoals verwacht, door de Eerste Kamer komen. In dit stuk zal ik uitleggen wat deze hardvochtige wetten betekenen, en wat de gevolgen voor het Nederlandse asielstelsel zijn.
Strafbaarstelling
Hoewel dit stuk er niet voornamelijk over zal gaan, is het belangrijk om even stil te staan bij een van de zwaarste bepalingen in de nieuwe Asielnoodmaatregelenwet, namelijk de strafbaarstelling van zogenaamd “illegaal verblijf”. Zelf gebruik ik de term “ongedocumenteerden”: dit zijn mensen die in Nederland zijn zonder wettig verblijfsrecht. Die strafbaarstelling is onmenselijk en wreed, en vormt een nog verdere beperking van een fundamenteel recht dat mensen zouden moeten hebben om zich vrij over de wereld te bewegen. Over dit verbod is echter al een hoop gezegd en geschreven. In dit stuk zal ik me vooral richten op alle andere bepalingen in de wetten, en hoe ze het asielrecht in Nederland gaan veranderen. Want ook zonder de strafbaarstelling van ongedocumenteerd verblijf zijn de wetten wreed.
Wet I: Tweestatussenstelsel
Het tweestatussenstelsel voor vluchtelingen heeft een grondslag in de verdragen die Nederland ertoe verplichten om vluchtelingen op te nemen. Het VN-vluchtelingenverdrag, het belangrijkste internationale verdrag over vluchtelingen, kent namelijk maar één soort vluchteling: de persoon die vreest voor vervolging omwille van zijn “ras, godsdienst, nationaliteit, sociale groep of politieke overtuiging”. Het gaat hier dus om iemand die om persoonlijke redenen vreest voor geweld en vervolging. Het vluchtelingenverdrag gaat in principe niet over mensen die vanwege oorlogsgeweld of hongersnood uit een bepaald gebied vluchten, behalve als honger en geweld direct verband houden met een beschermd identiteitskenmerk (bijvoorbeeld als een genocidaal leger door een gebied trekt).
De historische reden voor dit onderscheid ligt in de oorsprong van het vluchtelingenverdrag. Dat is opgesteld na de Tweede Wereldoorlog om de enorme hoeveelheid vluchtelingen te beschermen die tijdens of vlak na de oorlog hun thuisland hadden verlaten. Toen het verdrag werd opgesteld, moesten de verdragsluitende staten vooral denken aan de slachtoffers van vervolging door het fascisme in Europa: mensen die vanwege hun geloof, etnische achtergrond of politieke overtuiging in een concentratiekamp terecht waren gekomen.
Die vluchtelingen moeten volgens het vluchtelingenverdrag worden toegelaten in een land en mogen niet uitgezet worden. De andere soort vluchtelingen, die vluchten voor oorlogsgeweld, hebben óók juridische bescherming, maar dan op basis van het Europees verdrag inzake de rechten van de mens (EVRM). Ingevolge artikel 3 EVRM hebben mensen recht op bescherming tegen marteling of onmenselijke behandeling. Mensen die een oorlogsgebied ontvluchten, mogen óók niet worden teruggestuurd, maar dit omdat hun recht onder artikel 3 EVRM dan mogelijk wordt geschonden. Dit heet “subsidiaire bescherming”, en werd in de jaren zeventig bij de rechter afgedwongen.
Daarnaast waren er nog andere groepen. Sommige vluchtelingen die geen recht hadden op verblijf op basis van het vluchtelingenverdrag óf het EVRM werden toch toegelaten op “humanitaire gronden” (de zogenaamde C-groep), op basis van de beleidsvrijheid van de regering. Ook waren er mensen die in principe geen juridisch recht hadden om in Nederland te blijven, maar wiens aanwezigheid werd gedoogd. Het gaat voor dit artikel te ver om al deze groepen uit te leggen; belangrijk is vooral dat er veel verschillende categorieën waren.
