Kan de beweging van kleine boerinnen een belangrijke rol spelen in een grote verandering van het wereldsysteem? (deel 1)

Voedselsoevereiniteit, gelijkheid en zorg voor al wat leeft, met respect voor de grenzen van onze planeet
Van de negentiende eeuw tot het einde van de twintigste eeuw heerste de overtuiging dat de industriearbeiders voorbestemd waren om de wereld te veranderen. Dat kleine boeren, landarbeidsters en inheemse bevolkingen op vergelijkbare wijze de drijvende krachten achter een grote verandering van het wereldsysteem zouden kunnen zijn, leek voor de meeste deskundigen onzin, ketterij. Ondertussen zijn we gestuit op de grenzen van onze planeet en is het industriemodel in een crisis geraakt. Door de wanstaltige rijkdom van een handvol miljardairs, tegenover toenemende armoede voor velen, en door een serie weerzinwekkende oorlogen is de roep om gelijkheid en vrijheid luider dan ooit. Laten we daarom eens kijken wat de alternatieven en de strijd van kleine boerinnen samen met andere “natuurbeheerders” in deze niet zo gemakkelijke tijd kunnen betekenen.
Kan de beweging van kleine boerinnen een belangrijke rol spelen in een grote verandering van het wereldsysteem?
1. Boeren en strijd tegen onderdrukking door de eeuwen heen
2. Vrijheid en gelijkheid voor iedereen opnieuw uitvinden
3. Concrete acties voor sociale verandering waarin zorg en zelfbestuur centraal staan
Inleiding
La Via Campesina is een koepel van honderdtachtig organisaties van kleine boeren, in eenentachtig landen met in totaal meer dan tweehonderd miljoen leden. Ze bestaat al meer dan dertig jaar. Toen ik een paar jaar geleden aan mijn termijn als algemeen coördinator van deze organisatie begon, stelde een vriend me een paar vragen: “Denk je dat het de goede kant op gaat in de wereld?’ Gezien de pandemie, de toename van honger en oorlogsgeweld, de groei van extreem-rechtse partijen en het steeds verder uit de hand lopen van de klimaatcrisis, was het moeilijk om “ja” te antwoorden. “Denk je dat sociale bewegingen goed bezig zijn?” Lastige vraag. “Wat zou er nodig zijn om de problemen van onze tijd op te lossen?” Sindsdien blijven deze vragen me bezighouden. Wat zouden wij van La Via Campesina kunnen betekenen? Sinds 1993 heeft onze organisatie, zonder enig vooraf bedacht plan, via vele discussies gekozen voor een aantal thema’s voor een menswaardige toekomst: voedselsoevereiniteit, agro-ecologie, boerenrechten, en boereninnen-feminisme. Dit kunnen bouwstenen worden voor een nieuwe samenleving.
Van voedselsoevereiniteit in 2007 naar wereldverandering in 2025
Sinds 1996 eist La Via Campesina “voedselsoevereiniteit”, dat wil zeggen dat de mensen die voedsel produceren, verspreiden en consumeren het beleid van de voedselproductie en -distributie moeten bepalen, in plaats van de grote bedrijven. Deze eis ontstond aanvankelijk als tegenhanger van de term “voedselzekerheid”, waar verschillende wereldvoedseltoppen zich mee bezighielden. Daarbij ging het alleen om het aantal calorieën dat nodig is om te overleven, zonder rekening te houden met de culturele en politieke aspecten van voedsel. Voorstanders van voedselzekerheid gebruikten de strijd tegen honger als voorwendsel om landen ertoe aan te zetten zich open te stellen voor economische globalisering. Zij stelden dat het voor landen mogelijk was honger te overwinnen door zich te specialiseren in de productie en export van een klein aantal goederen of diensten waarin een ze in vergelijking met andere landen een bepaald voordeel hadden, en met de inkomsten daarvan voedsel tegen lage prijzen te importeren uit landen waar de landbouwproductie ‘efficiënter’ was. Voedsel zou op die manier goedkoop worden en de armen zouden het dan kunnen betalen. Maar in de praktijk zijn “de armen” vaak de mensen op het platteland, die op kleine schaal voedsel produceren. Goedkope import vernietigt hun inkomsten en maakt hen nog armer.
