“Nooit verzonden sollicitatiebrief” en andere zielenroerselen van een baanloze activist

Tijdens feestelijke bijeenkomst ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van de Bijstandsbond eind mei droeg Doorbraak-activist Harry Westerink een vijftal gedichten en andere teksten voor over zijn bestaan als baanloze arbeider. Een daarvan, “Niet reïntegreren, maar emanciperen”, publiceerden we al in mei, de andere vier zijn vandaag aan de beurt.
Herrijzenis
Halleluja. God zij dank. Ik besta weer. Ik was verdwenen, zoekgeraakt in de kaartenbakken van het Arbeidsbureau. Het Arbeidsbureau kende mij nauwelijks, aldus de bekentenis van een medewerkster werkgelegenheidsprojecten bij de Sociale Dienst, oneerbiedig ook wel “soos” genoemd. Ze hadden al jaren geen contact meer met mij gehad, daar bij het Arbeidsbureau. Ja, ik had me wel ingeschreven, eeuwen geleden, maar daarna was het bemiddelings- en begeleidingsproces abrupt tot stilstand gebracht. Liever gezegd, het was eigenlijk nooit op gang gekomen. Na een paar jaar waren ze mijn naam in de onafzienbare rijen van het arbeidsreserveleger tegengekomen, en toen hadden ze gemompeld: “Hm, dat meubelstuk hoort zeker bij de inventaris”. Sindsdien had men mij en mijn bestaan als baanloze genegeerd. Dat had een voordelige invloed op mijn gemoedsrust gehad.
De medewerkster werkgelegenheidsprojecten keek nogal op van het gebrek aan aandacht van de kant van het Arbeidsbureau. Ik beaamde haar opmerkingen, want ik meende uit de wervingscampagnes van het Arbeidsbureau te hebben begrepen dat men best wel wat kon betekenen voor baanlozen. Men was meer dan een kaartenbak. Dat kon ik me voorstellen. Behalve de kaartenbak bevond zich in het pand van de werkverschaffing hoogstwaarschijnlijk ook nog een telefoon en een computer. Misschien zelfs wel een kopieerapparaat. Misschien ook niet. Wist ik veel. Ik kwam daar nooit. En vacatures? Nee, die kon je in het Arbeidsbureau niet vinden, dat wist ik zeker. Dat hadden lotgenoten mij verzekerd. Als je die zocht, dan moest je je tot andere loketten wenden. Zoals het Job Centre, dat was baanzinnig goed. De waanzinnige banen lagen daar voor het oprapen. Maar ik liet mij niet gek maken. En zo was ik een naam op papier geworden, een nummer, een nul, een nono.
Ik stond op het punt om de soosmedewerkster van deze wijsheden deelgenoot te maken. Maar ik bleef zwijgen. Ik moest niet te hard van stapel lopen. Eerst zou ze moeten wennen aan mijn hernieuwde bestaan, aan mijn herrijzenis. Eraan wennen dat ik weer vlees en bloed was geworden. Dat zou ze dan aan het Arbeidsbureau duidelijk moeten maken. Ik hoorde het haar al zeggen: “Ja, ja hoor, hij haalt adem, en je kunt een goed gesprek met hem voeren.” De Here zij geprezen. Ik dank God op mijn knietjes. Ik besta weer voor de overheidsdienaren. Ze noemen mijn naam, ze bevestigen mijn bestaan, ze typen mijn registratienummer weer in. En men helpt mij om een zogenaamd traject uit te stippelen. Een pad op weg naar betaald werk. Ik leer weer lopen. Mijn handje wordt vastgepakt, mijn voetjes worden in beweging gezet en mijn hoofdje wordt aan het denken gezet over het gegeven dat ik mag, sterker nog, dat ik moet, moet intreden. Intreden in de asfaltjungle die maatschappij heet.
