Verzet van Palestijnse vrouwen – een onbekende geschiedenis

Palestijnse vrouw in verzet (Illustratie: Palestine Chronicle)

In oktober 1929 kwamen honderden Palestijnse vrouwen bijeen in Jeruzalem. Ze kwamen uit Jaffa en Haifa, Nablus en Akka, Ramallah, Jenin, Safad en elders, op een moment van grote veranderingen. Hun bijeenkomst staat bekend als het eerste Palestijns-Arabische Vrouwencongres. Dit artikel beschrijft bijna een eeuw van verzet door Palestijnse vrouwen en geeft hun organisatoren, strijders, gevangenen, journalisten en zorgverleners de belangrijke plaats in de geschiedenis van hun land die zij verdienen.

De deelnemers kwamen bijeen om over de toekomst van Palestina te praten. In 1917 had Groot-Brittannië zich via de Balfour-verklaring ertoe verplicht om de oprichting van een “nationaal tehuis voor het Joodse volk“ in Palestina te steunen, zonder al teveel aandacht te schenken aan de rechten van de Palestijns-Arabische bevolking. Bovendien nam ondertussen de zionistische immigratie aanzienlijk toe, gepaard gaande met landaankopen en de groei van instellingen die bedoeld waren om de ontwikkeling van een Joodse staat in Palestina te ondersteunen.

Het Vrouwencongres verwierp de Balfour-verklaring, sprak zich uit tegen zionistische immigratie en eiste de oprichting van een nationale regering die oog had voor de belangen van alle bevolkingsgroepen. De Palestijnse vrouwen legden deze eisen later voor aan de Britse hoge commissaris en organiseerden een auto-demonstratie door Jeruzalem die stopte bij buitenlandse consulaten om hun politieke boodschap over te brengen. Onder hen bevonden zich Tarab Abd al-Hadi, die in haar huis in Jeruzalem voorbereidende bijeenkomsten voor het congres georganiseerd had; Matiel Mogannam, die in 1937 het boek “The Arab Woman and the Palestine Problem” zou publiceren; en Zulaykha al-Shihabi, die politiek actief bleef tot in de tijd van de opstand van eind dertiger jaren, de oprichting van Israël op de ruïnes van het historische Palestina in 1948, en de Nakba (de Catastrofe, 1947-1949).

Vrouwenorganisaties op het gebied van liefdadigheid, onderwijs en sociale problemen hielden zich al sinds de vroege jaren van het Britse koloniale bewind bezig met politieke kwesties, maar vanaf 1929 lieten Palestijnse vrouwen zich ook goed georganiseerd gelden in de zich ontwikkelende beweging voor nationale onafhankelijkheid. Gedurende de twintigste, en zelfs nu nog in de eenentwintigste eeuw schilderen de westerse media en politici Palestijnse vrouwen vaak af als het ongelukkige slachtoffer: de vluchtelingenmoeder, de rouwende weduwe, de vrouw die op de vlucht is voor verwoesting. Of als een “onderdrukte Arabische vrouw”, die te lijden heeft onder haar godsdienst en de patriarchale tradities en die snakt naar emancipatie. Op bepaalde momenten duikt er echter ook een ander beeld op: de vrouw met het wapen, die dan onmiddellijk het etiket “terroriste” opgeplakt krijgt. In werkelijkheid zijn Palestijnse vrouwen nooit passieve toeschouwers geweest, maar vaak activisten in de voorhoede.

Palestijnse vrouwen namen deel aan de Grote Opstand van 1936–1939. Sommigen vochten actief mee, terwijl anderen wapens, inlichtingen, geld en medicijnen vervoerden, hielpen bij het verbergen van rebellen en gewonden verzorgden. In 1948, tijdens de Nakba, de gewelddadige verdrijving van Palestijnen uit historisch Palestina, namen vrouwen deel aan de verdediging van hun gemeenschappen. Ze sloten zich aan bij geheime cellen en guerrillagroepen, ondergingen gevangenschap en ondervragingen, organiseerden gevangenen, produceerden revolutionaire literatuur en hielpen bij de opbouw van de massale organisaties die de Eerste Intifada (Opstand, 1987-1993) gaande hielden. Ze namen deel aan het brede verzet tegen de bezetting van de Westelijke Jordaanoever en aan de Grote Mars van de Terugkeer in Gaza (2018-2019). Ze documenteerden het Israëlische geweld en hielden sociale en politieke netwerken in leven in tijden van belegering, verdrijving en oorlog. Ze bouwden ook in ballingschap weer politieke organisaties op.

