Digitaal kapitalisme is mijnbouw, geen luchtige, bijna onzichtbare “cloud” (Big Tech-serie, deel 2)

Illustratie door Zoran Svilar (CC BY-NC-ND 3.0, niets veranderd).

Big Tech probeert via abstracties als “cloud” (wolk) de uitputting van de natuur en de uitbuiting van en controle over arbeiders te verbergen. Maar die vormen de materiële basis van haar project om met het verhandelen van data (gegevens) geld te verdienen. Het grootste datacenter van Berlijn is gevestigd in een grijs gebouw zonder gezicht, tussen een belastingkantoor, twee dealers van tweedehands auto’s en een bouwmaterialenwinkel in de wijk Siemensstadt. Van buiten ziet dit datacenter er al helemaal niet uit als een wolk, een luchtige, onwerkelijke digitale ruimte. In het gebouw zelf staan ontelbare kasten vol met servers te zoemen, die daarbij heel veel fossiele elektriciteit en koelwater gebruiken om enorme datastromen te laten circuleren. De kolencentrale Reuter West, die niet ver van het datacenter ligt, voorziet in zijn grote energiebehoefte.

Big Tech-serie
– 1. Ongebreidelde, ongecontroleerde bedrijfsmacht
– 2. Digitaal kapitalisme is mijnbouw, geen luchtige, bijna onzichtbare “cloud”
– 3. Datamonopolie-kapitalisme
– 4. Digitaal geweld tegen vluchtelingen en migranten

Het lijkt onwaarschijnlijk dat dit gebouw van het Japanse telecommunicatiebedrijf NTT verband houdt met de geschiedenis van de buurt, die de industriële reus Siemens meer dan honderdtwintig jaar geleden liet bouwen voor de productie en huisvesting van zijn werkers. Maar toch maakt dit gebouw en de infrastructuur die het vertegenwoordigt het voor de rijkste en machtigste bedrijven ter wereld, de economische reuzen van onze tijd, mogelijk om te functioneren. Het is een manifestatie van de uitbuiting en extractivisme (mijnbouw) die de planeet teisteren en die steeds meer ons leven en onze sociale relaties koloniseren, door het verhandelen van gegevens over ons.

Amerikaanse Big Tech bedrijven, zoals de Alphabet (Google), Amazon, Apple, Microsoft of Meta (Facebook), maar ook grote Chinese firma’s zoals Alibaba, Tencent en Weibo, beweren graag dat data een nieuwe “grondstof” vormen die voor het grijpen ligt. Een grondstof die er op wacht om ontdekt te worden door kundige ondernemingen die de data eindelijk vrijmaken ten behoeve van de mensheid. Het laatste bedenksel van de financieel directeur van Google was bijvoorbeeld om in plaats van data “de nieuwe olie” te noemen, deze voortaan te vergelijken met “zonlicht”, wat inhoudt dat “data, in tegenstelling tot aardolie, een onuitputtelijke en eigendomsloze bron is waar we eindeloos uit kunnen putten”.

De bedrijven die zich deze gegevens toeëigenen en verkopen voor economisch gewin, verstoppen zich achter deze manier van praten en zij verbergen zo welke gegevens zij het waard vinden om te verzamelen en op te slaan, te labelen en te analyseren en hoe zij dit aanpakken. Het moffelt het geweld dat gepaard gaat met het winnen van de materialen die gebruikt worden voor de digitale transformatie weg, en ook uitbuiting die dat winnen met zich meebrengt. Of het nu gaat om het delven van metalen, het produceren van onderdelen, het slecht behandelen van gemeenschappen en hen beroven van hun vitale hulpbronnen, of het dumpen van giftig afval.

In plaats van gegevens te beschouwen als een hulpbron, zouden we ze moeten opvatten als menselijke ervaringen en sociale relaties. In zijn klassieker “The Great Transformation” beschrijft de Hongaars-Amerikaanse politiek econoom Karl Polyani het historische geweld dat nodig was om land, arbeid en geld om te zetten in handelswaar, om zo de marktmaatschappij te scheppen. Hoewel onze communicatie met vrienden of familie, het delen van onze intieme gedachten en ervaringen, onze lichaamsfuncties, en alles wat we gewoonlijk doen in ons dagelijks leven, niet bedoeld is om data te produceren, zet het digitale kapitalisme ze toch om tot gegevens en maakt er zo handelswaar van. Want deze data maken het mogelijk om gerichte advertenties op ons af te sturen. Het neo-liberalisme van de eenentwintigste eeuw is van plan om het menselijk leven zelf te veroveren en tot in het kleinste detail te vercommercialiseren.

