Links en intersectionaliteit, deel 6: onderdrukten volgen of zelf verantwoordelijkheid nemen?

Intersectionaliteit.
Intersectionaliteit.

Eigenlijk hadden we onze reeks vertalingen over links en intersectionaliteit al afgesloten, maar we kunnen het niet laten en plaatsen er nog eentje om het af te leren. Dit artikel stond eerder op Roarmag en is een fragment uit het boek “Taking sides: revolutionary solidarity and the poverty of liberalism”, onder redactie van Cindy Milstein.

Precies tien jaar geleden is het initiatief tot de oprichting van Doorbraak genomen door leden van de Turks-Nederlandse groep Aksi. Zij zochten verregaande samenwerking met de radicaal-linkse anti-racistische organisatie De Fabel van de illegaal. Doorbraak is momenteel een organisatie met pakweg tweederde witte leden. We zijn dus een in meerderheid witte organisatie, maar we definiëren onszelf in eerste instantie niet op kleur maar op politieke visie: we zijn een revolutionair- of radicaal-linkse organisatie.

De reeks vertalingen

1. Wat kan anarchisme ervan leren en eraan bijdragen?
2. Het kasteel van de vampieren
3. “Ik ben vrouw én mens”
4. “Marxisten ook niet vies van identiteitenpolitiek”
5. Alleen een mooi analytisch model of ook bruikbaar in de actiepraktijk?
6. Onderdrukten volgen of zelf verantwoordelijkheid nemen?

Nog wat leesvoer

Het zijn er nog niet overdreven veel, maar er verschijnen in Nederland langzamerhand ook meer stukken over “intersectionaliteit”. Graag vestigen we de aandacht op vier van de artikelen die we vorig jaar tegenkwamen, en die er wat ons betreft bovenuit sprongen. Stuk voor stuk zeer lezenswaardig, informatief en scherp. Allereerst het analytische stuk “Naar een intersectioneler Zwart activisme” van Hodan Warsame en Ramona Sno van 4 januari 2015, aansluitend gevolgd door de meer persoonlijke “Overdenkingen” van Sno van 10 maart. Beide op de website Dis/content, die zeer de moeite waard is om te volgen. Eind oktober publiceerde de website De Omslag, die is opgezet om de Maagdenhuisdebatten voort te zetten, het heldere artikel “Intersectionality. A travelling concept” van Nancy Jouwe en het behoorlijk kritische, maar wel solidaire “Identity Politics: Nothing Personal” van Murat Aydemir. Beide alleen in het Engels (voor zover we weten).

We zijn onder meer actief tegen racisme en vinden het essentieel dat zwarte en bruine mensen binnen en buiten Doorbraak bij campagnes en acties op dat terrein een leidende rol hebben. Net zoals we vinden dat de strijd van vluchtelingen en migranten centraal moet staan bij onze activiteiten tegen migratiebeheersing. En dat baanlozen in principe een doorslaggevende stem moeten hebben als het gaat om bijvoorbeeld de strijd tegen dwangarbeid. En zo bepalen vrouwen vanzelfsprekend de strijd tegen het patriarchaat. Het gaat in al deze gevallen immers in eerste instantie om verbetering van hun positie, en zij hebben er over het algemeen een beter inzicht in hoe de betreffende onderdrukkings- en/of uitbuitingsrelatie in de praktijk werkt en bestreden kan worden.

Maar het is goed om te beseffen dat dit algemene principe uiteindelijk niet meer kan zijn dan een vuistregel. In het door Shirley de Vet vertaalde artikel van M. worden de grenzen daarvan verkend. Welke zwarte en bruine mensen willen we dan dat de lijnen uitzetten? Welke baanlozen? Want natuurlijk heeft niet iedereen in dezelfde onderdrukte positie dezelfde politieke kijk op de wereld. Er zijn immers progressieve en conservatieve, autoritaire en autonome, feministisch en patriarchaal gezinde zwarte en bruine mensen, baanlozen en vrouwen. In haar artikel betoogt M. dat de de strategie van volgzaamheid van activisten, door haar ook wel “bondgenotenpolitiek” genoemd, uiteindelijk paternalistisch is en de onderdrukkende orde in stand houdt. Alleen samenwerking op basis van werkelijke gelijkwaardigheid zou onderdrukking kunnen bestrijden. Haar artikel biedt wat ons betreft zeker niet dé analyse of dé oplossing, maar zet wel aan tot belangrijke discussies.