Tot 2001 maakte Nederland onderscheid tussen al deze groepen. De A-groep, verdragsvluchtelingen, hadden eenvoudiger recht op gezinshereniging en een paar andere voordelen die de “subsidiair beschermden” (de B-groep) of de C-groep niet hadden. Met de Vreemdelingenwet 2000 is het “eenstatusstelsel” ingevoerd, waardoor alle vluchtelingen, ongeacht de reden waarom zij zijn gevlucht, dezelfde rechtsbescherming kregen. Deze wijziging kwam niet zozeer voort uit mededogen, maar uit pragmatisme: vluchtelingen die in principe werden toegelaten, startten vaak procedures om een ‘hogere’ status af te dwingen. Dus mensen die een verblijfsstatus kregen, gingen dan in bezwaar niet zozeer omdat ze geen verblijf wilden, maar omdat ze een sterkere juridische positie wilden hebben. Vanaf 2000 kregen alle vluchtelingen dezelfde bescherming, waardoor dit niet meer nodig was. Dit scheelde de staat veel rechtszaken en dus werk en kosten.
In de nieuwe wet wordt opnieuw een tweestatussensysteem gecreëerd. Onderscheid wordt gemaakt tussen verdragsvluchtelingen (de A-status) en niet-verdragsvluchtelingen (de B-status). Het belangrijkste onderscheid zal zitten in de gezinshereniging, het recht om je familie naar Nederland te laten komen als je hierheen gevlucht bent. Dat recht komt voort uit het recht op privéleven: als je naar Nederland komt als vluchteling, hoef je hier niet als een balling te leven, maar mag je je naaste familie meenemen.
Onder de nieuwe wet wordt het recht op gezinshereniging nog strenger beoordeeld dan onder de huidige wet, die al erg streng is. B-status vluchtelingen zullen een zeer beperkt recht op gezinshereniging hebben als het nieuwe tweestatussenstelsel wordt aangenomen. Het gezin van een B-vluchteling mag in eerste instantie alleen blijven als ze gelijktijdig met de vluchteling naar Nederland zijn gekomen. Gezinshereniging, het recht om familie naar Nederland te halen, mag volgens de nieuwe wet pas als de B-vluchteling twee jaar in Nederland is geweest. Daarnaast moet de B-vluchteling dan een inkomen (uit werk, geen uitkering) en een huis hebben om het gezin te huisvesten. Als de B-vluchteling nog in een asielzoekerscentrum (azc) zit of wacht op huisvesting, dan mag gezinshereniging dus niet plaatsvinden. Vanwege de oplopende wachttijden in de azc’s en het groeiende tekort aan huisvesting voor vluchtelingen wordt dit steeds onwaarschijnlijker. Daarnaast moet de B-vluchteling ook een eigen inkomen hebben en mag die niet meer afhankelijk zijn van financiële steun vanuit de overheid.
Dit is heel anders dan het huidige systeem, dat blijft bestaan voor A-vluchtelingen. Die mogen binnen drie maanden na aankomst in Nederland een verzoek tot gezinshereniging indienen, waardoor hun familie naar Nederland kan komen. Dit is geen utopie: de controles hiervoor zijn streng en de wachttijden zijn lang, waardoor het makkelijk drie jaar kan duren tussen het inreizen van het gezin en het daadwerkelijk ontvangen van een verblijfsvergunning.