In 2007 bracht het eerste Nyéléni-forum voor voedselsoevereiniteit in Sélingué, Mali, een groot aantal van heel verschillende organisaties van kleinschalige producenten (boeren, vissers, veehoudsters), inheemse bevolkingen, milieuorganisaties, feministische organisaties en arme stadsbewoners uit de hele wereld bijeen om gezamenlijk een strategie uit te stippelen. De destijds opgestelde definitie van voedselsoevereiniteit benadrukt het belang van lokale en “cultureel passende” voedselproductie, en stelt degenen die voedsel produceren, verspreiden en eten centraal in voedselsystemen en -beleid, in plaats van markten en bedrijven. In 2015 vond het tweede Nyéléni-forum plaats, eveneens in Sélingué, Mali, met als thema “agro-ecologie”. Dat is een meer uitgebreide vorm van biologische landbouw. Het doel was om een beter begrip te krijgen van het verband tussen landbouwmethode en voedselsoevereiniteit. In september 2025 richtte het derde Nyéléni-forum, in Sri Lanka, zich op “voedselsoevereiniteit en verandering van het wereldsysteem”. Nog meer organisaties dan voorheen kwamen bij elkaar om te bespreken hoe we de zeer ernstige crises van onze tijd het hoofd kunnen bieden. Het doel was om, met het uitgangspunt dat voedsel een basisbehoefte is, gezamenlijke strategieën te ontwikkelen om de huidige impasse te doorbreken, nu ons voortbestaan op het spel staat door alle negatieve ontwikkelingen.
Onzekere tijden
We leven in een tijd van grote onzekerheid over de toekomst. Dat is niets nieuws. Nieuwe ontwikkelingen hebben ons telkens weer verrast. Het verschil is wel dat we er op dit moment zeker van kunnen zijn dat enorme en ingrijpende rampen in de komende decennia de wereld en ons dagelijks leven zullen verstoren, op een schaal die moeilijk voor te stellen is. De ontwrichting is voorspelbaar, maar het verloop ervan is zo slecht te voorzien dat het lastig is om ons er goed op voor te bereiden. De meest voorkomende houding is dan ook om de kop in het zand te steken en net te doen alsof alles wel gewoon door zal gaan.
Het huidige kapitalistische economische model is afhankelijk van economische groei. Toch kan groei niet alsmaar doorgaan op een eindige planeet. Deze tegenstrijdigheid is met name acuut op het gebied van energie. Het productiemodel dat in de negentiende eeuw ontstond is gebaseerd op grootschalige gebruik van fossiele brandstoffen en breidde zich na 1945 wereldwijd uit. De explosieve toename van het olieverbruik, met name in het mondiale noorden, heeft de huidige klimaatcrisis veroorzaakt. Fossiele brandstoffen hebben het gebruik van veel machines mogelijk gemaakt en daarmee de productie van van alles en nog wat enorm vergroot en het vervoer van mensen en goederen reusachtig uitgebreid. Maar dit model stuit op twee belangrijke grenzen. Ten eerste: hoewel er nog enorme hoeveelheden fossiele brandstoffen onder de grond zitten, wordt de winning ervan steeds duurder, omdat de hoeveelheid energie die nodig is om de moeilijk bereikbare olievoorraden aan te boren steeds groter wordt. Volgens het International Energy Agency (IEA, Internationaal Energieagentschap) zal het olieverbruik daardoor tegen 2030 beginnen af te nemen, ook al zal het nog steeds op een hoog niveau blijven. Ten tweede is het buitensporige verbruik van fossiele brandstoffen de belangrijkste oorzaak van de klimaatcrisis.