Eric Krebbers


Van liefdadigheid tot solidariteit: een kritiek op bondgenotenpolitiek

Bondgenotenpolitiek suggereert ten onrechte dat je privileges alleen ondermijnd kunnen worden wanneer je je rol als individu opgeeft en de leiding gaat volgen van de onderdrukten.

Het liberale concept van “bondgenootschap” maakt deel uit van een op rechten gebaseerd vertoog over identiteitenpolitiek. Het gaat uit van het idee dat er vastomlijnde groepen mensen zijn (zwarte mensen, vrouwen, homo’s, enzovoorts) die onrecht wordt aangedaan via structurele onderdrukking in onze samenleving. Dat we voorbij deze verschillen moeten gaan om gelijkheid voor iedereen te kunnen bereiken. En dat vooral degenen die het meest profiteren van structurele onderdrukkingen de verantwoordelijkheid daartoe moeten nemen. Centraal staat het idee dat iedereen verschillende levenservaringen heeft die zijn gevormd door onze ervaren identiteiten. En als je dus een identiteit hebt die bepaalde privileges geniet, dan kun je de ervaringen van iemand met een onderdrukte identiteit niet begrijpen.

Om het sociale privilege waar je van profiteert te ondermijnen, moet je volgens de bondgenotenpolitiek je rol als initiatiefnemer opgeven en een bondgenoot worden van de onderdrukten. Een goede bondgenoot heeft geleerd dat je nooit de gevolgen kunt begrijpen van het rondlopen in deze wereld in de schoenen van een onderdrukte… [vul aan met een persoon aan het ontvangende einde van een specifieke onderdrukking]. En dat de enige manier waarop je met integriteit kunt handelen, het volgen is van het leiderschap van diegenen die onderdrukt worden, hun projecten en doelen te steunen, en altijd te vragen om hun suggesties en te luisteren naar hun ideeën wanneer je zelf niet weet wat je moet doen.

Het wordt echter heel snel heel ingewikkeld, wanneer je ontdekt dat er niet één massa van mensen van kleur – of van een andere op identiteit gebaseerde groep – bestaat wiens leiding je kunt volgen. En dat mensen binnen één bepaalde identiteit het niet alleen oneens kunnen zijn over belangrijke dingen, maar ook vaak tegenstrijdige belangen kunnen nastreven.

In een poging om niet-witte mensen te vinden om aanwijzingen van op te volgen, eindigen witte mensen vaak met het ‘tokeniseren’ (het maken tot excuus) van een specifieke groep wier politiek overeenkomt met hun eigen politiek. “Wat denkt de NAACP, Critical Resistance of het Dream Team over kwestie X?” Of ze kiezen de meest zichtbare “leider” van een gemeenschap uit omdat het sneller en makkelijker is om af te spreken met een directeur van een organisatie, een dominee van een kerk of een politicus die een district representeert, dan om een echte relatie op te bouwen met de mensen die bij dat verband horen.

Deze benadering om racisme te ontmantelen, versterkt structureel de hiërarchische macht waar we tegen vechten door een kleine groep te vragen om de meningen te representeren van heel veel mensen met een variëteit aan verschillende geleefde ervaringen. Wanneer mensen beter willen begrijpen hoe ze op een verantwoorde manier het leiderschap kunnen volgen van diegenen die meer geraakt worden door onderdrukking, kiezen ze vaak een leider van een gemeenschap, niet slechts omdat dat de makkelijkste benadering is, maar ook – of ze het nu willen toegeven of niet – omdat ze niet alleen hun behoefte aan leiding willen vervullen, maar ook omdat ze zoeken naar legitimiteit.

