“Het doel is dat machthebbers twee keer nadenken voordat ze iets doen, omdat ze weten dat ze op tegenstand kunnen rekenen”

Afgelopen woensdag hield onze vaste gastauteur Bo Salomons in Arnhem een praatje bij Linkse Soep, een evenement dat regelmatig plaatsvindt in diverse steden en waar mensen samenkomen om met elkaar soep te eten en te praten over de wereld en de politiek, van de straat tot het parlement. “Iedereen is welkom – of je nu communist, anarchist, extreem-links, midden-links of twijfelend links bent. Het draait om opbouw van community, onder het mom van lekker eten”, aldus de oproep. Salomons vertelde hoe we kunnen “bouwen aan een sterke, linkse samenleving met solidariteit, gelijkwaardigheid en verzet. Links dat bestaat buiten de politiek, buiten ‘Den Haag’”. Hier hun tekst.
Op 1 februari dit jaar vroeg Nadia Bouras, een mede-Leidenaar, hoe we in Nederland van onze VVD-verslaving kunnen afkomen. Een terechte vraag: in de afgelopen veertig jaar zijn er slechts twee kabinetten geweest waaraan de VVD niet heeft deelgenomen. In de afgelopen veertig jaar heeft de VVD in totaal acht en een half jaar niet geregeerd.
Ik interpreteer haar vraag ook breder, want we moeten natuurlijk niet alleen van de VVD afkomen. We moeten af zien te komen van de hele ideologie die de VVD vertegenwoordigt. We moeten de macht van bedrijven breken, die onze samenleving in een wurggreep hebben. Want uiteindelijk doet de VVD het voor hen. Sociale zekerheid wordt uitgekleed, zodat mensen gedwongen worden om voor een loon te werken. Huren worden duurder, zodat huurders steeds meer van hun loon, en dus van hun ‘werkgever’, afhankelijk zijn. Milieuregels en kwaliteitsregels voor producten zitten een winstgevend bedrijf alleen maar in de weg. Hoe meer macht bedrijven hebben, hoe meer zij die macht gebruiken om winst te maken.
Dat komt niet per se omdat de mensen binnen bedrijven kwaadaardig zijn, maar het kapitalistische systeem dwingt hen daartoe. Stel, je hebt twee bedrijven, A en B. Bedrijf A betaalt werkers een goed loon, ver boven het minimum. Ze geven hun werkers veel vrije dagen, en maken kwalitatief hoogwaardige producten. Bedrijf B betaalt werkers een minimumloon (en iets minder als de arbeidsinspectie niet kijkt), ze hebben een enorme werkdruk, en maken hun producten van slecht materiaal.

Uiteindelijk gaat bedrijf A failliet. Want bedrijf B heeft een hogere winstmarge, en kan dus meer geld uitkeren aan aandeelhouders. Er willen dus meer aandeelhouders in bedrijf B investeren. En die aandeelhouders doen dat ook niet voor hun lol, maar dat zijn óók bedrijven. Enzovoorts, enzovoorts, enzovoorts. De kapitalistische logica dwingt bedrijven om zo gehaaid mogelijk te zijn. En met effect, want die beweging kun je zien in de afgelopen veertig jaar. En vergeet niet: geld is macht. Dat geldt zeker voor het grote vermogen dat de allerrijksten hebben in “aanmerkelijk belang”. Een aanmerkelijk belang heb je als je veel aandelen (en dus zeggenschap) bezit in een bedrijf.
Dus, zou je zeggen, laten we de politieke macht grijpen! We helpen een politieke partij aan de macht, en we gaan de strijd aan met het kapitaal. Helaas gaat dat niet zo makkelijk, vanwege iets dat ik de machtsmechanica noem. Dat zijn de wetmatigheden waar je je aan moet houden om macht te vergaren en te behouden.
De belangrijkste regel: macht zoekt de weg van de minste weerstand. Macht uitoefenen kost geld, arbeid en energie. Hoe meer tijd, geld en moeite je kwijt bent aan het behouden van je macht, hoe minder tijd, geld en moeite je over hebt om daadwerkelijk van je macht gebruik te maken. Dat is wat je ziet in bedrijven: hun winst is hun macht, en hoe minder geld ze kwijt zijn aan loonkosten, hoe meer ze zelf kunnen houden.