Om ‘gewoon’ door te gaan met het verstoken van onbeperkte hoeveelheden olie, gas en steenkool, kiezen sommige staten, met name die waar extreem-rechts de scepter zwaait, ervoor om het bestaan van klimaatverandering of het verband daarvan met fossiele brandstoffen simpelweg te ontkennen. Andere landen en blokken, zoals China of de Europese Unie, beweren een ‘groene transitie’ tot stand te brengen door fossiele brandstoffen te vervangen door wind- en zonne-energie en waterkracht. Maar tot nu toe zorgen de hernieuwbare energiebronnen slechts voor een aanvulling van de energie uit fossiele brandstoffen, en geen vervanging ervan. De winning van enorme hoeveelheden aardolie, steenkool, aardgas, metalen, hout en noem maar op vormt een aanslag op de lokale ecosystemen. Om de aantasting van die ecosystemen binnen haar eigen grenzen te beperken, probeert de Europese Unie haar “strategische voorraden” veilig te stellen door nieuwe ‘vrij’handelsovereenkomsten met landen in het zuiden van de wereld te sluiten. Want een vermindering van het energieverbruik zou een beperking van de macht van de EU betekenen, en geen enkel land lijkt daartoe bereid. De wereldmachten streven er openlijk naar om beslag te leggen op voldoende grondstoffen om op de oude voet door te kunnen gaan, om zo hun wereldwijde invloed en hun “levenswijze” te behouden. Zij verhogen hun militaire uitgaven om via geweld te kunnen afdwingen wat zij via redelijk overleg niet in handen kunnen krijgen. Er is een algemene herbewapening aan de gang. “Er zal niet genoeg zijn voor iedereen” is het motto geworden van de wereldleiders om hun gevaarlijke beleid goed te praten. Het besef dat de wereld eindig is, leidt dus niet tot een betere verdeling van de mondiale rijkdom, maar juist integendeel tot een sfeer van pakken-wat-je-pakken-kan, desnoods met wapengeweld.
Deel 1 van dit artikel zal zich richten op de rol van boerinnen in bewegingen voor meer gelijkheid door de eeuwen heen. Want mensen van het platteland hebben altijd al een belangrijke rol gespeeld in de strijd voor gelijkheid en vrijheid voor iedereen. Het tweede deel laat zien hoe opvattingen van gewone mensen vrijheid en gelijkheid weten te verzoenen met de beperktheid van natuurlijke hulpbronnen. Het derde deel zal zich richten op concrete voorstellen van sociale bewegingen en eindigt met een paar strategische opmerkingen.
Deel 1. Boeren en strijd tegen onderdrukking door de eeuwen heen
Vrijheid en gelijkheid: een gemeenschappelijk streven vanuit alle uithoeken van de aarde
Steeds meer antropologen zijn van mening dat de strijd voor gelijkheid, of liever gezegd de strijd tegen overheersing, altijd al een kenmerk is geweest van menselijke samenlevingen. De ‘grote beschavingen’ – de Chinese, Indiase, Inca, Azteekse, Griekse, Romeinse, enzovoort – waar machtige staten erin waren geslaagd om de heerschappij van een elite op te leggen aan een meerderheid van (half) tot slaaf gemaakte bevolkingsgroepen, werden omringd door gebieden die deze regiems bestreden, en van binnenuit bedreigd door opstanden.
Het streven naar vrijheid en gelijkheid is van alle tijd, net als de tegenbeweging van een minderheid – gewetenloze koningen of godsdienstige hoogwaardigheidsbekleders – om hun wil op te leggen. Boerinnen en inheemse bevolkingen over de hele wereld hebben hierbij vaak een sleutelrol gespeeld. Gelijkheid betekent dat niet dat iedereen hetzelfde is. Integendeel, het gaat erom de immense diversiteit van mensen te erkennen, dat niemand van nature meer of minder waard is dan een ander, en dat niemand de tot slaaf gemaakte hoeft te zijn van een ander. Er is geen geldige reden – of het nu gaat om geslacht, leeftijd, gezondheid, rijkdom, sociale status, godsdienst, nationaliteit of huidskleur – waarom de ene mens over de andere de baas zou mogen spelen. Grote verschillen in rijkdom veroorzaken vaak onderdrukking, want de rijken zijn in staat om de armen hun wil op te leggen.
