Grijze Wolven: religie, nationalisme en geopolitiek

Een van de jongere aanwezigen op de massale herdenking van de grote dode Leider Alparslan Türkeş op 8 april 2018 in Nijmegen.

Turkse nationalistische en religieuze bewegingen ontwikkelden zich vanaf het einde van de negentiende eeuw op het knooppunt van de economische, militaire en geopolitieke betrekkingen tussen Duitsland en het Ottomaanse Rijk, en later Turkije. Deze extreem-rechtse bewegingen ontplooiden zich niet alleen in Turkije, maar ook onder migranten in Europa.

De geschiedenis van de extreem-rechtse nationalistische en islamistische bewegingen van Turkse afkomst in Duitsland kan niet enkel worden verklaard door de arbeidsmigratie die in de jaren zestig begon. De politieke ruimte waarin deze bewegingen zich ontwikkelden, is gebaseerd op de economische, militaire en geopolitieke betrekkingen die zich vanaf het einde van de negentiende eeuw ontwikkelden tussen Duitsland en het Ottomaanse Rijk, en later Turkije.

Een van de belangrijkste instrumenten van het Duitse kapitaal in het Ottomaanse gebied was de Deutsche Bank. Die bank speelde een belangrijke rol bij de financiering van de Anatolische Spoorwegen en de Bagdadspoorweg. Deze investeringen waren niet slechts economische ondernemingen. Terwijl ze de invloed van het Duitse kapitaal op de Ottomaanse hulpbronnen en transportnetwerken vergrootten, versterkten ze ook de politieke en militaire invloed van Duitsland. In tegenstelling tot het directe koloniale bestuur van klassieke koloniale machten, probeerde Duitsland zijn economische invloed in het Ottomaanse gebied uit te breiden via militaire samenwerking, diplomatieke betrekkingen en strategische partnerschappen. Zo ontwikkelden kapitaalaccumulatie en imperialistische machtspolitiek zich in een elkaar aanvullende relatie.

Daarom is migratie niet het begin van de betrekkingen tussen Duitsland en Turkije, maar een van de historische fasen waarin eerder gevestigde economische, militaire en geopolitieke betrekkingen naar een nieuw maatschappelijk domein werden verplaatst. De kernvraag hier is in welke historische perioden nationalistische en islamistische bewegingen kruisten met de relaties tussen staat, kapitaal, veiligheid en imperialistische macht, en welke politieke functies ze binnen deze relaties op zich namen.

Van Wünsdorf tot het nazi-tijdperk

Het Halve Maan-krijgsgevangenenkamp, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog in Wünsdorf nabij Berlijn werd opgericht voor de islamitische krijgsgevangenen van de geallieerden, en de moskee die daar in 1915 werd gebouwd, vormen de vroege voorbeelden van de transformatie van religieuze identiteit tot een instrument voor politieke en militaire mobilisatie onder oorlogsomstandigheden. De Duitse autoriteiten probeerden de islamitische gevangenen via de jihad-oproep van het Ottomaanse Rijk over te halen om mee te vechten tegen de geallieerden.

Tijdens het nazi-tijdperk nam deze strategische benadering een meer directe militaire vorm aan. Nazi-Duitsland probeerde in zijn oorlog tegen de Sovjet-Unie te profiteren van het militaire en politieke potentieel van Turkse en islamitische gemeenschappen. Een opvallend voorbeeld daarvan waren de contacten van de Duitse autoriteiten met Nuri Pasja (Nuri Killigil), de jongere broer van de Ottomaanse Oorlogsminister Enver Pasja tijdens de Eerste Wereldoorlog, en een belangrijk figuur in de panturkistische beweging. Tijdens de ontmoetingen van Nuri Pasja met de Duitse autoriteiten in Berlijn in 1941 kwam de vorming van eenheden uit krijgsgevangen genomen soldaten van Turkse afkomst in de Sovjet-Unie ter sprake.

Wat hier doorslaggevend is, is niet dat het panturkisme door Duitsland werd gecreëerd, maar dat de bestaande panturkistische politieke potenties strategisch konden worden benut in de oorlog die nazi-Duitsland tegen de Sovjet-Unie voerde. Deze relatie toont aan dat nationalistische ideologie onder imperialistische oorlogsomstandigheden kan veranderen in een militair en politiek instrument.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog omvatte het beleid van Duitsland ten aanzien van Turkije, naast diplomatieke betrekkingen, ook propaganda, inlichtingen- en veiligheidsstructuren, evenals financiële steunmechanismen. Een opvallend voorbeeld van dit beleid is het Ribbentrop-telegram van 5 december 1942. In dit telegram, dat naar de ambassadeur in Ankara, Franz von Papen, werd gestuurd, is sprake van de toewijzing van 5 miljoen Reichsmark om pro-Duitse kringen in Turkije te steunen. Het beleid van nazi-Duitsland ten aanzien van Turkije bleef dus niet beperkt tot interstatelijke diplomatieke betrekkingen, maar omvatte ook het gebruik van financiële middelen en andere politieke invloedsmechanismen om invloed uit te oefenen op politieke kringen in Turkije.