Niet alleen vluchtelingen met een B-status krijgen te maken met een ingeperkt recht op gezinshereniging. Dat recht wordt met dit wetsvoorstel voor alle vluchtelingen beperkt tot alleen leden van het zogenaamde “kerngezin”: de gehuwde echtgenoot en de minderjarige kinderen van de vluchteling. In het geval van een minderjarige vluchteling mogen ook de ouders en minderjarige broers en zussen meereizen of later herenigd worden. Ten eerste moet het racisme, de queerfobie en het cultureel chauvinisme van Nederland hier benoemd worden. Het kerngezin is een fictie uit de Nederlandse cultuur, die niet toepasbaar is op mensen met andere culturele achtergronden waarbij nauwere en meer uitgebreide familiebanden de norm zijn. Dit is onder het huidige systeem al een probleem, maar daar bestaat nog de mogelijkheid om te bewijzen dat mensen buiten het kerngezin wel bij het gezin horen. Die mogelijkheid verdwijnt. Daarnaast worden zo ongehuwde partners uitgesloten, bijvoorbeeld partners in een queer relatie die door het land van herkomst niet wordt erkend. Dit, terwijl het juist queer mensen zijn die reden hebben om te vluchten.
Dit onderscheid tussen A- en B-vluchtelingen is natuurlijk een pure abstractie. De enige reden dat het onderscheid wordt gemaakt is omdat B-vluchtelingen verdragsrechtelijk minder bescherming genieten. Daarom kunnen zij harder aangepakt worden. Het is een illusie dat B-vluchtelingen een soort tweederangs vluchtelingen zouden zijn. De wreedheid waarmee B-vluchtelingen van hun familie worden gescheiden, wordt gepleegd puur omdat het juridisch kan. Omdat de regering de grenzen van de wet opzoekt in hun zoektocht naar afschrikwekkend beleid.
Daarnaast zien we hier de eerste onderdelen van de tijdbom. De IND zal als de wet wordt aangenomen een betekenisvol onderscheid moeten gaan maken tussen A- en B-vluchtelingen. Dat onderscheid is in de praktijk zeer lastig te maken. Vluchtelingen zullen op hun beurt altijd in beroep willen gaan tegen het toekennen van de B-status, want de A-status heeft meer rechten. Zo wordt de werklast van de IND hoger, waardoor zij minder toekomen aan het behandelen van nieuwe zaken. Dit vergroot wachttijden voor vluchtelingen die een asielaanvraag hebben gedaan. Dit effect volgt des te meer uit de Asielnoodmaatregelenwet.
Wet II: Asielnoodmaatregelenwet
Inleiding
De Asielnoodmaatregelenwet was oorspronkelijk bedoeld als een noodwet, die PVV-minister Marjolein Faber door wilde voeren zonder toestemming van het parlement. Op dat plan moest ze uiteindelijk terugkomen, waardoor haar voorstellen nu (bijna een jaar na haar aftreden) alsnog door het parlement worden behandeld. De Asielnoodmaatregelenwet bevat enorme wijzigingen van het Nederlandse asielstelsel, met grote gevolgen voor vluchtelingen.
De wetgevingsprocedure rond deze wet is extreem rommelig verlopen. Dat begon al toen Faber het met tegenzin als wet moest indienen in plaats van als besluit. Daarnaast zijn allerlei negatieve adviezen, zoals die van de Raad van State en de rechtspraak, genegeerd. Vervolgens heeft de PVV een amendement ingediend om de strafbaarstelling van ongedocumenteerden in de wet te krijgen, die zonder veel discussie of uitleg werd aangenomen. Ook hierop hadden onder andere de Eerste Kamer en de Raad van State grote kritiek. Vooralsnog heeft al die kritiek (en alle menselijke argumenten ten spijt) tot niets geleid, en lijkt het erop dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel gaat aannemen.
Dus wat staat er in dit wetsvoorstel?
Afschaffen vergunning voor onbepaalde tijd en verkorting naar drie jaar
De Asielnoodmaatregelenwet bevat een bepaling die de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afschaft. Een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is een verblijfsvergunning zonder eindtijd, dus die je niet steeds hoeft te verlengen. De maximale duur van een vergunning voor bepaalde tijd (een tijdelijke vergunning) wordt daarnaast verkort van vijf jaar naar drie jaar. Onder het huidige stelsel krijgt een erkende vluchteling eerst een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, meestal voor vijf jaar. Die kan na vijf jaar rechtmatig verblijf omgezet worden tot een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als de vluchteling nog steeds wordt erkend als vluchteling en als de vluchteling voldoet aan de inburgeringseisen. In andere gevallen kan de vluchteling een aanvraag tot verlenging doen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, waarbij de IND controleert of de vluchteling nog steeds “op de vlucht” is. Dat proces kan steeds worden herhaald.