Het verzamelen van gegevens

Digitalisering heeft een veel langere geschiedenis dan je zou denken. De eerste computers – bediend door vrouwen – werden gebruikt om de enorme hoeveelheid gegevens van volkstellingen aan het begin van de twintigste eeuw te verwerken. Regeringen wilden meer weten over hun burgers en hun sociaal milieu om hen nauwkeuriger te kunnen besturen. Mensen van wie zij gegevens verzamelden, abstraheerden bureaucraten tot een “bevolking”, met bepaalde eigenschappen.

Om te begrijpen hoe gegevens handelswaar konden worden is het belangrijk om de geschiedenis van de ict (informatie- en communicatie technieken) te kennen. Het internet en de meeste andere digitale technologieën – van microprocessors tot het gps (global positioning system, wereldwijd plaatsbepalingssysteem) en touchscreens die onze smartphones mogelijk maken – zijn ontstaan door overheidsinvesteringen en onderzoek van het militair-industriële complex van de VS, en in mindere mate Groot-Brittannië. De voorloper van het internet, het ARPANET, was bedoeld om de macht van de VS te versterken en om sociale onrust op het spoor te komen, zowel in het binnen- als in het buitenland.

Pogingen om computernetwerken voor centrale of democratische planning op te bouwen in de voormalige Sovjet-Unie of in Chili, tonen aan dat er alternatieven waren voor deze ontwikkeling. De regering Clinton (1993-2001) privatiseerde, naar het neo-liberale beleid van die jaren, het internet en gaf het bedrijfsleven de vrije hand om dat vorm te geven. Deze laat-maar-waaien aanpak duurde tot de jaren 2010, toen beleidsmakers in Noord-Amerika en vooral in Europa besloten om in te grijpen om de grootste excessen van Big Tech tegen te gaan.

Sinds de jaren zeventig had de financiële sector zich samen met de informatie- en communicatie-industrie ontwikkeld. Digitalisering maakte financialisering mogelijk en bood een breed scala aan mogelijkheden voor durfkapitaal. In de negentiger jaren werden bijvoorbeeld ongekende hoeveelheden durfkapitaal gepompt in internetbedrijven die zakelijk succes beloofden. De dot-com crash in het begin van de jaren tweeduizend deed die dromen vervliegen, maar bedrijven die gebaseerd waren op reclame bleven overeind. Hun modellen steunden op het verzamelen van gegevens die advertenties relevanter moesten maken, beter gericht op de wensen van specifieke gebruikers, zodat die meer zouden uitgeven.

Zo werd het verzamelen van gegevens onlosmakelijk verbonden met de ontwikkeling van het internet. Terwijl het publiek, terecht, zeer kritisch staat tegenover staatssurveillance, blijft surveillance door het bedrijfsleven vaak buiten schot, ondanks de nauwe samenwerking tussen Big Tech en het militair-industrieel complex. Op alle mogelijke manieren betrekken bedrijven internetgebruikers bij hun surveillance, zoals bijvoorbeeld bij het ontwerpen van spellen. Door spellen verslavend te maken proberen zij een maximum hoeveelheid informatie te oogsten.

Onderzeese kabels

Toen rond 1870 telegraafverbindingen westerse landen met hun koloniën begonnen te verbinden, met name via onderzeese kabels, was de materiële aard van communicatienetwerken goed zichtbaar. Een belangrijk voordeel voor Britse kabelmaatschappijen om de markt in de negentiende eeuw te kunnen beheersen was dat zij onderzeese kabels goed konden isoleren, omdat zij beschikten over guttapercha uit hun kolonie Malakka (West-Maleisië), een soort rubber, maar dan harder. De grootschalige winning ervan werd al snel een ecologische ramp. Want een onderzeese kabel vergde ruim zestig kilo guttapercha per kilometer, terwijl één enkele boom ongeveer driehonderd gram van dit materiaal opleverde. Toen de Britten in 1883 een verbod instelden op het kappen van de guttapercha-boom voor het aftappen van het sap, was zij in veel gebieden van het huidige Maleisië al uitgestorven. In het begin van de twintigste eeuw doorkruisten al ongeveer 370.000 kilometer kabels de oceaanbodem, gemaakt met het sap van naar schatting achtentachtig miljoen bomen.