Deze wetmatigheid maakt het extreem lastig om macht te vergaren voor een radicaal-linkse beweging, die als doel heeft om economische gelijkheid in Nederland te vergroten. Neem alleen al de media. Linkse mensen hebben enorm veel moeite om serieus genomen te worden door media. Dat is niet omdat er een of ander complot is, maar omdat media óók gebonden zijn aan machtsmechanica en kapitalistische logica. Adverterende bedrijven, een grote inkomstenbron voor de meeste kranten, willen geen kranten steunen die ruimte geven aan radicaal-linkse standpunten. Als een krant een kritisch artikel plaatst over een bedrijf, lopen ze altijd het risico om aangeklaagd te worden. Het omgekeerde risico bestaat niet, want de linkse actiebeweging heeft helemaal geen geld of wil om kranten constant aan te klagen. Dus de constante stroom aan verdachtmakingen van De Telegraaf kunnen gewoon doorgaan.
De verklaring daarvoor is te vinden in de Nederlandse media. Neem als voorbeeld de gemeenteraadsverkiezingen in Amsterdam. GroenLinks, met lijsttrekker Zita Pels, ging de verkiezingen in met een kritische toon over kapitalisme, zeker als het ging om wonen. De plannen van de partij waren overigens niet bijzonder doortastend, vooral het behoud van een 40-40-20 verdeling in de bouw van sociale huur, middelhuur en dure huur. Laten we eens kijken wat de grootste krant van Nederland daarover schrijft.
Voor De Telegraaf was dit een “radicaal-linkse” campagne, waarover “zorgen bij ondernemers” bestonden en waarbij Zita Pels werd beschuldigd van “stigmatiseren”. Volgens Mona Keijzer stond Pels hiermee gelijk aan Stalin, Mao en Pol Pot. Ze werd ook besproken op de meest bekeken talkshow van Nederland, Vandaag Inside, waar de tafelheren haar een “gek” noemden. Daar kunnen we om lachen, maar het is natuurlijk een serieus probleem dat zoveel mensen in Nederland rechtse propaganda binnenkrijgen. Ook in ‘normale’ media is het niet veel soeps. Ook in De Volkskrant en NRC is er constant ruimte voor ‘anti-woke’ gedachtegoed.
In talkshows gebeurt iets soortgelijks. Talkshows trekken kijkers vanwege hun gasten. Hoe bekender de gasten, hoe beter. Maar als de talkshowhosts te kritisch zijn op ministers, of ceo’s van grote bedrijven, of bekende Nederlanders, dan willen ze misschien niet meer aanschuiven. Daarom kunnen talkshows nooit te kritisch zijn op hun gasten, want dat vormt een direct risico voor de kijkcijfers.
Dat verklaart waarom links in Nederland in honderd jaar nog nooit zo klein is geweest. De laatste keer dat linkse partijen samen zo weinig zetels hadden was in 1917. Dat was vóór de invoering van het algemeen kiesrecht, waardoor arme mensen en vrouwen nog niet konden stemmen. Het is een reden voor linkse partijen om hun toon te matigen, want anders kunnen ze een constante stroom van rechtse kritiek verwachten.
Eén uitleg vinden we in het boek van Edward Herman en Noam Chomsky over “manufactured consent”. Een van de belangrijkste effecten die zij omschrijven heet “flak”. Daarmee bedoelen ze kritiek en rechtszaken waarmee bedrijven kunnen dreigen. Journalisten moeten dus erg voorzichtig zijn als ze een bedrijf bekritiseren, terwijl ze minder voorzichtig hoeven te zijn als ze een linkse partij bekritiseren. Zeker in Nederland, waar kritiek op socialisme diep in de cultuur zit ingebakken.