Volgens de gangbare ideeën van deskundigen kennen groepen van jager-verzamelaars weinig ongelijkheid en zijn landbouw samenlevingen hiërarchisch. Dat blijkt niet juist te zijn. In werkelijkheid waren sommige samenlevingen van jager-verzamelaars zeer ongelijk en gebaseerd op slavernij, net zoals sommige agrarische gemeenschappen een grote gelijkheid kenden. Terwijl er ook groepen waren die landbouw en jagen-verzamelen combineerden, en soms per seizoen wisselden. Het is waar dat staten pas konden ontstaan nadat een bepaald type landbouw was ontwikkeld, vaak gebaseerd op de verbouw van granen, maar ook dat betekent niet dat het voor landbouwsamenlevingen onmogelijk was om een grote mate van gelijkheid te kennen. Ongelijkheid en onderdrukking zijn dus niet onvermijdelijk: het zijn altijd al een historische, sociale en politieke constructies geweest.
Radicale ongelijkheid – de opkomst van het ‘liberalisme’ van een handvol rijke families en de strijd van boerinnen daartegen
Vanaf de zestiende eeuw stelde de combinatie van imperialisme en kapitalisme, gesteund door nieuwe theorieën, een aantal Europese landen in staat om hun macht in andere werelddelen enorm uit te breiden. Deze megamachine is een technisch, economisch en politiek systeem dat een Europese elite heeft ontwikkeld na de verovering van Amerika en dat draait om overheersing, georganiseerd geweld en de alomtegenwoordigheid van machines. De nieuwe machthebbers rechtvaardigden de onderwerping van zwarte, bruine en inheemse bevolkingen door witte mannen met racistische en seksistische theorieën. De nieuwe wetenschappen schilderden ondertussen de natuur af als gevoelloos, hersenloos “materiaal”, dat de mens moest zien te beheersen en benutten.
De Europese elites bliezen de klassieke Grieks-Romeinse idealen nieuw leven in, met name die van “vrijheid”, die echter uitsluitend voorbehouden was aan mannen die tot slaaf gemaakte mensen bezaten. Deze heren waren zodoende bevrijd van handenarbeid en verzorgend werk en konden zich wijden aan lezen, nadenken, schrijven en discussie. Het ging bij de Griekse ‘democratieën’ om nauwelijks vijftien procent van de bevolking, omdat vrouwen en tot slaaf gemaakten niet meetelden. De Engelse en Amerikaanse revoluties van de zeventiende en achttiende eeuw versterkten deze zeer beperkte opvatting van vrijheid, die voorbehouden was aan mannen “van goede komaf”. De onderwerping van vrouwen, boeren, arbeidsters en zwarte tot slaaf gemaakte mensen – kortom, de overgrote meerderheid van de wereldbevolking – vormde de basis van het “ras van heren”, die onderling gelijk waren en veel vrijheid genoten.
De ‘liberale’ ideologie die zich vanaf de achttiende eeuw ontwikkelde, verzette zich niet tegen deze beperkte opvatting van “vrijheid”. Sterker nog, zij rechtvaardigde zelfs de verschrikkelijke uitbuiting door slavernij en kolonialisme op het Amerikaanse continent en in het Caribisch gebied. Net zo was het in stand houden in Europa van een enorme, ellendige meerderheid, die zuchtte onder het juk van uitputtende arbeid, zonder enige burgerlijke of politieke rechten, voor de liberale denkers niet in strijd met hun ideaal van vrijheid, maar juist de voorwaarde voor de vrijheid van enkelen. Degenen die voor hun voortbestaan afhankelijk waren van hun werk, waren niets meer dan “wilden” of “arbeidsmachines” en het erkennen van hun rechten beschouwden de liberalen domweg als “ketterij”.