Dit voorbeeld laat zien dat de benadering van Duitsland ten aanzien van de politieke krachten in Turkije niet zozeer een poging was om direct een ideologie te creëren, maar eerder functioneerde in de vorm van het ondersteunen en benutten van bestaande politieke tendensen in overeenstemming met de eigen strategische doelen.

Anti-communisme, de NAVO en de MHP

Na 1945 werd het nazi-regime vervangen door een nieuwe Duitse veiligheidsorde die het westen tegen de Sovjet-Unie had ingericht. Ook de politieke en veiligheidsinstellingen van de Bondsrepubliek Duitsland kregen vorm binnen deze anti-communistische orde. In dezelfde periode intensiveerde de arbeidsmigratie van Turkije naar Duitsland en kwamen de klassen- en politieke conflicten in Turkije ook mee naar Duitsland.

De migranten maakten deel uit van de arbeidskracht die het West-Duitse kapitalisme nodig had. Terwijl zich onder de arbeiders socialistische, vakbonds- en revolutionaire organisaties ontwikkelden, vestigden zich ook nationalistische en religieuze bewegingen en structuren. Het anti-communisme werd zo niet alleen een buitenlands beleid tegen de Sovjet-Unie, maar ook een fundamenteel element van een politieke orde die de maatschappelijke invloed van socialistische en progressieve bewegingen moest beperken.

Dat de latere Grijzen Wolven-oprichter Alparslan Türkeş een militaire opleiding in de VS volgde, tussen 1955 en 1957 in de Turkse delegatie bij het Permanent Comité van de NAVO in Washington diende en in 1959 aan de Atoom- en Nucleaire School in West-Duitsland studeerde, is in die context belangrijk. De politieke lijn van Türkeş kreeg vorm binnen het panturkisme, de veiligheidsopvatting van de NAVO tijdens de Koude Oorlog en het anti-communisme.

De Grijze Wolven-partij MHP kan daarom niet uitsluitend als een nationalistische partij worden beschouwd. De beweging, die onder leiding van Türkeş vorm kreeg, werd in de jaren zeventig een van de belangrijkste actoren van georganiseerd politiek geweld tegen socialisten, vakbondsleden en progressieve intellectuelen. Bij de bloedbaden in Maraş en Çorum, de politieke moorden en de aanvallen in aanloop naar de coup van 12 september 1980, bij al het anti-communistische politieke geweld, speelde de fascistische Ülkücü-beweging (Idealistische Haarden-beweging) een grote rol. Het fascistische en anti-communistische karakter van de MHP was een van de basiselementen die haar tot een bruikbare politieke macht tegen socialistische en progressieve krachten maakte.

Deze situatie wordt duidelijker wanneer men kijkt naar het anti-communisme in andere landen tijdens de Koude Oorlog. In Italië was Gladio een van de bekendste voorbeelden van de geheime “Stay behind”-structuren die in NAVO-lidstaten werden gecreëerd. In documenten van de Duitse Bondsdag wordt vermeld dat deze structuren niet onder de directe commandostructuur van de NAVO opereerden, maar onder de nationale verantwoordelijkheid van de betreffende staten. De gemeenschappelijke politieke basis van deze structuren was de veiligheidsstrategie van de Koude Oorlog tegen de Sovjet-Unie en het communisme.

Turkije was een van de strategische landen aan de zuidflank van de NAVO tegen de Sovjet-Unie. Onder deze omstandigheden kruiste het fascistische anti-communisme van de MHP met de staatsveiligheidsopvatting in Turkije en de op de NAVO gerichte Koude Oorlogsorde. De eigen politieke doelen van de MHP en de anti-Sovjet strategische belangen van het Westen kwamen zo op dezelfde politieke lijn samen. Onderzoek naar de organisatie en het politieke geweld van de MHP in de jaren zeventig laten de politieke kracht zien.

Deze krachten werden met de arbeidsmigratie naar Duitsland overgebracht. De Ülkücü-beweging, die vorm kreeg binnen de anti-communistische strijd in Turkije, verwierf een nieuwe ruimte in het anti-communistische politieke klimaat van West-Duitsland terwijl ze zich organiseerde binnen de Turkse arbeidersgemeenschappen daar.

1978: Türkeş-Strauss en ADÜTDF

Een van de belangrijke knooppunten in dat proces is 1978. De ontmoeting die op 28 april 1978 in München plaatsvond tussen MHP-leider Alparslan Türkeş en de leider van de christen-democratische partij, Franz Josef Strauß, is een van de duidelijke voorbeelden van de relatie tussen de Turkse nationalistische beweging en de conservatieve en anti-communistische kringen van West-Duitsland. Naast Türkeş waren Gün Sazak en Murat Bayrak aanwezig. De achtergrond van Strauß is in deze context ook belangrijk. Tijdens nazi-Duitsland diende hij in het Duitse leger en hij promoveerde in 1944 nog tot de rang van eerste luitenant. Dat verleden is belangrijk om de historische achtergrond van de ontmoeting tussen Türkeş, Strauß en Bayrak en de West-Duitse conservatieve politieke kringen te begrijpen.

