Anti-fascisme: waarom deplatforming de juiste strategie is!

Op de website van Rood, Paraat!, vindt sinds een week een belangrijke discussie plaats over de strategieën van het anti-fascisme. Het begon met “‘Geen podium’ is geen strategie: bestrijd FvD in het openbaar” van Naomi Tyralla en Tom Steenblok. Daarop reageerde Niels met “Debat is een kwestie van tactiek, ook met fascisten”. Vervolgens reageerde AFA Nederland, die daarna op hun eigen website verder gingen: “Ga niet in debat met fascisten!” Vandaag reageerde onze vaste gastauteur Bo Salomons. Zijn reactie nemen we hieronder integraal over.
Deze laatste dagen is er een goed, inhoudelijk debat gevoerd over de vraag of men in debat moet gaan met fascisten. Tyralla en Steenblok stellen kort gezegd van wel, omdat deplatforming te veel een beroep doet op instanties zoals de staat, de partijen, en andere instellingen. AFA Nederland ontkent dit, en stelt dat de debatstrategie, gezien de grootte van extreem-rechts, heeft gefaald. Niels zoekt de middenweg, en stelt dat er soms wel en soms geen reden is om met fascisten in debat te gaan. Met dit stuk doe ik een duit in het zakje, en stel ik dat deplatforming een legitieme strategie is en dat er onder de meeste omstandigheden beter geen debat gehouden kan worden met fascisten.
Deplatforming
De schrijvers van het originele stuk over deplatforming stellen dat het een zwaktebod is om je te baseren op wat zij “burgerlijke instanties” noemen: universiteiten, media, de staat, enzovoorts. Door hen op te roepen om geen platform te bieden aan fascisten, zouden anti-fascisten zich te veel baseren op repressie van die instanties, die vervolgens ook tegen radicaal-linkse organisaties gebruikt zou kunnen worden.
Belangrijk hier is dat deplatforming nooit als doel heeft om een organisatie meer macht te geven dan ze al hebben. Universiteiten, media en dergelijke hebben al de macht om uit te nodigen wie ze willen. Die macht gebruiken ze om fascisten een platform te geven. Het geven van een platform is geen neutrale handeling; het is een legitimering van hun gedachtegoed, inclusief hun haat richting links. Door te ageren voor deplatforming en door anti-fascisme gemeengoed te maken, wordt de positie van linkse denkbeelden juist versterkt, niet verzwakt. We organiseren druk van onderop, geen macht van bovenaf.
Zonder het expliciet te zeggen, stellen de schrijvers van het originele stuk zo een afhankelijkheid van die “burgerlijke instanties” voor. Door niet tegen het platformen van fascisme te ageren, hopen de schrijvers dat de “burgerlijke instellingen” tijd en ruimte geven aan (in dit geval) communisten om ook hun mening te uiten. Juist dat is afhankelijkheid. We hoeven daarnaast niet te speculeren over een situatie waarin communisten geen platform krijgen, want dat is de wereld waarin wij leven. Radicaal-linkse initiatieven, standpunten en organisaties worden al doodgezwegen, terwijl fascisten ruim baan krijgen om hun drek overal te spuien. Het is naïef om te denken dat een échte revolutionaire beweging zendtijd zal krijgen, puur omdat die beweging fascisten hetzelfde zou gunnen.
Het stuk onderschat mijns inziens in grote mate het gevaar dat fascisme vormt, mede door een verouderde definitie van fascisme als anti-communistische massabeweging. Dit klopte in de jaren dertig van de vorige eeuw: het fascisme had knokploegen nodig om zich te verweren tegen de rode milities die hen het leven zuur maakten. Die massabeweging hebben ze vandaag de dag niet nodig, omdat radicaal-links óók niet beschikt over een massabeweging. Fascisten komen nu simpelweg via de stembus en door hun mars door de instituties aan de macht, terwijl radicaal-links nu nog een marginale kracht is in de samenleving.