De nieuwe wet schaft de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd af. Dat betekent dat alle vluchtelingen elke paar jaar een nieuwe aanvraag zullen moeten doen, en dat elke vluchteling dus herhaaldelijk opnieuw moet bewijzen dat ze vluchteling zijn. Door de verkorting van de maximale tijdelijke verblijfsvergunning naar drie jaar zullen ze dat relatief vaak moeten doen, waarbij elke keer weer onzeker is of de IND niet anders gaat beslissen. Dat constant opnieuw moeten bewijzen dat je een vluchteling bent, weegt heel zwaar. Mensen kunnen geen keuzes maken over hun toekomst als ze niet weten waar ze over drie jaar zijn. Of je gaat studeren, waar je gaat werken, waar je gaat wonen, zelfs of je een auto moet kopen, hangt allemaal af van de vraag waar je over drie jaar bent. Zeker voor mensen die een vast bestaan in Nederland willen opbouwen is dit slopend, maar ook voor mensen die vrezen teruggezonden te worden naar een land waar ze moeten vrezen voor oorlog, honger en vervolging.
Dit is in het bijzonder problematisch omdat de driejarige verblijfsvergunning een juridische fictie is. De duur van de verblijfsvergunning wordt berekend vanaf het moment van aanvraag, niet vanaf het moment dat de IND over de aanvraag besluit. De tijd daartussen is aanzienlijk: op dit moment is de wachttijd voor een asielaanvraag 67 weken, ofwel een jaar en twee maanden. Dit, terwijl de wettelijke maximale termijn eigenlijk zes maanden is, maar die wordt door de IND ruimschoots overschreden. Een verblijfsvergunning voor drie jaar is dus eigenlijk een verblijfsvergunning voor minder dan twee jaar na het besluit. Binnen twee jaar moet je weer een nieuwe aanvraag doen.
Ook hier zien we de Faber-tijdbom terug. Al het bovenstaande zorgt ervoor dat de IND steeds meer zaken te behandelen heeft, en er dus een enorm stuwmeer aan niet-behandelde zaken ontstaat. De IND zal veel meer bezig zijn met herbeoordelingen en het voeren van rechtszaken, en minder tijd hebben voor nieuwe aanvragen. Hierdoor zal de wachttijd voor vluchtelingen alleen maar toenemen, waardoor vluchtelingen nog langer in onzekerheid zitten, en niet kunnen verhuizen vanuit een azc naar een sociale huurwoning. Stel de wachttijd loopt op tot 104 weken of zelfs langer, dan zitten mensen langer in een procedure dan dat ze een status hebben. Dit is geen teken van incompetentie, maar van moedwillig beleid om vluchtelingen te schaden, waar ik later op terug zal komen.
Praktisch verbod op naturalisatie
Een ander bijkomend effect is dat de afschaffing van de asielvergunning voor onbepaalde tijd het juridisch onmogelijk maakt voor vluchtelingen om te naturaliseren, en zo het Nederlanderschap te verkrijgen. Naturalisatie als Nederlander vereist namelijk dat je een verblijf van niet-tijdelijke aard hebt, dus een asielvergunning voor onbepaalde tijd. Het kan zijn dat de rechtspraak anders naar de term “niet-tijdelijk” moet gaan kijken onder de nieuwe wetgeving, maar daarover staat niets in de memorie van toelichting bij de wet. De enige toelichting in de memorie stelt dat het wenselijk is dat minder vluchtelingen het Nederlanderschap kunnen verkrijgen.