Je neemt het in Nederland overigens niet alleen op tegen de media, maar ook tegen de politieke consensus. Die is in Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog stevig verankerd. Dat komt omdat Nederland nooit een tweepartijensysteem heeft gehad, maar een verzuilde samenleving. De verkiezingsuitslag uit 1972 was lang tekenend voor de Nederlandse situatie: een links blok, een rechts blok, en een middenblok van confessionele partijen die soms over rechts regeren, en soms over links.
Dat betekent dat partijen altijd rekening moeten houden met de toekomstige formatie. Je kan je als partij wel heel strijdbaar en radicaal opstellen, maar dan verlies je in de toekomst misschien wel de formatie.

Dat gebeurde in 1977. De PvdA was de dominantie van de confessionele partijen helemaal zat, en besloot tot een polarisatiestrategie. Je was óf links en progressief, óf rechts en conservatief. De PvdA wilde af van de reputatie van confessionele partijen als conservatief maar economisch sociaal. Dus voerden ze campagne op grondpolitiek, democratisering van de werkvloer en nog meer, expliciet om een socialistische samenleving teweeg te brengen. En dat lukte, want de PvdA behaalde haar grootste verkiezingsoverwinning ooit. Maar voor CDA was het te links, en die gingen dus over rechts regeren met de VVD. De PvdA, die toch wel invloed wilde, liet daarna de polarisatiepolitiek los.
Dat resulteerde in de politiek die in de jaren tachtig de “nieuwe zakelijkheid” heette, maar die nu dus al meer dan veertig jaar oud is. In die zakelijke politiek draait het om een kern waar alle partijen het over eens zijn, en wordt er alleen nog gediscussieerd over de details. Die kern werd door Mark Fisher ook wel het “kapitalistische realisme” genoemd: het idee dat neo-liberaal kapitalisme de enig mogelijke bestuursvorm is. Dat idee zit diep ingebakken in de politiek en in de media. Dat doorbreken met verkiezingen is praktisch onmogelijk.
Zelfs al lukt het een partij om een absolute meerderheid te krijgen in beide Kamers, dan nog ben je er niet. Dan pas begint het echte werk. Want stel, je bent minister in een radicaal-linkse regering. Ga je dan alle problemen tegelijk aanpakken? Dan gaan de bedrijven zich misschien wel tegen je verenigen. Lobbyisten kunnen dan je wetgeving tegenwerken, advocaten slepen je voor de rechter, bedrijven dreigen het land te verlaten… Maar als je het een voor een aanpakt, dan moet je weer compromissen sluiten.
Het is theoretisch niet onmogelijk om de wereld te veranderen via het parlement. Dat is juist een probleem, want daardoor hebben zoveel mensen nog vertrouwen in de politiek. In theorie zou het moeten werken, alleen in de praktijk werkt het niet. In dit geval moeten we luisteren naar de woorden van Stafford Beer, een belangrijke stem in de organisatiewetenschap, die zegt: het doel van een systeem is wat het doet. Met andere woorden: het heeft geen zin om te doen alsof een systeem, zoals een politiek systeem, een ander doel heeft dan wat het daadwerkelijk doet.
En wat parlementaire politiek doet, is vooral mensen bezighouden. Het is een bliksemafleider voor mensen die politiek bezig willen zijn, en denken dat dit de meest effectieve manier is om dat te doen. Partijpolitici willen die illusie ook graag in stand houden, al is het maar voor hun eigenwaarde. Tegelijkertijd pretenderen ze zo dat ons politieke systeem meer kan dan het daadwerkelijk doet.
Je zou kunnen zeggen dat ik hiermee het vertrouwen in de overheid aan het schaden ben. En dat klopt ook, maar vertrouwen krijg je niet vanzelf. Vertrouwen moet je winnen, en wat ik in de afgelopen dertig jaar aan politiek heb gezien, geeft mij geen vertrouwen.
Maar wat geeft me wél vertrouwen?