Palestijnse guerrilla’s, Libanon, 1979. (Foto: Tiamat/CC: BY-SA-3.0)

Van vrouwenorganisatie tot nationale mobilisatie

De opkomst van een georganiseerde Palestijnse vrouwenbeweging moeten we zien tegen de achtergrond van de ingrijpende veranderingen in de late Ottomaanse periode, de jaren tot 1922, en de tijd van het Britse mandaat (1922-1947). Aanvankelijk waren Palestijnse vrouwen actief in liefdadigheids- en onderwijsverenigingen. Later stonden zij families van gevangenen bij, verzorgden ze mensen die door koloniale troepen gewond waren geraakt, en zamelden ze geld in voor gemeenschappen die het doelwit waren van onderdrukking. Dit alles was natuurlijk meer dan louter apolitiek “maatschappelijk werk”.

In augustus 1929 vonden de al-Buraq-onlusten plaats, een week van geweld dat begonnen was met onenigheid over de toegang tot de Westelijke Muur in Jeruzalem. Daarbij kwamen zo’n 250 mensen om en raakten vele honderden gewond. Vanaf die tijd nam de politieke activiteit van Palestijnse vrouwen drastisch toe. Het eerste Palestijns-Arabische Vrouwencongres in oktober dat jaar in Jeruzalem leidde tot de oprichting van een uitvoerend comité en versterkte de netwerken van vrouwenorganisaties in verschillende Palestijnse steden. De hiervoor al genoemde Tarab Abd al-Hadi, Matiel Mogannam en Zulaykha al-Shihabi kwamen naar voren als de belangrijkste pleiters voor nationale samenwerking. Enkele jaren later zou die beweging te maken krijgen met een heel andere politieke context: in 1936 brak er in Palestina een groot oproer uit.

Vrouwen in de Grote Opstand

De Grote Palestijnse Opstand van 1936-1939 was een van de belangrijkste conflicten uit de periode van het Britse mandaat. De opstand begon met een algemene staking en groeide uit tot gewapend verzet, waarbij brede lagen van de Palestijnse samenleving in beweging kwamen tegen het Britse koloniale bewind en het in een stroomversnelling geraakte zionisme, de beweging voor een Joodse staat in Palestina.

Op de foto’s over de opstand zie je vooral mannen: van de Palestijnse strijder die met zijn geweer door de heuvels trekt tot de politieke leider die onderhandelt, verklaringen aflegt of in ballingschap gaat – vrouwen zie je nauwelijks. Toch blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat vrouwen wel degelijk actief deelnamen aan het volksoproer. Zo is bijvoorbeeld bekend dat Fatima Khalil Ghazal in juni 1936 als een van de eerste vrouwen om het leven kwam in het gewapende verzet tegen Britse koloniale troepen. En dat Wadi’a Qaddura Khartabil deel nam aan een vrouwennetwerk dat opstandelingen bevoorraadde en hun gezinnen ondersteunde. En dat Zulaykha al-Shihabi vrouwen aanmoedigde om rechtszaken van Palestijnse gevangenen bij te wonen als uiting van politieke betrokkenheid, om hen een hart onder de riem te steken.