Brede bewegingen van over de hele wereld met hun rijke geschiedenissen hebben deze aristocratische opvatting van vrijheid altijd al in twijfel getrokken. Maar aangezien de heersende klasse de geschiedenis schrijft – en het schrijven zelf is ontstaan als een instrument om anderen te tiranniseren – zijn er maar weinig verslagen van deze grote opstanden bewaard gebleven. In landen die het slachtoffer waren van de meedogenloze koloniale veroveringen, kwam de bevolking massaal in opstand, waarbij velen er de voorkeur aan gaven zichzelf op te offeren in een wanhopige strijd in plaats van zich te laten onderwerpen. In Europa kwamen aan het begin van de zestiende eeuw honderdduizenden boeren, ambachtslieden en arbeidsters in opstand, precies op het moment dat de megamachine van het kapitalisme haar vernietigend werk begon. Ze staken kastelen en kloosters in brand, met name de archieven waar de geestelijkheid en de adel de documenten bewaarden die hun rechten op land en herendiensten beschreven. De “Duitse Boerenoorlog” van 1524–1525 is waarschijnlijk de eerste keer in de geschiedenis dat de eisen en verlangens van de gewone mensen op papier kwamen te staan. Met name de brochure over de twaalf Artikelen van Memmingen, die in meer dan 25.000 exemplaren werd gedrukt, verzet zich tegen ongelijkheid, eist het recht op om eigen vertegenwoordigers te kiezen en stelt dat iedereen toegang moet hebben tot de gemeenschappelijke gronden.
In 1789 ging de Franse Revolutie – die aanvankelijk, net als de Engelse en Amerikaanse revoluties, werd aangevoerd door rijke, machtige mannen met een ruimdenkende achtergrond – al snel een hele andere kant op. Witte Engelse denkers waren al eerder en sterker dan algemeen gedacht onder invloed van hun inheemse Amerikaanse collega’s gekomen, die scherpe kritiek hadden op de Europeanen vanwege hun uitbuiting, uitsluiting en slavernij. De bekende begrippen van de Franse revolutie van “vrijheid, gelijkheid en broederschap” kregen daardoor een andere betekenis. Terwijl de bevolking van Parijs bij de Bastille de wapens opnam, kwamen in het hele land boerinnen in opstand en staken ze de kastelen en kloosters in brand omdat de adellijke heersers en de geestelijken grote stukken van het land in beslag genomen hadden en de lijfeigenen en kleine boeren dwangarbeid oplegden. De revolutionaire druk was zo groot dat de indeling van de samenleving in “kasten” (de geestelijkheid, de adel en de derde stand) werd afgeschaft, en dat de eerste twee hun voorrechten kwijtraakten. Maar de felle debatten en het herhaaldelijke terugkrabbelen over slavernij maakten duidelijk dat degenen die alleen in vrijheid geloofden voor de het “voorname ras” (de witte mensen) nog lang niet verslagen waren. Slavernij werd in 1789 in Frankrijk officieel afgeschaft, maar kolonisten in Saint-Domingue (het huidige Haïti) weigerden zich hieraan te houden. Zij hadden hadden machtige bondgenoten in Parijs en dreigden over te lopen naar de Verenigde Staten.
De Haïtiaanse Revolutie (1791-1804) was bijzonder succesvol. De slavernij werd er voorgoed afgeschaft, en hij was een bron van inspiratie voor slaafgemaakten overal in Amerika. In Frankrijk draaide Napoleon in 1802 de officiële afschaffing van de slavernij in de kolonies terug. Haïti wist in 1804 onafhankelijk te worden. De drie zogenaamde ‘liberale’ mogendheden – Engeland, de Verenigde Staten en Frankrijk – vormden een verenigd front tegen de eerste zwarte republiek, die als enige de beginselen van gelijke waardigheid en vrijheid van alle mensen in de wet had verankerd. De Zuid-Amerikaanse revoluties onder leiding van Simón Bolívar tegen Spanje aarzelden een tijdlang tussen de twee modellen: het Amerikaanse, dat voorstander was van slavernij en gedomineerd werd door de kolonisten, en het Haïtiaanse, waar de slavernij afgeschaft was. Het bezoek van Bolívar aan Haïti en het sturen van duizenden Haïtiaanse soldaten ter ondersteuning van de Colombiaanse onafhankelijkheidsstrijd deden de balans doorslaan in het voordeel van het Haïtiaanse model.