Afschaffen voornemenprocedure
De zogenaamde “voornemenprocedure” is in 2000 geïntroduceerd. Daarvoor vielen asielaanvragen onder het ‘normale’ bestuursrecht. Dat betekent dat een vluchteling tegen elk besluit eerst in bezwaar kon bij de IND, voordat ze naar de bestuursrechter moesten stappen. Na een bezwaar kon de IND dan opnieuw naar de zaak kijken en mogelijk een ander besluit nemen op basis van de aangevoerde argumenten. In 2000 is de bezwaarmogelijkheid afgeschaft om de procedure voor de IND makkelijker te maken. In plaats van de bezwaarmogelijkheid werd de voornemenprocedure geïntroduceerd: voordat de IND een besluit nam op een asielaanvraag moesten ze hun voornemen kenbaar maken aan de vluchteling, die vervolgens aanvullende informatie kon geven waar de IND schijnbaar geen rekening mee had gehouden. Ook kon een vluchteling allerlei fouten van de IND corrigeren.
Het afschaffen van de voornemenprocedure is een grotere inbreuk in de rechtsbescherming van vluchtelingen dan op het eerste gezicht lijkt. Dat het zo’n grote inbreuk is, komt door de werkwijze van de bestuursrechter. Die mag namelijk alleen toetsen of de IND met alle beschikbare informatie het juiste besluit heeft genomen. De vluchteling mag dus geen nieuwe informatie naar voren brengen bij de bestuursrechter. De voornemenprocedure maakte het juist zo dat een vluchteling nog een laatste kans kreeg om eventuele ontbrekende informatie in de procedure aan te vullen. Die mogelijkheid gaat dus vervallen, waardoor een vluchteling (die vaak zelf geen kennis heeft van Nederlands recht) maar moet raden wat voor de IND allemaal van belang kan zijn. Het zal, zoals de regering waarschijnlijk wil, leiden tot veel meer afwijzingen van aanvragen, en veel minder succesvolle beroepsprocedures. Dat er steeds minder gesubsidieerde rechtsbijstand is, maakt vluchtelingen alleen maar kwetsbaarder in het geval dat ze een rechtszaak moeten voeren, omdat er steeds minder advocaten zijn om steeds meer zaken te behandelen.
‘Efficiëntere’ behandeling (herhaalde) aanvragen
Waar de staat het heeft over ‘efficiënter’ optreden in vluchtelingenprocedures, gaat het eigenlijk altijd over regels die het voor de IND makkelijker maken om mensen af te wijzen in combinatie met strengere (procedure)regels voor vluchtelingen. Zo kan de IND sneller om procedurele redenen het stempel “afgewezen” hanteren. Dat maakt de werklast voor IND-ambtenaren (schijnbaar!) minder, maar vooral door de procedure minder zorgvuldig te maken en mensen die onder de huidige regels verblijfsrecht zouden krijgen, af te wijzen.
Allereerst zal er door de IND strenger getoetst worden op nieuwe omstandigheden bij een hernieuwde aanvraag. Een “hernieuwde aanvraag” is een nieuwe asielaanvraag nadat een eerdere asielaanvraag is afgewezen. In zo’n procedure mogen alleen veranderde omstandigheden worden aangevoerd die niet aangevoerd zijn in de eerdere procedures. Onder het huidige recht moet zo’n veranderde omstandigheid alleen “relevant” zijn. Als dat zo is, dan moet een hernieuwde aanvraag in ieder geval in behandeling genomen worden, hoewel het alsnog kan leiden tot een afwijzing. Een “relevante” omstandigheid was bijvoorbeeld als de politieke situatie in het land van herkomst was veranderd.