Mondiale techreuzen financieren, bouwen en controleren steeds vaker nieuwe onderzeese kabels. In 2010 bezaten Amazon, Google, Meta en Microsoft slechts één zo’n langeafstandskabel. Tegen 2024 zullen dat er meer dan dertig zijn. Dit aantal omvat projecten zoals Google’s Equiano-kabel die de hele West-Afrikaanse kust verbindt of Meta’s 2Africa kabel die rond het hele continent gaat en aftakt naar de Golfstaten, Pakistan en India, waardoor drie miljard mensen gebruik kunnen maken van een tot nu toe ongekend grote capaciteit. Het bouwen van hun eigen kabels geeft Big Tech-bedrijven een geweldige technische en operationele controle – welk dataverkeer gaat waar naar toe, met welke snelheid – en eersteklas toegang tot de gegevens van onvoorstelbaar veel internetgebruikers.

Meta en Google kunnen zich de enorme kapitaalinvesteringen veroorloven die nodig zijn voor het leggen van deze kabels, aangezien geldschieters de potentiële inkomsten van nieuwe gebruikers als voldoende garantie zien. Nanjira Sambuli, een voorvechter van digitale rechten gevestigd in Nairobi, merkt op: “Wat vooral interessant is in de technopolitiek, is de haast om niet-aangeslotenen aan te sluiten en ze op een bepaald platform te houden. Omdat het allemaal om de gegevens gaat. Hoeveel gegevens kan ik krijgen over mensen, zodat ik advertenties kan verkopen, en ze verslaafd kan maken aan wat ik aanbied?”

Mijnbouw

De koloniale aard van de digitale economie wordt het best zichtbaar in de oude en nieuwe vormen van extractivisme. Zo is de productie van een exponentieel groeiend aantal digitale apparaten afhankelijk van de winning van zeldzame aardmetalen en sommige andere metalen, maar ook van fossiele brandstoffen voor hun transport. Mijnbouw heeft al heel wat verdedigers van mensenrechten, vaak van inheemse gemeenschappen, het leven gekost. De internationale ngo Global Witness meldt dat mijnbouwbedrijven in de afgelopen tien jaar meer dan 1.700 van deze voorvechters hebben laten vermoorden, terwijl er ongetwijfeld ook nog veel moorden niet gemeld zijn. Zowel de “groene” als de digitale transitie vergroten het mijnbouwkarakter van onze economie.

Veel van de publieke aandacht met betrekking tot cruciale metalen voor de digitale economie is terecht uitgegaan naar lithiumwinning in Bolivia, kinderarbeid en schuldslavernij bij “ambachtelijke mijnbouw” voor kobalt in de Democratische Republiek Congo, of naar geopolitieke conflicten rond zeldzame aardmetalen. Maar daarnaast is ook de winning van tin problematisch. Bij tin denk je eerder aan blikjes dan aan computers. Maar de hightech industrie gebruikt de helft van wat metaalbedrijven wereldwijd aan tin produceren. Dertig procent van de tin is afkomstig van de “tin-eilanden” Bangka en Belitung voor de kust van Sumatra, waar ongecontroleerde mijnbouw de rijke ecosystemen van het regenwoud veranderd heeft in giftige woestenijen. Ook het kustecosysteem, dat een bron van inkomsten vormde voor lokale vissers, heeft hij vernietigd en er stilstaande waterplassen laten ontstaan die broedplaatsen vormen voor muggen die knokkelkoorts en malaria verspreiden.

Kleine chips, veel vergif

Ook de hightech productie zelf is schadelijk voor de werkers en het milieu van hun gemeenschappen. Zo vervuilde de computerfirma IBM het grondwater van het Amerikaanse stadje Endicott met duizenden liters kankerverwekkende oplosmiddelen zoals trichloorethyleen en perchloorethyleen. Tijdens een rechtszaak van meer dan duizend inwoners van Endicott moest IBM de inhoud van een Corporate Mortality File (Bedrijfsdossier Sterftegevallen) openbaar maken. Toen bleek dat er al vanaf 1969 meer dan gemiddeld long-, darm- en borstkanker voorkwam. De vervuiling in Endicott is zeker niet uniek. De Santa Clara Valley, beter bekend als Silicon Valley, telt 23 locaties die ernstig vervuild zijn met gevaarlijke stoffen. Over de hele wereld kampen nog veel meer plaatsen met soortgelijke problemen.