Ik word op het goede spoor gezet en beland met de Hoge SnelheidsLijn van de werkgelegenheid een half uur eerder bij de felbegeerde baan. Althans, zo zou het volgens het inburgeringscontract moeten gaan. Maar zo gaat het niet met mij. Het inburgeren vlot zo moeizaam. Ik ben te lang een schijndode geweest. Ik heb te lang in een sociale coma gelegen. De medewerkster weet ook niet goed wat ze voor me kan doen. Ik ben best nog jong. Maar straks val ik uit de boot. Ze zucht eens. Ze twijfelt. En tenslotte doet ze me een voorstel: “Misschien is een beroepskeuzetest wel wat voor je”. Mijn ogen glinsteren bij de gedachte alleen al. Een beroepskeuzetest, net iets voor mij. Net iets voor de beroepsdemonstrant die ik ben. Net iets voor een beroepsactievoerder, een leuzenroeper, een gediplomeerde barricadenbouwer. Misschien komt uit de test mijn ware roeping naar voren. Dan kunnen ze er niet meer omheen. Ze moeten me wijzen op die vacature van activist (m/v, 24 uur per week, voor één jaar, verlenging van het contract is niet uitgesloten, gezien de samenstelling van het personeel gaat de voorkeur uit naar een maatschappelijk gedesoriënteerde oudere jongere zonder toekomstperspectief). Ja, die vacature, die vacature bij een middelgrote onderneming in tuinbenodigdheden (tuinkabouters, sierheesters, klimop, dat soort dingen). En dan ga ik me de pleuris solliciteren. Want die baan moet en zal ik hebben.
Eerder verschenen in De Peueraar nr. 49, september 1994.
Schijt
Laten we het luid en duidelijk zeggen:
schijt aan de klootzakken
die ons leven vergallen
en zitten te neuzen in hun paperassen
op zoek naar een bewijs voor onze geboorte,
ons geslacht of onze huidskleur.
Schijt aan de regeltjesneukers
die van ons verlangen
dat we de voorgeschreven hoeveelheid zuurstof inademen
of beschimmelen op de aan ons toegekende oppervlakte
van vijf vierkante meter
of als een schoothondje hunkeren naar een telefoontje van het uitzuigbureau
om dan dankbaar een strontbaantje te aanvaarden
en keffend je baasje te likken aan z’n puistenkont en z’n drollen op te vegen
en z’n kloten te kussen en z’n ochtendkrant te halen
en op je blote knieën een aalmoes te ontvangen
waarmee je hondenbrokken kunt kopen,
een grijpstuiver waarmee je je in het weekend klem kunt zuipen
om even weg te dromen
en je voor een paar luttele uren te laven aan een pleziertje
en dan te denken dat je geen teckel bent,
maar een brulaap die het rijk alleen heeft.
Schijt aan de pennenlikkers
die enkel belangstelling hebben
voor de modelmens in hun eigen kop
en voor de formulieren
en pasjes en inschrijvingskaarten en diploma’s en verlengingsregistraties
en bewijzen van onvermogen en afschriften van bank en giro en akten
en vergunningen en vonnissen
waarmee ze jouw bestaan naar hun hand kunnen zetten,
terwijl ze zich van de domme houden
als jij je problemen van kop tot staart
als een rode loper voor hen uitrolt
en hen behoedzaam doch indringend verzoekt
om zich jezus-alle-christus eens bezig te houden
met de mens die tegenóver hen zit, de levende Jansen, ja,
de Henricus Jacobus Theodoor Jansen in bloedeigen persoon,
de Jansen die hen stijf gaat vloeken
als die godvergeten bureaucratenautomaten
zich hardnekkig en tegen beter weten in bezig blijven houden
met die tweede maar onechte Henricus Jacobus Theodoor Jansen,
die virtuele bastaard uit het dossier met nummer 26930-KF,
die gekloonde zombie op de harde schijf van hun computers.
Schijt aan allen
die ons verplichten om met documenten aan te tonen
wie we zijn en wat we zijn
en die ons op het matje roepen
om verantwoording af te leggen over de reden van ons bestaan.
Eerder verschenen in Gebladerte-reeks nr. 8.
Wie niet werkt
Wie niet werkt,
die zal niet eten
en zonder te vreten
heeft hij het geweten
en dan zal hij wel merken
dat hij moet werken
tot hij erbij neervalt
als zijn baas lalt en bralt
en er weer een bevel schalt
over de daken en pleinen
die de arbeider doet verdwijnen
als vleesgeworden meerwaarde
diep in de aarde,
onder de grond,
in de modder en de stront.