Onder de nieuwe voorgestelde regels moet die relevante omstandigheid ook nog eens “de kans aanzienlijk groter maken” dat de aanvraag wordt goedgekeurd, vóórdat een aanvraag in behandeling wordt genomen. Maar om de vraag te beantwoorden of een veranderde omstandigheid “de kans aanzienlijk groter maakt” dat de aanvraag wordt goedgekeurd, moet je eigenlijk de hele procedure opnieuw doorlopen. Door de voorgestelde wetswijziging hoeft dat echter niet: de IND mag op voorhand “ambtshalve” (dus: op eigen houtje) bepalen of een feit de kans aanzienlijk groter maakt dat een aanvraag goedgekeurd wordt. Als de IND bepaalt dat de kans niet “aanzienlijk groter” wordt, mogen ze de hele aanvraag weggooien, zonder recht van de vluchteling om die aanvraag verder toe te lichten. Vervolgens heeft de IND (schijnbaar!) minder werk. Je geeft de IND dus een bevoegdheid en een reden om hier zeer onzorgvuldig mee om te gaan. Met als resultaat dat mensen die relevante nieuwe feiten aanleveren straks uitgezet zullen worden, of op straat belanden, of in de illegaliteit worden gedreven.
Een tweede middel dat de staat wil inzetten, is de introductie van een “verwijtbaarheidstoets”. Dat betekent dat de IND bij een hernieuwde aanvraag alleen maar informatie hoeft mee te wegen die de vluchteling niet eerder had kunnen inbrengen. Onder de huidige wet kan een vluchteling informatie aanvoeren die wel bekend was, maar niet eerder in de procedure is gebruikt. De nieuwe eis is een strenge om te stellen aan mensen die niet precies weten welke informatie relevant zou kunnen zijn. Dit zou onder het huidige systeem verholpen kunnen worden bij de voornemenprocedure, waarbij de vluchteling de kans krijgt om zaken aan te vullen vóór het besluit. Echter, omdat de voornemenprocedure verdwijnt, worden de gevolgen des te groter.
Als laatste “efficiëntieslag” zal de staat de zogenaamde “impliciete intrekking” in de Vreemdelingenwet introduceren. Dit houdt in dat een vluchteling die zogenaamd “niet meewerkt” aan de procedure, wordt geacht de asielaanvraag impliciet te hebben ingetrokken, waardoor de aanvraag kan worden afgewezen. Dat “niet meewerken” kan bestaan uit het niet komen opdagen op een afspraak of het niet geven van informatie die van “wezenlijk belang” is voor de aanvraag (opnieuw: in het oordeel van de IND). In de huidige wet wordt zo’n verzoek buiten behandeling geplaatst. Tussen “buiten behandeling plaatsen” en “afwijzen” bestaat een groot verschil. Als een verzoek buiten behandeling geplaatst wordt, dan mag de vluchteling een nieuw verzoek doen en alle feiten aandragen. Maar als een verzoek wordt afgewezen, dan mag de vluchteling alleen een nieuw verzoek doen bij “nieuwe feiten en omstandigheden”. Alle eerdere argumenten verdwijnen dan in de prullenbak.
Dit alles is duidelijk een poging om vluchtelingen te pakken op het gebied van procedures. Vluchtelingen zijn (veelal) niet bekend met Nederlands recht, zijn de Nederlandse juridische en ambtelijke taal niet machtig (in ieder geval tijdens het begin van de procedure), zijn andere juridische en bestuurlijke gebruiken gewend, en kunnen ernstig beschadigd zijn door de situatie waar zij vandaan vluchten. Bovendien kunnen sommige vluchtelingen niet lezen of schrijven. Juist voor hen wegen procedure-eisen extra zwaar, en zijn maatregelen nodig om de ongelijkheid tussen de staat en de vluchteling te compenseren.
Zwaardere procedureregels over bewijslevering, zoals de “verwijtbaarheidstoets”, zorgen daarnaast juist dat de IND mensen kan weigeren die in principe kunnen bewijzen dat ze vervolgd worden, maar die de papieren op het verkeerde moment hebben ingediend. Zo is het nu al zo dat mensen die te vrezen hebben voor ernstige vervolging, om procedureregels niet worden toegelaten, met alle gevolgen van dien. Dat soort situaties zullen alleen maar meer voorkomen.