Palestijnse guerrilla’s, Libanon, 1979. (Foto: Tiamat/CC: BY-SA-3.0)

Nakba: vrouwen verdedigen Palestijnen

De onderdrukking van de Grote Opstand had enorme gevolgen voor de Palestijnse samenleving. Ongeveer vijfduizend Palestijnen waren om het leven gekomen, vijftienduizend gewond geraakt, twaalfduizend gevangen gezet, en vele leiders waren verbannen. Zodoende was de Palestijnse samenleving ernstig verzwakt toen negen jaar later, in 1948, de Nakba, de Catastrofe, plaatsvond. Zionisten verdreven meer dan 700.000 Palestijnen uit hun huizen en verjoegen hen van hun land en uit hun steden en dorpen. Palestijnse vrouwen namen ook toen van het begin af aan deel aan de politieke, medische en militaire verdediging van hun gemeenschappen. Zo organiseerden bijvoorbeeld de twee zussen Muhayba en Nariman Khorsheed in Jaffa de vrouwenorganisatie Zahrat al-Uqhuwan (Chrysant). Aanvankelijk hield hun organisatie zich bezig met medische hulp, ondersteuning van arme mensen en studenten, maar toen de Nakba begon, gingen ze over tot gewapende strijd. Zij kregen een militaire training en vielen daarna met geweren zionistische gevechtsgroepen aan.

Door de vernietiging van de Palestijnse samenleving in 1948 vielen veel bestaande groepen uiteen, omdat de leden verspreid raakten. Langzaam maar zeker ontstonden er nieuwe netwerken waaraan ook vrouwen deelnamen. Zoals bijvoorbeeld Samira Azzam. die verhalen schreef en voorlas voor de radio over het leven in ballingschap. Zij was een van de belangrijke literaire stemmen van de Palestijnse Nakba-generatie. Via haar vertellingen legde zij de psychologische en sociale wereld van de ballingschap vast. In 1961 maakte ze als enige vrouw deel uit van de kern van een geheime Palestijnse organisatie die later bekend zou worden als de Palestine Liberation Organization (PLO).

Fedayeen-generatie

De opkomst van de sociaal-democratische partij Fatah, het marxistisch-leninistische Popular Front for the Liberation of Palestine (PFLP) en andere revolutionaire organisaties in de jaren zestig veranderde de Palestijnse politiek ingrijpend. De nederlaag van de Arabische legers in de oorlog van juni 1967 versnelde dit proces. Palestijnse guerrilla’s, fedayeen, moesten nu het land zien te bevrijden van de zionisten, in plaats van dat de Arabische staten dit zouden doen. Shadia Abu Ghazaleh, geboren in 1949 in Nablus (Westelijke Jordaanoever) sloot zich aan bij het radicaal-linkse PFLP, en nam actief deel aan het verzet. Zij was het hoofd van de vrouwenafdeling in het gebied rond Nablus en hielp mee om er een ondergronds netwerk op te bouwen. Zij stierf, negentien jaar oud, toen een bom die zij in elkaar aan het zetten was, ontplofte.

Een ander voorbeeld is Fatima Bernawi, een Palestijnse uit Jeruzalem van Afrikaanse afkomst. Zij sloot zich aan bij de sociaal-democratische partij Fatah, de belangrijkste organisatie van de PLO, en werd in 1967 gearresteerd na een poging tot een bomaanslag op de Zion Cinema. In de Palestijnse geschiedenis staat ze bekend als de eerste vrouwelijke gevangene van de revolutie, die in 1965 begonnen was met een serie gewapende acties. Ze zat tien jaar in een Israëlische gevangenis opgesloten, voordat ze werd vrijgelaten in het kader van een gevangenenruil. Net als bij de meeste Palestijnen heeft haar opsluiting haar nog vastberadener gemaakt. Later werkte ze nauw samen met Yasser Arafat en werd ze het hoofd van de Palestijnse Vrouwenpolitie in Gaza. Na Bernawi zaten Aisha Odeh, Rasmea Odeh en talrijke andere vrouwen lang in Israëlische gevangenissen.