Boeren: van strijd voor gelijkheid tot instrument van de nationalisten
Terwijl deze felle strijd woedde om vrijheid en gelijkheid voor iedereen zette de industriële revolutie alles op zijn kop en leek fantastische nieuwe mogelijkheden te bieden. Vanaf de negentiende eeuw zorgden het vertrouwen in technische vooruitgang en de enorme hoeveelheid energie die steenkool opleverde ervoor dat het mogelijk leek om alle mensen te bevrijden van het geploeter om te overleven. Dat zou het einde betekenen van de wereld tot dan toe waar de vrijheid van enkelen gebaseerd was op de onderdrukking van velen. Gelijke rechten en vrijheid voor iedereen kwamen binnen handbereik door de beheersing van de natuurkrachten, getemd door de kennis en de vindingrijkheid van de moderne wetenschap. “Zonder de stoommachine kunnen we de slavernij niet afschaffen”, stelde Marx.
Het ideaal van gelijkheid voor iedereen in combinatie met de groei van de industrie leidde tot de gedachte dat fabrieksarbeiders een centrale historische rol konden spelen bij de vernieuwing van de samenleving. Inheemse bevolkingen en kleine boeren daarentegen gingen door voor conservatief, omdat die zich niet thuis voelden bij de moderne technieken en die als een bedreiging zagen. De denkers van het moderne leven beschouwden de natuur als een eindeloos grote hulpbron waaruit mensen naar eigen goeddunken konden putten, zoveel als zij nodig dachten te hebben. “Zichzelf tot meester en bezitter van de natuur maken”, zoals Descartes schreef, was de opvatting van alle voorstanders van het moderne leven. Maar inheemse bevolkingen en kleine boerinnen, wier dagelijks leven verbonden was met de natuur, hadden en hebben nog steeds een heel andere visie. Zij hebben oog voor de kringloop van de jaargetijden, voelen zich verbonden met de natuur waarvan zij afhankelijk zijn en die zij op hun beurt willen ondersteunen, en weten zich onderdeel van de kosmos.
Hoewel kleine boeren en inheemse bevolkingen door de hele geschiedenis heen deelgenomen hebben aan de strijd voor samenlevingen met minder machtsverschillen, moffelden de denkers vanaf de negentiende eeuw hun inzet weg. Kleine boerinnen en inheemse bevolkingen zouden domweg behoudzuchtig zijn. Merkwaardig genoeg gebeurde dat in een tijd dat er in Europa langzaam maar zeker meer respect ontstond voor de arbeiders, die toch voornamelijk van boerenafkomst waren. Rond het begin van de twintigste eeuw ontstond er wat meer respect voor boeren. Dat kwam omdat in die tijd alle witte mannen in veel Europese landen stemrecht kregen, waaronder boeren die het grootste gedeelte van de bevolking uitmaakten. De heersende klasse, die boeren voortdurend minachtend had afgeschilderd als onbeschaafde, brute beesten moest deze nieuwe kiezersgroep nu wel naar de mond gaan praten. (Vrouwen bleven nog uitgesloten van stemrecht, en er ontstond een nieuwe ‘wetenschappelijke’ rassentheorie om de uitsluiting van zwarte en bruine mensen te rechtvaardigen.)
De Franse, Italiaanse en Duitse machthebbers gingen vervolgens nog een stap verder en gingen hun boeren verheerlijken en voorstellen als symbolen van “de natie”. Dat was hun manier om de bevolking te verdelen in de “goede, hardwerkende boeren” en “kwaadaardige revolutionaire arbeiders”, om zo hun onderdrukking van de arbeidersbeweging goed te praten. Fascistische regimes maakten in de jaren twintig en dertig volop gebruik van dit soort propaganda. De racistische en seksistische verheerlijking van een ‘superras’ – ditmaal uitgebreid tot witte boerenmannen – gebruikten zij om de onderdrukking van vrouwen en andere bevolkingen te rechtvaardigen, nu in dienst van het nationalisme.