Ook dit alles zal weer leiden tot meer procedures. Mensen voldoen wellicht niet aan alle theoretische procedure-eisen, maar als er een risico is voor hun leven of gezondheid, dan mogen ze van de wet alsnog niet uitgezet worden. Deze mensen vallen dan tussen wal en schip: ze hebben geen recht op een verblijfsvergunning, maar kunnen ook niet terug naar waar ze vandaan komen. Mensen zullen in dat geval procederen voor het recht om te blijven, ook al heeft de IND alle procedureregels gevolgd. Die procedureregels zijn dus uiteindelijk niets waard, zelfs niet voor de bureaucraten die ze uit moeten voeren.
Inreisverbod
In Nederland zijn er twee juridische “middelen” voor de regering om iemand te verbieden om Nederland binnen te komen: het inreisverbod en de ongewenstverklaring. Het inreisverbod is bedoeld voor burgers van landen buiten de EU die zich in Nederland bevinden. Voor EU-burgers en voor burgers van landen buiten de EU die zich niet in Nederland bevinden, bestaat de ongewenstverklaring. Het is verboden voor de regering om mensen ongewenst te verklaren als ze een inreisverbod kunnen opleggen.
Een inreisverbod wordt naar huidig recht automatisch afgegeven als iemand een zogenaamd “terugkeerbesluit”, een bevel om Nederland te verlaten, overtreedt. Dit is een ‘licht’ inreisverbod. Een ‘zwaar’ inreisverbod geldt om dezelfde redenen als een ongewenstverklaring, dus bij een relatief zwaar misdrijf of als iemand volgens de staat een gevaar vormt voor de “openbare orde”. Zich in Nederland bevinden in strijd met een ‘licht’ inreisverbod is een overtreding, het overtreden van een ‘zwaar’ inreisverbod is een misdrijf.
De nieuwe wet verandert het systeem zodat Nederland óók mensen van buiten de EU die in Nederland zijn, ongewenst kan verklaren. De reden hiervoor is heel eenvoudig: de Europese regels zijn volgens de regering niet streng genoeg. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat een “vreemdeling” (iemand uit het buitenland) de openbare orde zeer ernstig moet hebben overtreden om een zwaar inreisverbod tegen hen uit te vaardigen. Die “vreemdeling” moet een “werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging” vormen, die een “fundamenteel belang van de samenleving” aantast. Dan pas mag een zwaar inreisverbod worden opgelegd. Dat vindt de staat een veel te strenge eis. Omdat de ongewenstverklaring (in tegenstelling tot het zware inreisverbod) puur door nationaal recht wordt beheerst, wil de staat die weer toe kunnen passen op vluchtelingen. Zo kan de staat het begrip “openbare orde’ zelf proberen in te vullen, en dus ook eerder een zwaar inreisverbod opleggen.
Een tweede relevant aspect is dat Europese jurisprudentie heeft bepaald dat het inreisverbod pas in werking treedt als een vreemdeling na een terugkeerbesluit het land heeft verlaten. In Nederland blijven als je een inreisverbod hebt gekregen, is dus niet strafbaar, het wordt pas strafbaar als je Nederland verlaat en dan weer terugkomt. Dit is anders bij een ongewenstverklaring. De staat wil vreemdelingen expliciet kunnen vervolgen, óók als ze in Nederland blijven. Of beter gezegd: de staat wil de dreiging van strafrechtelijke vervolging kunnen gebruiken om mensen het land uit te jagen.
Door de terechte aandacht voor de strafbaarstelling van ongedocumenteerd verblijf is deze strafbaarstelling wellicht wat ondergesneeuwd. Toch is deze bepaling niet minder gevaarlijk. Omdat artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (overtreden van de ongewenstverklaring) een misdrijf is, is ook medeplichtigheid strafbaar, ook al is niet meteen duidelijk hoe die medeplichtigheid eruit zou zien. De grote angst waarmee politieke partijen keken naar de strafbaarstelling van ongedocumenteerd verblijf, lijkt hier echter afwezig, wellicht omdat er minder media-aandacht voor is geweest.