Gedurende het leerproces over onderdrukking ga je zien hoe je profiteert van de onderdrukking van anderen, omdat onze samenleving bepaalde identiteiten waardeert. Je moet ermee leren omgaan dat je in onze samenleving bepaalde privileges verdient, simpelweg om hoe je eruit ziet of om waar je familie vandaan komt – en er is niets wat je kunt doen om je privilege volledig te weigeren of te herverdelen. Die kennis gaat vaak samen met een diep gevoel van witte schuld. Het kan verlammend zijn om te weten dat je iets hebt wat anderen nooit zullen krijgen, ook al heb je daar niets voor gedaan, en dat je niet de macht hebt om dat privilege te veranderen.

Dat schuldgevoel, gekoppeld aan het idee dat de enige ethische manier van handelen het opvolgen van aanwijzingen van anderen is, kan een machteloos gevoel geven. Het model van bondgenotenpolitiek plaatst de last van racisme exclusief op de schouders van witte mensen, als een met opzet omdraaien van de sociale hiërarchieën, terwijl duidelijk wordt gemaakt dat je nooit kunt ontsnappen aan deze onrechtvaardigheid. Wel wordt er een gedeeltelijke genade geboden in de vorm van een simpele maar rechtstreekse boetedoening: luisteren naar mensen van kleur. Wanneer je genoeg hebt geleerd van mensen van kleur om een minder racistische witte persoon te zijn, wijs dan andere witte mensen op hun racisme. Je zal nog steeds een racistisch wit persoon zijn, maar dan in mindere mate, en in meerdere mate een betrouwbaar wit persoon. En je krijgt op zijn minst het ethische gelijk aan jouw kant, in die zin dat je andere witte mensen kunt vertellen wat zij moeten doen. Keer op keer hebben we gezien dat dit verlossingsmodel ons niet in een bevrijdende richting stuurt – alleen in de richting van toegenomen zelfgenoegzaamheid en machtsspelletjes.

Het zijn van een bondgenoot staat gelijk aan het wegduiken voor de verantwoordelijkheid voor onze eigen acties – het is het legitimeren van je positie door iemand anders stem over te nemen, om altijd te handelen vanuit iemand anders naam. Het is een manier van de macht te grijpen terwijl tegelijkertijd je eigen verantwoordelijkheid beperkt, niet alleen omdat je je verstopt achter anderen, maar ook omdat je het gegeven negeert dat je zelf bepaalt naar wie je luistert – en dat alles terwijl je doet alsof, of jezelf wijs maakt dat je het leiderschap volgt van een niet-bestaande gemeenschap van mensen van kleur of die van de meest geschikte zwarte stemmen. En wie ben jij om te bepalen wie de meest geschikte wat-dan-ook is? Praktisch gezien betekent het dat je zoekt naar een zwarte stem die het met jouw standpunten eens is, om zo je eigen behoefte te rechtvaardigen ten opzichte van de behoeften van andere witte mensen – of die van gemengde groepen. (…)

Ik hoor regelmatig van anti-autoritaire “witte bondgenoten” dat zij samenwerken met autoritaire of niet-politieke zelforganisaties, soms aan projecten waar ze niet eens in geloven, omdat het zo’n belangrijk ding is dat ze het leiderschap van mensen van kleur volgen. De onuitgesproken aanname is dat er geen anti-autoritaire mensen van kleur zijn – of in ieder geval geen mensen die het waard zijn om mee samen te werken. De keuze om autoritaire mensen van kleur te volgen maakt zo alle anarchisten of niet aan een organisatie gebonden mensen van kleur, die onze kameraden zouden kunnen zijn in onze strijd tegen hiërarchische machten, onzichtbaar. Het is voor de hand liggend dat er op zijn minst een net zo breed spectrum aan politieke ideologieën bestaat in gemeenschappen van kleur als in witte gemeenschappen.

Anarchisten en anti-autoritairen maken een duidelijk onderscheid tussen enerzijds liefdadigheid en anderzijds solidariteit gebaseerd op de principes van affiniteit en wederzijdse hulp. Affiniteit is gewoon zoals het klinkt: dat je het makkelijkst samen kunt werken met mensen die jouw doelen delen, en dat je werk het sterkst is wanneer je relaties gebaseerd zijn op vertrouwen en liefde. Wederzijdse steun is het idee dat we allemaal baat hebben bij elkaars bevrijding en dat wanneer we handelen vanuit die onderlinge afhankelijkheid, we met elkaar kunnen delen als zijnde gelijken.