Het stuk schijnt ervan uit te gaan dat fascisme pas écht wordt als het een massabeweging vormt. Dat is een ernstige onderschatting. In de VS kunnen we zien dat fascisme ook (of juist) kan zegevieren als er geen noemenswaardige linkse oppositie is. In plaats van een paramilitaire knokploeg als de SA maakt Trump gewoon gebruik van het staatsapparaat om een officiële knokploeg in elkaar te zetten, die evengoed als een fascistische “massabeweging” in staat blijkt om concentratiekampen te bemensen, oppositie te vervolgen en verzet te vermoorden. Daarbij had hij overigens geen legitimering nodig, anders dan de legitimering die na vijfentwintig jaar ‘war on terror’ allang bestaat.
Deplatforming is bewezen effectief. Meerdere extreem-rechtse organisaties zijn gedecimeerd of geheel kapot gemaakt door een combinatie van onderzoek en onthulling (bijvoorbeeld door Kafka), en actieve druk van onderop op media, partijen en universiteiten. Als alternatief bieden de schrijvers weinig meer dan “de confrontatie aangaan”, wat zogenaamd zou bestaan uit het opzetten van een revolutionaire massapartij. Ik hoop dat het anti-fascisten wordt vergeven als we op basis van die vaagheid niet een belangrijk wapen uit handen geven, puur in de ijdele hoop dat de RSP ooit aan mag schuiven bij de avocado van Eva Jinek.
In debat?
Voor de vraag of je in debat kan gaan met fascisten, moeten we onderscheid maken tussen twee vormen van debat. Er is het abstracte “maatschappelijk debat”, dat zowel overal als nergens gevoerd wordt. Het maatschappelijk debat vindt plaats op de werkvloer, in het café, op de sportvereniging, op het internet, en ook via brieven gericht op websites van radicaal-linkse organisaties. Geen enkele anti-fascist, ongeacht overige politieke overtuiging, zal ontkennen dat wij in die zin in ‘debat’ zijn met fascisten. Wij (radicaal-linksen, communisten, anarchisten, socialisten, etcetera) hebben, zoals Niels dat terecht opmerkt, een analyse die in beginsel meer te bieden heeft dan de sugrofobe, racistische politiek op extreem-rechts. Daarover moeten we in gesprek, ook met mensen die extreem-rechts gestemd hebben.
Maar het debat bestaat ook in een tweede vorm, en dat is de vorm die in deze discussie van belang is: het georganiseerde, openbare gesprek (al dan niet uitgezonden) tussen personen met een tegengestelde mening. We kennen het debat uit de parlementaire politiek, maar ook uit verkiezingstijd, waarbij media en (maatschappelijke) organisaties deze debatten houden. Deze vorm van debat is diep geworteld in de idealistische, liberale ideologie waarin “het beste idee” wint in de “vrije markt van ideeën”. In deze ideologie wordt een intrinsieke kracht toegekend aan de waarheid, waarbij het moderne debat gelijkenissen vertoont met het Germaanse judiciële duel; een trial-by-combat waarin de winnaar wordt geacht door de goden gesteund te zijn.
Wie dat idealisme loslaat, ziet dat die laatste debatvorm alleen zin heeft als er aan een paar grondvoorwaarden wordt voldaan. Allereerst moeten de debatteerders en hun toehoorders een gemeenschappelijk belang hebben (en dat weten), terwijl zij alleen twisten over de wijze waarop dat belang het beste verdedigd kan worden. Met andere woorden: de debatteerders moeten in theorie over te halen zijn tot elkanders gezichtspunt. Zonder gemeenschappelijk belang komt elk debat neer op het herhalen van het fundamentele discussiepunt. Daarnaast moet er streng gemodereerd worden, en moeten onwaarheden onmiddellijk weerlegd worden door een externe, betrouwbare moderator. Deze bestaat natuurlijk alleen als de debatteerders het eens zijn over een methode waarop de waarheid achterhaald kan worden.