In 1969 nam Leila Khaled deel aan de kaping van een Amerikaans passagiersvliegtuig en in 1970 probeerde zij samen met een medestrijder een El Al-vliegtuig te kapen, wat mislukte. Door beide acties werd zij wereldberoemd. In 1978 maakte Dalal al-Mughrabi, een in Libanon geboren Palestijnse vluchtelinge van achttien jaar, deel uit een Fatah-eenheid tijdens een heftige aanval bij Tel-Aviv, met de opzet zoveel mogelijk gijzelaars bij elkaar te krijgen om die te ruilen tegen Palestijnse gevangenen. Mughrabi kwam tijdens de aanval om het leven, samen met de meeste andere leden van de groep, veel gijzelaars en anderen, in totaal bijna zestig mensen. In Palestina zijn talloze straten en instellingen naar haar vernoemd.

Eerste Intifada

Tijdens de Eerste Intifada, de opstand die in december 1987 begon, namen veel Palestijnse vrouwen deel aan het brede verzet. Allerlei verslagen beschrijven hoe buurtcomités voedsel uitdeelden, gewonden verzorgden en stakingen en boycots organiseerden. Toen Israël scholen sloot en een strenge avondklok instelde, kregen kinderen les in privéwoningen. Vrouwen speelden een belangrijke rol in deze netwerken: ze organiseerden demonstraties, deelden pamfletten uit, ondersteunden families van gevangenen en hielden de gemeenschappen draaiend. Vrouwen gingen ook tussen Israëlische soldaten en Palestijnse jongens in staan om ze te beschermen. Ze bekritiseerden de militairen en trokken jongeren uit hun handen weg om te voorkomen dat ze hen konden slaan of gevangen nemen. Dat gebeurde in een tijd dat de soldaten opdracht hadden gekregen om zoveel mogelijk geweld te gebruiken om de opstand neer te slaan.

De Palestijnse politicus en lid van het Palestijnse parlement Khalida Jarrar was actief in vrijwilligersorganisaties en werd in maart 1989 tijdens een demonstratie ter gelegenheid van Internationale Vrouwendag gearresteerd. Later stond ze aan het hoofd van Addameer, een organisatie die zich inzet voor Palestijnse gevangenen. Israël heeft haar herhaaldelijk gearresteerd en gevangen gezet, vaak zonder aanklacht of proces. In de gevangenis gaf ze les aan andere vrouwen. Het delen van kennis was voor haar een andere vorm van verzet.

Tweede Intifada

Tijdens de Tweede Intifada, die in 2000 begon en tot 2005 duurde, namen vrouwen deel aan demonstraties, waren ze betrokken bij politieke organisaties, ondersteunden ze mensen die het moeilijk hadden en gaven ze medische hulp. Daarnaast sloten sommigen zich aan bij het gewapende verzet. Enkelen, zoals bijvoorbeeld Wafa Idris, Ayat al-Akhras en Hanadi Jaradat, pleegden zelfmoordaanslagen of Istishhad (martelaarsaanslagen), zoals Palestijnen dit noemen. Volgens Israëlische en westerse wetenschappers hadden deze vrouwen vaak psychische of sociale problemen, of waren ze overgehaald door slechte raadgevers. Kortom, ze zouden geen politieke motieven hebben. Zoals we hierboven al opmerkten, is dit een bekend patroon bij het bespreken van de Palestijnse strijd: het geweld geïsoleerd bekijken, en al doende zowel de verschrikkingen van de bezetting als de vele kanten van de bevrijdingsstrijd in de achtergrond laten verdwijnen. Daar komt bij dat vrouwen, in tegenstelling tot mannen, volgens deze manier van kijken geen eigen mening zouden hebben. Maar Palestijnse vrouwelijke martelaren onderstreepten met hun laatste daad van opoffering heel bewust hun trouw aan hun godsdienstige en politieke opvattingen. Zij doorbraken de koloniale opvatting dat Palestijnen geen politieke zeggenschap kunnen hebben, en de patriarchale opvatting dat gewapend verzet een uitsluitend mannelijke aangelegenheid is.