Ondertussen hebben de hightech bedrijven van Californië en New York hun productie van microchips verplaatst naar goedkopere landen met minder strenge milieuregels, zoals “Silicon Island” (Taiwan) of “Silicon Paddy” (China). In 2002 vergde het maken van één bepaalde soort microchips driehonderd verwerkingsstappen. Hiervoor is erg veel elektriciteit, water en chemicaliën nodig. De Taiwan Semiconductor Manufacturing Company (TSMC) verbruikt bijvoorbeeld ruim zeven procent van de elektriciteit van Taiwan, en ruwweg 63 miljard liter water per jaar. Terwijl het land kampt met droogten als gevolg van de klimaatcrisis.

Koelwater

Toegang tot water speelt niet alleen een doorslaggevende rol bij de productie van halfgeleiders, maar ook bij de enorme serverparken die een onverzadigbare behoefte hebben aan elektriciteit en water voor hun werking en constante koeling. Bedrijven sluiten vaak speciale lange termijn waterovereenkomsten met gemeenten of staten. Nu er ten gevolge van de klimaatcrisis steeds meer sprake is van droogten is dat extra problematisch. Zo verbruikt bijvoorbeeld het reusachtige Data Center van de NSA (National Security Agency, de Nationale Veiligheidsdienst van de VS) in Utah, een van de droogste staten van de VS, naar schatting zes en half miljoen liter water per dag, waardoor lokale gemeenschappen en de natuur lijden onder watergebrek. De NSA weigerde aanvankelijk zelfs om deze gegevens vrij te geven, zogenaamd vanwege de “nationale veiligheid”. Discussies over beperking van het watergebruik liepen op niets uit, omdat de stad Bluffdale met de NSA een meerjaren waterleveringscontract gesloten had.

Wegwerpmensen

Uiteindelijk belanden digitale apparaten gezien hun korte levensduur vrij snel bij het afval. Wereldwijd komt dat neer op een gigantische hoeveelheid van ongeveer vijftig miljoen ton per jaar. Rijke landen exporteren het overgrote deel van hun digitale afval naar arme landen, van Noord-Amerika en Europa naar Nigeria of Ghana, van Japan naar China, van Singapore naar India. Het meeste afval belandt op stortplaatsen, waar zware metalen zoals lood, kwik, cadmium en andere giftige stoffen in de grond lekken en via het grondwater de gewassen en het drinkwater verontreinigen. Het behandelen van dit afval vindt plaats met ruwe en zeer giftige methoden, zoals verbrijzeling, verbranding in de open lucht en het onderdompelen van elektronica in zuren, om kleine restjes kostbaar materiaal te verzamelen die de werkers kunnen verkopen. De giftige dampen zijn speciaal gevaarlijk voor de kinderen die vaak op de stortplaatsen werken omdat zij de ontwikkeling van hun hersenen, zenuwstelsel en voortplantingsorganen schaden. Velen halen de twintig jaar niet, omdat ze al eerder bezwijken aan onbehandelde wonden, ademhalingsziekten en kanker.

Digitale werkers op de Filipijnen of in India die in dienst zijn van sociale media giganten krijgen te maken met pornografische en extreem gewelddadige of beledigende inhoud. Het bekijken van video’s van zelfmoorden, onthoofdingen, bloedbaden of seksueel misbruik van kinderen veroorzaakt ernstige psychische trauma’s. Zo erg zelfs dat sommige medewerkers een zelfmoordpoging doen. In tegenstelling tot medewerkers in de VS krijgen werkers in het mondiale zuiden geen behoorlijke psychologische ondersteuning of compensatie. Daardoor merken deze digitale werkers dat ze inwisselbaar zijn. Ze zijn wegwerpmensen geworden.

Maximilian Jung

Dit artikel is een sterk ingekorte versie van “Digital capitalism is a mine not a cloud – Exploring the extractivism at the root of the data economy”. Samenstelling, bewerking en vertaling: Jan Paul Smit.