Aan die grondvoorwaarden voldoen de meeste debatten vanzelfsprekend niet. Dit is niet toevallig: mediadebatten worden georganiseerd door de burgerlijke media, die volledig zijn bevangen door het liberale idealisme. Hun belang bij een debat is dat het “knettert”, dat het oogballen trekt die na de reclame verder willen kijken. Niels maakt terecht de opmerking dat media maar wat graag radicalen tegenover elkaar zetten. Maar daarom hebben media ook geen belang bij fact-checking of waarheidsvinding.
Sterker nog, bij debatten waarbij onwaarheden worden weersproken, zeggen fascisten meestal af. Hun enige doel is de macht grijpen, en ze hebben daarbij geen enkele loyaliteit richting de mensen die ze zeggen te willen helpen. Daarom maken ze in hun propaganda veelvuldig gebruik van leugens, die snel zijn verzonnen maar langzaam worden ontkracht. En als de tegenstander niet onmiddellijk elke onwaarheid ontkracht, kan het publiek de indruk krijgen dat het waarheid is. Deze tactiek heet de “gish-gallop”, en is de voornaamste reden om niet in debat te gaan met fascisten.
Vervolgens worden die debatten, als ze genoeg “knetterden”, nabesproken op programma’s als Vandaag Inside (niet voor niets een sportprogramma) en Café Kockelmann, waar de zogenaamde “linkerflank” wordt gevormd door VVD-ers voor wie concentratiekampen nét iets te ver gaan. Deze figuren weten altijd linkse argumenten te verdraaien of verkeerd voor te leggen, en mocht dat niet werken, dan doen ze het af met “maar Stalin! Maar Mao!”. Anarchisten onder ons hebben het geluk dat Johan Derksen nog nooit van Nestor Makhno heeft gehoord. Wie onder deze materiële omstandigheden verwacht dat de linkse waarheid als door magie door deze bullshit snijdt, denkt nog te veel in idealistische termen.
Sowieso moeten we niet te veel waarde toekennen aan het debat, of dit nu een georganiseerd moment of een maatschappelijk debat is. We bevinden ons immers niet in een ideeënstrijd, maar in een materiële strijd. Zoals het Eenheidsfrontlied stelt: “Geklets geeft [hen] geen volle maag, daar komt geen maaltijd van”. De mogelijkheid van mensen om leugens en waarheid te onderscheiden is over de decennia geheel verwoest, óók bij mensen die zichzelf radicaal-links noemen. Het meest overtuigende dat je dan kan doen, is de daad bij het woord te stellen. Een arbeider is het meest ontvankelijk voor kritiek op kapitalisme als je zij aan zij met die werker aan het staken bent. Een huurder hoort graag hoe kwaadaardig huisbazen zijn als je met je lichaam hun huisuitzetting voorkomt. Als je een eetcafé organiseert, dan komen de mensen die hongeren naar eten en gemeenschap naar je toe.
Bovendien leer je als radicaal-linkse denker waarschijnlijk meer van deze mensen dan zij van jou.
Om af te sluiten een relativerende boodschap: uiteindelijk hangt onze strijd niet af van één debat. Wie denkt dat één geniale strategie, één geniale denker of dat ene geniale idee de revolutie teweeg gaat brengen, die zal snel teleurgesteld raken. We zijn verwikkeld in een uitputtingsslag met het fascisme. Onderling debatteren is nuttig, en heeft zin gezien onze gezamenlijke belangen. Echter, we moeten niet wachten tot we denken de perfecte strategie te hebben. Dat soort purisme werkt slechts vertragend. De ervaring is uiteindelijk de beste leermeester, en de enige manier om onze fouten écht fataal te maken, is door er vervolgens niet van te leren.
Bo Salomons
(Deze discussiebijdrage verscheen eerder op Paraat!)