Wie niet eet,
die zal niet lang meer werken,
want dan gaat zijn honger buiten de perken
van zijn aangeleerde vermogen
om de uitbuiting te gedogen
en dat zullen de bazen en andere vlerken
wel merken,
want de arbeider zal zonder te eten
en misschien met uw medeweten
langzaam aan sterven
en bederven
en als een vod verrotten
zodra hij zich laat bedotten
door de dwazen die de bazen aanbidden
als meesters en goden
die waken over de levende doden
in het voorportaal van het kapitaal.
Eerder verschenen in Gebladerte-reeks nr. 26, maart 2004.
Nooit verzonden sollicitatiebrief
Geachte mevrouw, meneer,
Met belangstelling heb ik kennis genomen van uw advertentie
in een of andere krant van een of andere dag,
waarin u vraagt om een medewerker huppeldepup
voor 32 of 36 of 38 uur per week
of wellicht betreft het een deeltijdfunctie,
maar het zal me eerlijk gezegd verder ook een rotworst wezen
hoeveel uur ik bij uw bedrijf uit mijn neus zou kunnen gaan eten.
Met stijgende weerzin
en onder druk gezet door mijn bijstandsmaatschappelijk werker
laat ik u hierbij weten dat ik voor deze functie
alleen maar in aanmerking wil komen
omdat het systeem van vrije ondernemingsgewijze productie
mij dwingt om mijn lichaam en geest te verhuren
aan de eerste de beste kloothommel
die zoveel mogelijk meerwaarde uit mij probeert te persen.
Lees er de ouwe Marx maar eens op na.
Voor mijn persoonlijke gegevens en loopbaan verwijs ik u
naar het bijgevoegde curriculum vitae.
Graag wil ik daar het volgende aan toevoegen.
Altijd al heb ik aantoonbare belangstelling gehad
voor de uitstekende communicatieve vaardigheden
die volgens u tot aanbeveling strekken
en voor de flexibele houding naar uw veeleisende cliënten toe
en uiteraard voor de vereiste opleiding
die ik tevergeefs door middel van een eindeloze reeks
na-, bij-, her- en omscholingscursussen heb proberen te volgen.
Ook heb ik interesse voor de slagvaardigheid
waarmee uw ondergeschikten
een slaatje moeten slaan uit elke stoethaspel
die zich dankzij de mensonterende reclameboodschappen van uw bedrijf
volstrekt overbodige en waardeloze rommel laat aansmeren.
Bovendien maak ik u er attent op
dat mijn commerciële instelling nog voor mijn dood
al legendarisch is te noemen.
Ik weet zelfs mijn bloedeigen moeder te verkopen
aan de hoogstbiedende.
Eerder gisteren dan vandaag
had ik u op mijn blote knietjes willen smeken
om mij een of ander suf onbenullig baantje aan te bieden,
vooral ook omdat er een strafkorting op mijn uitkering dreigt
van 10 tot 100 procent
en ik dus wel moet solliciteren naar moeilijkheden,
dat wil zeggen: naar de mogelijkheid
om het arbeidsreserveleger na jarenlange trouwe dienst te verlaten.
Hoewel ik onbemiddeld en onbemiddelbaar ben,
toon ik mij bereid om mijn ervaring
met zogenaamd meelevende,
maar ondertussen geniepig in mijn vel knijpende
bijstandsmaatschappelijk werkers
in te zetten tegen andere onderkruipers van het staatsapparaat.
Wellicht komt dat u en uw bedrijf ten goede,
bijvoorbeeld bij uw ongetwijfeld stelselmatige pogingen
tot belastingontduiking.
Graag zou ik uitgenodigd worden voor een persoonlijk onderhoud,
waarbij ik mijn motivatie voor de onderhavige vacature
mondeling kan toelichten
en uw smoel en dat van de overige leden van de sollicitatiecommissie
ook eens van dichtbij kan bekijken.
In afwachting van uw antwoord verblijf ik
nog wel een tijd in het arbeidsreserveleger.
Hoogachtend,
een beroepsbaanloze
Eerder verschenen in Gebladerte-reeks nr. 26, maart 2004.