Conclusie
Het belangrijkste effect van al deze wijzigingen is dat de tekortkomingen van het Nederlandse asielsysteem wéér op vluchtelingen worden afgewenteld. Hun mogelijkheid om in Nederland te schuilen voor geweld en vervolging wordt verminderd door de veel strengere regels. Vervolgens worden zij, door het afschaffen van de vaste verblijfsvergunning en het afschaffen van procedureregels, nog meer in onzekerheid gebracht. Die onzekerheid is moordend. Het voorkomt dat mensen in vrede en veiligheid hun leven kunnen leiden, zeker als zij zo lang moeten wachten op hun familie. Vervolgens bestaat er een reëel risico dat zij om procedureregels worden uitgezet naar een land waar zij hun leven of veiligheid niet zeker zijn.
Daarnaast bereiden deze wetten op sinistere wijze ook weer toekomstige inperkingen voor. Een brede groep aan instanties heeft geadviseerd om de wetten niet aan te nemen, om verschillende redenen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Raad voor de Rechtspraak staan vooral stil bij de grote hoeveelheid rechtszaken die uit deze wet zullen volgen, en de daarop volgende werkdruk voor rechters. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft kritiek op de slechte kwaliteit van de wet en het doorlopen wetsproces, waarbij de adviezen van de Raad van State constant in de wind zijn geslagen. Negatief advies komt ook van de Orde van Advocaten, het College voor de Rechten van de Mens, het Nederlands Juristencomité voor de Mensenrechten, de Adviesraad Migratie, VluchtelingenWerk en Amnesty International. Ook het COA, de IND en zelfs de politie zijn kritisch.
Normaliter zou ik niet zo geven om de argumenten rond werkdruk, anders dan dat vluchtelingen door langere wachttijden langer in stress en onzekerheid blijven. Maar in dit geval heeft de verhoogde werkdruk voor de IND en de rechtspraak grote politieke gevolgen. Als de IND steeds minder in staat is om asielaanvragen te behandelen, dan zal dat in de toekomst worden aangewezen als de volgende “asielcrisis”. Die “asielcrisis” kan vervolgens door extreem-rechts worden misbruikt om nóg meer rechten van vluchtelingen af te nemen, met het “stroomlijnen van processen’ als argument. Mogen vluchtelingen binnenkort überhaupt nog naar de rechter stappen? Of moeten ze genoegen nemen met puur de beslissing van de IND? Wellicht moeten ze een besluit op hun aanvraag afwachten in een doorvoerkamp in Oeganda, of worden ze in een opvangkamp in Nederland zwaar onder druk gezet om afstand te doen van hun aanvraag.
Dit is de modus operandi van fascisten. Ze maken systemen zwakker, zodat ze die systemen later makkelijker aan kunnen vallen. Tegelijkertijd vergroten ze hun macht om mensen op te sluiten, geweld aan te doen en te deporteren. Dit wordt ook wel de Wet van Maslow genoemd, ook wel bekend als de “Hamerwet”: als je een hamer hebt, lijkt alles een spijker. Met deze wetgeving strooit de staat spijkers, terwijl ze gelijktijdig meer en grotere hamers verzamelt.
Zo is het verzet vanuit veel partijen tegen de strafbaarstelling van ongedocumenteerd verblijf vooral hypocriet. De wet zelf, alles bij elkaar, is uiteindelijk veel erger, veel wreder, dan slechts de strafbaarstelling van ongedocumenteerd verblijf. Wie voor deze wet stemt, wie deze wet uitvoert, is medeplichtig aan onmenselijkheid, en gooit alleen maar meer benzine op de tijdbom van Faber.
Bo Salomons
(Met dank aan Mariët van Bommel van Doorbraak-spreekuur De Fabel van de illegaal voor alle feedback tijdens het schrijven.)
