Mag de sociale dienst bijstandsgerechtigden verplichten om twee jaar bankafschriften te laten zien?

Het regime in de bijstand wordt soms wel vergeleken met een “sociaal panopticum”. Een panopticum was oorspronkelijk een gevangenis, waarin bewaakten en bewakers voortdurend zichtbaar zijn door de inrichting van het gebouw en waarbij ze elkaar dus voortdurend in de gaten kunnen houden. Daardoor zullen bewaakten en bewakers niet snel de strenge regels overtreden, omdat ze weten dat ze gemakkelijk tegen de lamp kunnen lopen.
Het regime in de bijstand is een virtueel sociaal panopticum. Er is geen sprake van een fysieke gevangenis, maar de strenge geboden en verboden in het gedrag van de bijstandsgerechtigden worden voortdurend in de gaten gehouden. Daarbij is de bijstand zo ingericht dat alle extra inkomsten en besparingen en ook relaties met andere mensen aan de sociale dienst moeten worden gemeld en ook worden gecontroleerd. De bijstandsgerechtigden ‘internaliseren’ de strenge regels van de sociale dienst. Voortdurend is de dienst in hun gedachten, ook al worden ze vaak maar periodiek gecontroleerd. Aan de grenzen van het sociaal panopticum zijn er voortdurend onderhandelingen en conflicten tussen de uitvoerende instantie, haar ambtenaren en de bijstandsgerechtigden over hoever de sociale dienst mag gaan in haar controles.
Centrale Raad van Beroep
Zo was er een bijstandsgerechtigde die bij een controle door de sociale dienst alle bankafschriften van de afgelopen twee jaar moest laten zien, in plaats van de gebruikelijke verplichting om alleen maar de bankafschriften van de laatste drie maanden te tonen. Onlangs deed de Centrale Raad van Beroep hierover een uitspraak. Het ging om een zaak waarbij de sociale dienst had ontdekt dat iemand drie auto’s op haar naam had staan. De sociale dienst vroeg daarop twee jaar bankafschriften op.
“De registratie van voertuigen op naam van appellante roept wel de vraag op hoe appellante de voertuigen heeft gefinancierd, aangezien haar vermogen bij aanvang van de bijstand op een negatief bedrag is vastgesteld” , aldus de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak. “Maar dat rechtvaardigt op zichzelf nog niet dat direct wordt begonnen met het opvragen van bankafschriften over een periode van ruim twee jaar. Het college was op 16 maart 2022, de datum waarop de bankafschriften zijn opgevraagd, namelijk niet op de hoogte van andere feiten of omstandigheden dan die hierboven genoemd op grond waarvan kon worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom niet eerst een lichter onderzoeksmiddel had kunnen worden ingezet, zoals het opvragen van bankafschriften over drie maanden en informatie over de (bekostiging van de) drie auto’s bij appellante en/of het voeren van een gesprek met haar. Aan de hand van de aldus verkregen gegevens en voor zover die dat zouden rechtvaardigen, zou het college stapsgewijs zwaardere onderzoeksbevoegdheden kunnen inzetten, waaronder het opvragen van bankafschriften over langere perioden. Het college heeft ter zitting ook niet kunnen uitleggen waarom in eerste instantie niet kon worden volstaan met een dergelijk minder zwaar onderzoeksmiddel. Door direct bankafschriften over een periode van ruim twee jaar op te vragen heeft het college gehandeld in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.”
Uit deze uitspraak blijkt dat de Centrale Raad twee jaar bankafschriften opvragen een zwaar middel vindt, en dat dit pas kan worden ingezet als alle andere middelen om aan informatie te komen zijn uitgeput. Maar wat schiet je daar als bijstandsgerechtigde mee op? De Centrale Raad oordeelt dat een gesprek moet worden gevoerd. Maar ook dat is geen sinecure. Want de bijstandsgerechtigde kan dan flink onder druk worden gezet. Met de uitspraak van de Centrale Raad kom je dan ook van de regen in de drup.
Piet van der Lende
(Dit artikel verscheen eerder bij De Bijstandsbond.)