Even voor de duidelijkheid: ik ben hier niet om mensen belachelijk te maken die lid zijn van een politieke partij of zich voor een partij inzetten. Dat heb ik allebei ook gedaan. Wie echter beweert dat onze focus moet liggen op partijpolitiek in plaats van buitenparlementair activisme, heeft een hoge bewijslast. Een partijpoliticus moet immers onderbouwen dat er een partij is die politiek bereid is om verregaande keuzes door te voeren, die daarnaast ook een absolute meerderheid in het parlement kan halen. Vervolgens moet een partij de beloften nakomen. Vooralsnog heeft niemand mij ervan kunnen overtuigen dat dat een gangbare politieke strategie is.
Dus of je nu een partijpoliticus bent of een buitenparlementair activist, we kunnen het erover eens zijn dat er iets in de samenleving moet veranderen voordat verandering in het parlement überhaupt mogelijk is. We zullen de macht van het kapitaal moeten breken, zonder te rekenen op hulp uit het parlement.
Hoe gaan we dat doen? We hebben het tot nu toe vooral gehad over bepaalde zwakheden van de linkse beweging, maar nu moeten we het hebben over onze krachten. Allereerst hebben wij als mensen die van arbeid afhankelijk zijn allemaal onze vaardigheden. Dit zijn onze professionele capaciteiten, maar ook onze hobby’s. We hebben allemaal vaardigheden die we in kunnen zetten. Verplegers hebben medische kennis die onze beweging erg weinig heeft. Ook ambtenaren hebben een organiserend vermogen. Sowieso kan iedereen die betaald werk doet, collega’s organiseren in de vakbeweging.
Als je je gaat organiseren, kan je beginnen met een klein groepje mensen. Om een voorbeeld te geven: in Leiden hebben we veel moeite gedaan om Forum voor Democratie (FvD) tegen te werken in hun campagne. Met een actieve kerngroep van niet meer dan tien mensen hebben we veel dingen voor elkaar gekregen. Zo hebben we demonstratief een debat verstoord waar FvD aan meedeed. Dat debat ging uiteindelijk door, maar andere organisatoren van andere debatten hebben FvD daarna niet meer uitgenodigd. En er was een andere groep activisten in Leiden die campagnemateriaal van FvD heeft verwijderd.
Dit effect noem ik “wrijvingspolitiek”. Het is niet gericht op één climactische overwinning, maar op erosie van de macht. Daarom moeten we ons niet tijdelijk organiseren voor één evenement, maar duurzaam organiseren zodat we druk uit kunnen blijven oefenen. Het doel is dat mensen met macht twee keer nadenken voordat ze iets doen, omdat ze weten dat ze op tegenstand kunnen rekenen. Zo kunnen wij effect uitoefenen op mensen zonder met hen in onderhandeling te hoeven treden, en zelfs zonder aan tafel te zitten.
Dit soort acties hebben een effect dat verder gaat dan je misschien verwacht. Een ander voorbeeld: op een dag kwamen de fascisten van Civitas Christiana langs op het stationsplein in Leiden. Een vriend uit de actiebeweging stuurde een foto in een anti-fascistische groepsapp. Een paar mensen, drie of vier, maakten een groepje, en dat groepje werd groter en groter, tot er tweehonderd mensen op het Stationsplein stonden te schreeuwen. Twee kameraden waren bordjes aan het maken met karton die ze van de lokale Albert Heijn hadden gekregen, waar één kameraad werkt. Naderhand heb ik met een aantal mensen gesproken, voor veel mensen was dit hun eerste demonstratie. Zij voelden zich veiliger omdat wij daar met z’n allen stonden. Ze gingen naar huis met een ervaring rijker, en de wetenschap dat er in Leiden veel meer mensen zijn die denken als zij. En wellicht sluiten ze in de toekomst nog meer aan.
Een tweede kracht van onze beweging: we beseffen het misschien niet, maar onze vijand is broos. Sterker nog: de vijand heeft zichzelf broos gemaakt. De obsessie met efficiëntie van neo-liberale kapitalisten zorgt ervoor dat hun eigen systemen steeds zwakker worden. Het is als een jenga-toren, waar door bezuinigingen steeds meer blokjes uit zijn gehaald. Dat is overigens grotendeels in ons nadeel, want dat verklaart ook bezuinigingen op onze sociale zekerheid, het onderwijs, de gezondheidszorg, en nog veel meer. Maar kapitalisten hebben ook bezuinigd op hun eigen infrastructuur.