Na de Tweede Intifada bleven vrouwen actief in de strijd tegen nederzettingen, landonteigening, de scheidingsmuur en politieke gevangenschap. Het dorpje Nabi Saleh werd bekend om zijn wekelijkse demonstraties tegen de uitbreiding van nederzettingen en de inbeslagname van de dorpsbron. Vrouwen uit de familie Tamimi protesteerden, documenteerden militaire invallen en werden herhaaldelijk gearresteerd, samen met de mannen en kinderen van het dorp. Ahed Tamimi werd internationaal bekend na haar arrestatie in 2017, toen ze zestien was. Ze groeide op in een dorp met veel collectief verzet en hoort tot een familie waarin vrouwen al sinds lange tijd politiek actief zijn.

Grote Mars van de Terugkeer

Op 30 maart 2018 verzamelden Palestijnen van Gaza zich bij het hek dat hen scheidde van het gebied waaruit veel families waren verdreven. Vrouwen sloten zich vanaf de eerste dag aan bij de Grote Mars van de Terugkeer. Ze organiseerden, demonstreerden, verzorgden gewonden en brachten verslag uit. Ze namen hun kinderen en andere familieleden mee naar de protestkampen en sommigen liepen met Palestijnse vlaggen naar het hek toe. Onder hen was de 57-jarige Um Khalid Abu Mosa, die in haar schouder werd geschoten door Israëlische troepen.

Op 1 juni 2018 doodden Israëlische soldaten de 21-jarige verpleegster Razan al-Najjar, terwijl zij gewonde demonstranten verzorgde in de buurt van Khan Yunis. Ze droeg witte kleren die duidelijk lieten zien dat zij medisch werk deed. Al-Najjar werd een van de bekendste gezichten van de mars, maar ze maakte deel uit van een veel groter netwerk van hulpverleners die onafgebroken in de buurt van de demonstraties mensen behandelden die gewond waren geraakt door kogels en traangas. Veel vrouwen hielpen bij het opbouwen en in stand houden van dat netwerk.

Vrouwelijke journalisten deden verslag van de demonstraties, brachten het leven in de protestkampen in beeld en legden het Israëlische geweld tegen demonstranten, verpleegkundigen en journalisten vast. Een van hen was Wafaa Al-Udaini, die elke vrijdag in het Engels rapporteerde over de Grote Mars van de Terugkeer. Tijdens de genocide bombardeerde Israël haar huis, waarbij zij, haar man en twee van hun kinderen omkwamen.

Verzet van vrouwen tegen genocide

Palestijnse vrouwen staan in de voorhoede van de strijd tegen de huidige genocide, en hun daadkracht zorgt ervoor dat Israël hen ziet als gevaarlijke vijanden die het uit moet schakelen. Volgens UN Women heeft Israël tussen oktober 2023 en december 2025 meer dan 38.000 vrouwen en meisjes in Gaza gedood – gemiddeld zo’n 46 per dag – en ongeveer een miljoen van huis en haard verdreven. De oorlog tegen Gaza, die in oktober 2023 begon, bracht verwoesting teweeg op een schaal die zijn weerga niet kent in de moderne Palestijnse geschiedenis. Het Israëlische leger roeide hele families uit, veegde wijken van de kaart en verjoeg het grootste deel van de bevolking. Het verwoestte of beschadigde ziekenhuizen, scholen, universiteiten, culturele instellingen en mediabedrijven.

Vrouwen waren zwanger en bevielen tijdens bombardementen. De kraamzorg was ingestort, er was tekort aan van alles dat nodig was voor een goede hygiëne en er was gebrek aan privacy. Ondertussen nam de last van de zorg voor kinderen en bejaarde familieleden toe. Maar desondanks lieten de vrouwen hun leven niet bepalen door Israëls genocide, en zijn poging hen en hun gezinnen uit hun land te verdrijven.

Terwijl Israël buitenlandse correspondenten verbood zonder militaire begeleiding en controle opnames in Gaza te maken, deden Palestijnse vrouwelijke journalisten zoals Bisan Owda, Hind Khoudary en Plestia Alaqad verslag vanuit Gaza. Ze deden hun werk terwijl ze op weg waren naar een veilige plek om te overnachten, op zoek waren naar voedsel, hun gezinnen beschermden en rouwden om gedode familieleden en collega’s.