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en dekolonisatie
Na de Tweede Wereldoorlog maakte de nederlaag van de fascistische heersers en hun collaborateurs in de bezette landen een radicale verschuiving in de machtsverhoudingen mogelijk. Communisten en anarchisten, die actief hadden deelgenomen aan de strijd tegen Duitsland en zijn bondgenoten, bevonden zich in een sterke positie om een meer sociaal en rechtvaardig systeem te eisen. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die de pas opgerichte Verenigde Naties in 1948 aannamen, bevestigde voor het eerst de gelijkheid van alle mensen, ongeacht hun geslacht, nationaliteit, huidskleur of religie. Het belang van deze verklaring mogen we niet onderschatten. Samen met het Handvest van de Verenigde Naties, dat het recht van bevolkingen op zelfbeschikking erkent, betekende dit een grote klap voor het wereldwijde kolonialisme. Vanzelfsprekend waren de elites niet bereid om hun voorrechten zo gemakkelijk op te geven, maar het imperialistische gedachtegoed had een gevoelige nederlaag geleden.
Onafhankelijkheidsoorlogen worden gedreven door dezelfde opvattingen over vrijheid, gelijkheid en zelfbeschikking van bevolkingen. De grondwet die India in 1949 na het vertrek van de Britten aannam, is hier een goed voorbeeld van. Daarin staat: “Wij, de bevolking van India, hebben plechtig besloten om India tot een onafhankelijke, democratische republiek te maken en voor al haar inwoners het volgende te waarborgen: sociale, economische en politieke rechtvaardigheid; vrijheid van gedachte, meningsuiting, overtuiging, geloof en godsdienst; gelijkheid in status en kansen.” Tussen 1950 en 1970 verkregen niet alleen de meeste bevolkingen ter wereld hun onafhankelijkheid (met opmerkelijke uitzonderingen, zoals Palestina), maar leidde de concurrentie tussen het Sovjetblok en de kapitalistische landen ook tot een aanzienlijke verbetering van het lot van de arbeidersklasse in veel landen. In de Verenigde Staten, bijvoorbeeld, bedroeg de belasting op de hoogste inkomens na 1945 91 procent. In Frankrijk zorgde de invoering van de sociale zekerheid in 1945 ervoor dat iedereen toegang kreeg tot gezondheidszorg, en in China, Korea en Japan kregen honderden miljoenen boeren land door herverdeling van het grootgrondbezit.
Ondanks deze historische ontwikkeling van na 1945, waarbij formeel alle mensen over de hele wereld gelijkwaardig zijn geworden, en we allemaal recht hebben op vrijheid, weigeren de zogenaamde ‘liberale’ westerse staten er voor te zorgen dat landen in het zuiden van de wereld en de armen in hun eigen land over voldoende inkomen en geschikte instellingen kunnen beschikken om werkelijk vrij en gelijkwaardig te zijn. Dezelfde heersende klassen van met name de westerse landen die pronken met ‘vrijheid’ en die beweren de hoeders van de nieuwe orde te zijn, schrokken er niet voor terug om het ene land na het andere aan te vallen. Een lijst van alle voorbeelden van die schijnheiligheid zou hier te lang zijn: van de koloniale oorlogen in Algerije en Vietnam tot het bloedvergieten in Irak en Libië.
In de loop van de laatste tientallen jaren werd het voor de machthebbers zoetjes aan onmogelijk om zich nog langer te beroepen op de superioriteit van het ene ‘ras’ boven het andere of van de mannen boven de vrouwen om de bestaande orde te rechtvaardigen. Apartheid in Zuid-Afrika begon belachelijk achterhaald worden, en homo’s, lesbiennes en transgenders, die lange tijd leden onder minachting, kregen steeds meer erkenning voor hun rechten. De strijd voor gelijkheid voor alle mensen heeft dus wel enige vooruitgang geboekt.
Ontwikkeling van de stoommachine, toenemend gebruik van steenkolen en aardolie, en grenzen van onze planeet
Deze vooruitgang op het gebied van vrijheid en gelijkheid, hoewel verre van volmaakt, werd bereikt tegen de achtergrond van een uitzonderlijke economische groei. Het verbruik van fossiele brandstoffen nam in de periode 1945–2010 enorm toe. Fabrieken produceerden steeds meer en meer. Het vervoer – per trein, auto en vliegtuig – nam drastisch toe. Gedurende deze ruim zestig jaar geloofde bijna iedereen heilig dat er voor alle maatschappelijke problemen technische oplossingen te vinden waren. De economische groei zou zich over de hele wereld verspreiden en iedereen zou, ofwel via het communistische ofwel via het kapitalistische model, spoedig het “rijk van de vrijheid” bereiken.