Neem bijvoorbeeld just-in-time logistiek. Dat is logistiek waarbij bedrijven zoals fabrieken geen grote voorraden aan grondstoffen en producten opbouwen, maar grondstoffen net op tijd laten bezorgen. Dat heeft voor de bedrijven als voordeel dat ze geen ruimte nodig hebben voor grote pakhuizen, maar het heeft ook een zwakte, zoals we zagen toen een schip het Panamakanaal verstopte. Er waren ooit plannen voor een tweede – parallel – kanaal, maar dat idee was als “te duur” afgeschoten. Uiteindelijk hebben de neo-liberale kapitalisten zo hun eigen crisis gecreëerd.
Dat maakt kapitalisten vatbaar voor sabotage. Sabotage is waarschijnlijk een van de meest effectieve vormen van actie, omdat je directe impact hebt op de wereld. Een voorbeeld van succesvolle sabotage is de Tyre Extinguishers. Dat is een klimaatgroep die zich richt op suv’s. Ze gaan naar rijke wijken en draaien ventieldopjes van de wielen van grote auto’s open, en doen er een steentje of een bulgurkorreltje in. Daardoor lopen de banden langzaam leeg. Dit zorgt ervoor dat de eigenaar een garage moet bellen, maar het maakt het ook lastiger om auto’s te verzekeren. Dit is ook weer wrijvingspolitiek: door kleine acties maak je bepaalde auto’s onaantrekkelijk. Je kan de parlementaire weg bewandelen, en tien jaar knokken voor een iets hogere belasting op vervuilende auto’s, of je kan dit doen. Het is kleiner, maar heeft een groot effect.
Op grotere schaal zien we Ende Gelände, een massale Duitse beweging die actie voert tegen onder meer bruinkoolmijnen in Duitsland. Door dorpjes te bezetten die anders gesloopt zouden worden, en bruinkoolmijnen stil te leggen, weten zij bruinkoolproductie zelf te stoppen, zonder dat ze daarvoor eerst langs een wetgever hoeven.
Naast de effectiviteit is directe actie gewoon fijn. Zelf vind ik parlementaire politiek frustrerend om te volgen. Het is traag, en er zijn zoveel hordes waarbij het mis kan gaan. Soms wordt er jaren gewerkt aan een wet, die dan met een paar moties en amendementen om zeep wordt geholpen. Buitenparlementair activisme betekent dat je zelf kan bijdragen. Je kan je lichaam en tijd inzetten om te strijden voor waar je in gelooft. Natuurlijk winnen we niet altijd, maar geloof me, het is beter om te strijden en vervolgens te verliezen, dan om niet te strijden en het allemaal aan je voorbij te laten gaan.
Naast dat het fijn is, moeten we het ook echt nú gaan doen. We staan op de vooravond van een van de grootste economische crises in de geschiedenis. Als de ai-bubbel barst, dan zal het kapitalisme een nieuwe crisis in gaan, en onze klasse wordt daarvan het grootste slachtoffer, zeker als deze rechtse regering aan het roer zit. Als mensen op straat komen te staan, dan kan alleen de linkse actiebeweging iets voor hen bieden. Maar daarvoor moeten we nu de capaciteit opbouwen.

Hetzelfde geldt voor het opkomende fascisme. Als je kijkt naar de Tweede Wereldoorlog, dan zie je dat de groepen die al in verzet waren tegen de vooroorlogse Nederlandse regering, het beste in staat waren om verzet te leveren tegen de fascistische bezetter. Ook die capaciteit moeten we nu opbouwen, voor het geval dat de fascisten straks echt aan de macht komen.
De droom is uiteindelijk een actiebeweging die zo sterk is dat het niet uitmaakt wie de verkiezingen winnen. Dat het niet uitmaakt wie er in de regering zit. Dat wij ons ding kunnen doen, en dat het parlement achter ons aan moet lopen. Daar kunnen we na vandaag mee verder gaan.
Bo Salomons