Er zijn historische verslagen die aantonen dat Bayrak tijdens de Tweede Wereldoorlog in Joegoslavië tegen partizanen vocht in de 13de Waffen-SS Bergdivisie Handschar, die door nazi-Duitsland was opgericht. Bayrak, die na de oorlog naar Turkije verhuisde, bood later financiële steun aan de organisatie van anti-communistische kringen van de Ülkücü. Dat laat zien dat fascistische en anti-communistische elementen in de context van de Koude Oorlog opnieuw konden samenkomen in overeenstemming met nieuwe politieke behoeften.

Van 17 tot 18 juni 1978 werd in Schwarzenborn de Federatie van Democratische Idealistische Turkse Verenigingen in Europa (ADÜTDF) opgericht. Daarmee kreeg de idealistische (Grijze Wolven) beweging een meer gecentraliseerde en permanente organisatiestructuur in West-Duitsland.

In het Duitse parlement werden destijds vragen gesteld over hoe het nu precies zat met het CDU-gemeenteraadslid van Schwalmstadt, Hans-Eckardt Kannapin. Die had de zaal geregeld voor de oprichtingsvergadering van de ADÜTDF, en had nauwe contacten met Duitse veiligheidskringen en met vertegenwoordigers van de MHP. De federale regering verklaarde dat er over sommige vragen geen informatie beschikbaar was.

Deze contacten moeten worden beschouwd als een kruispunt van de reeds bestaande fascistische en anti-communistische politieke krachten van de MHP met de politieke en veiligheidsomgeving in het Duitsland van de Koude Oorlog. De organisatie in Duitsland stelde deze politieke kracht, die vanuit Turkije was overgebracht, in staat om in een nieuw gebied aan sterkte te winnen.

Islamisme: München en internationale netwerken

Parallel aan de institutionalisering van de nationalistische beweging ontwikkelden zich ook islamistische structuren en internationale netwerken in Duitsland. De activiteiten in Duitsland van Said Ramadan, een van de prominente figuren van de Moslimbroederschap, en Issam el-Attar, een van de belangrijke figuren van de Syrische Moslimbroederschap, evenals het Islamitisch Centrum München, waren belangrijke elementen van dit proces.

Deze structuren waren islamistische bewegingen met hun eigen politieke doelen, organisaties en machtsprojecten. De maatschappelijke macht die de Moslimbroederschap sinds 1928 in Egypte heeft verworven, toont duidelijk aan dat dit politieke project niet uitsluitend uit religieuze activiteiten bestond. Daarom kunnen hun activiteiten in Duitsland ook niet los worden gezien van hun eigen politieke geschiedenis en internationale betrekkingen.

De kruising van islamistische bewegingen met de anti-communistische politieke sfeer onder de omstandigheden van de Koude Oorlog maakte internationale machtsverhoudingen belangrijk voor hun ontwikkeling in Europa. Vanaf de jaren zeventig voegde de toenemende economische macht van de Golfstaten ook een nieuwe dimensie toe aan deze betrekkingen. De financiering door organisaties zoals de in Saoedi-Arabië gevestigde Islamitische Wereldliga (Rabita) vergrootte de materiële kracht van religieus onderwijs, publicaties, gebedshuizen en sociale activiteiten in Europa. De debatten over de Rabita-financiering rond het beleid van Turkije om begin jaren tachtig religieuze functionarissen te sturen, zijn een van de concrete voorbeelden van de relatie tussen staat, religie en kapitaal.

Bijgevolg waren islamistische bewegingen niet slechts passieve instrumenten van buitenlandse machten, maar organisaties die handelden in overeenstemming met hun eigen politieke doelen. Dit neemt echter niet weg dat zij strategische betrekkingen onderhielden met imperialistische en regionale machten. Integendeel, de kruising van hun eigen politieke projecten met de strategische belangen van verschillende staten was een van de basisvoorwaarden waardoor deze structuren in bepaalde perioden geïnstrumentaliseerd konden worden.

Dit historische kader helpt ook om de veranderende internationale posities van actoren zoals de Taliban of Ahmed al-Shara in latere perioden te begrijpen. De definitie van een beweging als “vijand”, “terrorist”, “gesprekspartner” of “partner” kan afhangen van veranderende strategische belangen in de internationale politiek. Dat een beweging in een bepaalde periode door imperialistische machten wordt gebruikt, ontslaat haar echter niet van haar eigen ideologische en politieke verantwoordelijkheid.

Zafer Taşkin

(Dit artikel verscheen op 22 augustus 2026 onder de titel “Din, milliyetçilik ve jeopolitik” op de Turkse website BirGün.)

Meer over de Grijze Wolven lees je in ons dossier “Turks rechts in Nederland”.