Op dit moment is het duidelijk dat dit geloof in een betere toekomst het resultaat was van een buitengewone periode in de menselijke geschiedenis. Sommige mensen blijven nog hardnekkig volhouden dat nieuwe technieken dit of dat probleem zullen verhelpen, maar in de praktijk blijken de meeste van deze ‘oplossingen’ de achteruitgang van de biodiversiteit te verergeren en bepaalde gebieden nog verder aan te tasten. Bio-brandstoffen moeten fossiele brandstoffen vervangen, maar het komt erop neer dat westerse multinationals daarvoor op grote schaal gewassen verbouwen die de grond uitputten. ‘Klimaatbestendige’ genetisch gemanipuleerde nieuwe variëteiten van bepaalde landbouwgewassen zouden beter aangepast zijn aan de klimaatcrisis, maar het gevolg is dat kleine boerinnen en inheemse bevolkingen hun eigen traditionele gewassen kwijtraken, en nu jaarlijks nieuwe steriele zaden moeten kopen bij grote, voornamelijk westerse agromultinationals. Geo-engineering beweert het broeikasgas koolstofdioxide op grote schaal onder de zeebodem op te kunnen slaan, maar brengt het risico van onherstelbare schade aan ecosystemen van de de oceanen met zich mee. Andere ‘oplossingen’ zoals kernenergie lijken aantrekkelijk, maar zullen in de toekomst grote problemen gaan veroorzaken, omdat er nog steeds geen afdoende oplossing is gevonden voor het verwerken of veilig opslaan van het afval. Tijdens militaire conflicten zullen mensen die in de buurt van een kerncentrale wonen onder ondraaglijke angst leven of de vijand ‘hun’ centrale niet zal bombarderen. Onderzoek naar technieken die de werkdruk verlichten of die helpen bij het herstel van ecosystemen is natuurlijk zinvol en moeten we ondersteunen, maar het geloof dat wetenschap en techniek de levensgrote problemen die het kapitalisme heeft opgeroepen wel zal oplossen heeft zijn beste tijd gehad.
De hoop op steeds meer vrijheid door de inzet van steeds betere technieken en meer machines is stukgelopen op de grenzen van onze planeet. De klimaatramp, het verdwijnen van insecten en vogels, de verwoestijning van de bodem, de vervuiling van de oceanen door plastic… het zijn allemaal kanten van een ontzaglijke crisis van onze natuurlijke omgeving die ons erop wijzen dat het kapitalistisch-industriële model rampzalige gevolgen heeft. Ook voor ons welzijn, nu ziekten die verband houden met de aantasting van het milieu of met lekker maar ongezond voedsel steeds vaker voorkomen. Gebrek aan menselijk contact, stress en het verlies van waardevolle gewoonten van vroeger leiden bij een groot deel van de bevolking tot een diepgaand gevoel van onbehagen. Voor de meeste arbeidsters blijven de werkomstandigheden beroerd, vooral in het zuiden van de wereld. Sommige populaire deskundigen blijven op de televisie en in de krant verkondigen dat de rijkdom van de huidige ontwikkelingen in de computerwereld uiteindelijk naar de gewone mensen zal “doorsijpelen”. Maar dat valt moeilijk te geloven, omdat steeds duidelijker wordt dat een handvol miljardairs de richting van de techno-utopie bepaalt, die nu al veel ongelijkheid heeft veroorzaakt.
Deel 2 verschijnt binnenkort.
Morgan Ody
Het oorspronkelijke artikel “Can the food sovereignty movement really play a role in systemic transformation? Freedom, egalitarian societies, and planetary boundaries” stond in september 2025 in The Journal of Peasant Studies. Vertaling en bewerking: Jan Paul Smit. Ga voor de voetnoten en de vele interessante literatuurverwijzingen naar de Engelse tekst.