Ook vrouwelijke artsen, verpleegsters en andere gezondheidswerkers bleven doorgaan terwijl het medische systeem van Gaza om hen heen bezweek. Ze behandelden patiënten zonder voldoende medicijnen, elektriciteit, schoon water, verdoving of goed werkende apparatuur. Velen van zijn verjaagd, gewond geraakt, gevangen genomen of gedood.

Honderden scholen heeft Israël vernietigd, opdat een hele generatie kinderen geen onderwijs zou krijgen. Palestijnse vrouwen begonnen toen les te geven in de tenten waar ze terecht waren gekomen. In sommige gevallen wisten ze zelfs hele scholen op te zetten voor een paar honderd kinderen. Zo heeft bijvoorbeeld Lamia Hatem Othman in een vluchtelingenkamp tussen de tenten een stuk zeildoek op de grond gelegd en is daar begonnen les te geven aan kinderen die onder alle bombardementen de letters waren vergeten. Haar initiatief groeide uit tot de School van Sumud, waar jongens en meisjes leren lezen en rekenen, maar bijvoorbeeld ook programmeren. De kinderen kunnen er eveneens tekenen en spelen en zo beginnen te verwerken wat ze hebben meegemaakt. ‘s Avonds studeert Lamia zelf op een oude mobiele telefoon voor haar masterdiploma.

Het zou echter onjuist zijn om te denken dat de vrouwen van Gaza zich alleen maar bekommeren om het gaande houden van het dagelijkse leven. Zij hebben sinds 2005 ook deelgenomen aan het gewapende verzet, onder meer via vrouwengroepen van de Al-Qassam-brigades, de militaire vleugel van Hamas. De vrouwelijke Hamas-leider Jamila al-Shanti verklaarde in een interview in 2008 over de militaire opleiding voor vrouwen dat zij deelnamen aan discussies over de te volgen politiek en over militaire kwesties en dat ze inspraak hadden wanneer er besluiten werden genomen. “We hebben onze eigen standpunten en vaak zijn we het niet met hen (de mannen) eens. We plannen, we beslissen, we debatteren, we zeggen nee, en we voeren alleen uit wat wij gepast achten.“ In september 2026 pakte Samah al-Khalidi, een 47-jarige moeder van drie kinderen, het geweer van haar gewonde zoon op en opende ze het vuur op een Israëlische speciale eenheid die hun woning in het westen van Gaza-stad binnenviel. Zij kwam tijdens het gevecht om het leven, terwijl haar echtgenoot gewond raakte en gevangengenomen werd.

Andere kant van de strijd

Hoewel Arabische moslimvrouwen vaak worden afgeschilderd als hulpeloze figuren die gered moeten worden, doorbreken politiek bewuste Palestijnse vrouwen dat beeld. Ze benadrukken dat kolonialisme, zionisme, bezetting en ontheemding de krachten zijn die hun levens bepalen.

Bijna een eeuw nadat Palestijnse vrouwen in Jeruzalem hun resoluties aannamen tegen zionistische immigratie en voor nationale onafhankelijkheid, zijn Palestijnse vrouwen nog steeds politiek actief: nu in vesten met grote letters “PRESS” erop, op ziekenhuisafdelingen, in gevangeniscellen en protestkampen. Hun strijd is geen voetnoot in de Palestijnse geschiedenis, maar een van de belangrijke rode draden.

Romana Rubeo

Het oorspronkelijke artikel“The Other Side of the Struggle: The Untold History of Palestinian Women’s Resistance”verscheen in augustus bij Thinking Palestine. Vertaling en bewerking: Jan Paul Smit.

Noot van de redactie. We plaatsen dit artikel om zo een bijdrage te leveren aan het doorbreken van de patriarchale beeldvorming rond Palestijnse vrouwen en het taboe rond gewapend verzet, maar dat betekent niet dat we alle genoemde strijdmethoden (denk aan kapingen, zelfmoordaanslagen) en organisaties (denk aan PFLP en Hamas) omarmen.

Verder lezen

= “Palestinian women’s resistance: from the Great Revolt to the First Intifada (1936 to 1993)”.