Liefdadigheid is daarentegen iets dat wordt gegeven, en niet alleen omdat er een overdaad is om te delen, maar ook omdat het is gebaseerd op een denkwereld die ervan uitgaat dat anderen inherent die hulp nodig hebben – dat ze niet in staat zijn om voor zichzelf te zorgen, en dat ze zonder die hulp zouden lijden. Liefdadigheid is kleinerend en egoïstisch. Het zet sommige mensen neer als “hen die hulp geven”, en anderen als “hen die hulp nodig hebben”. Het stabiliseert onderdrukkende filosofieën door de posities van mensen in die systemen vast te leggen.

Autonomie en zelfbeschikking zijn ook essentieel bij het maken van een dergelijk onderscheid. Het erkennen van autonomie en zelfbeschikking van individuen en groepen bevestigt hun mogelijkheden. Het gaat erom in te zien dat een groep iets waardevols heeft om samen na te streven door middel van interacties met hen, of het nu gaat om iets materieels of iets minder grijpbaars, zoals perspectief, plezier of inspiratie. Het solidariteitsmodel verdrijft het idee van binnen of buiten een groep vallen, legt er de nadruk op dat individuen tot meerdere groepen behoren en hoe die groepen met elkaar overlappen, terwijl tegelijkertijd respect wordt geëist voor de identiteit en zelfredzaamheid van die groepen.

Het model van liefdadigheid en bondgenootschap, aan de andere kant, is zo sterk geworteld in het idee van ik en de ander dat ze mensen dwingen om te passen in specifieke groepen die in vooraf bepaalde verhoudingen tot elkaar staan. Volgens de bondgenotenpolitiek is de enige manier om iemands eigen privilege te ondermijnen, het opgeven van haar of zijn rol als een individueel politiek subject, en het leiderschap te volgen van diegenen die meer of op een andere manier worden onderdrukt. Witte bondgenoten, bijvoorbeeld, wordt expliciet geleerd dat zij geen lof moeten verwachten – al helemaal niet van mensen van kleur – en toch hangt er vaak een sfeer van zelfgenoegzaamheid rond het werk van bondgenoten, alsof het zich nederig gedragen speciaal aangedikt wordt om zo de lof te ontvangen waar ze niet om kunnen vragen. Veel witte bondgenoten doen hun ondersteunend werk op een zodanige manier dat ze zichzelf toch weer in het centrum van de aandacht plaatsen, als zijnde de enige individuen die mee komen vechten tegen het racisme waar mensen met kleur mee geconfronteerd worden.

Bondgenotenpolitiek suggereert dat je, via het verschuiven van je rol van subject naar bondgenoot, je schuld kunt verminderen. De bevrijdende of anarchistische benadering stelt daarentegen dat elk persoon haar of zijn eigen verantwoordelijkheid behoudt, en dat de enige manier waarop je verantwoordelijk kunt zijn, is door te handelen vanuit je eigen behoeften terwijl je de behoeften van andere groepen leert te begrijpen en erop leert te reageren. Door onze gesocialiseerde individualiteit te ontrafelen tot we kunnen voelen hoe onze overleving/bevrijding oneindig is gelinkt aan de overleving/bevrijding van anderen, ontstaat er een wederzijdse afhankelijkheid in tegenstelling tot onafhankelijkheid, en dat stelt ons in staat om verantwoordelijkheid te nemen voor onze keuzen, zonder een baas of een gids die we de verantwoordelijkheid kunnen geven voor onze beslissingen.

Voor een bevrijdende kijk op privilege zou ieder van ons moeten leren wat ons belang is in het veranderen van dergelijke machtssystemen, om in te zien hoeveel we allemaal te winnen hebben bij het omverwerpen van alle hiërarchieën van onderdrukking. Voor veel mensen vraagt dat om een verschuiving van waarden. Een op rechten gebaseerde discussie over gelijkheid wil ons doen geloven dat we allemaal geatomiseerde middenklassefamilies kunnen worden, ongeacht ras, en ongeacht of we heteroseksueel of homoseksueel zijn. Maar iedereen die wel eens aan de grond heeft gezeten, weet dat er aan de bovenkant – of zelfs in het midden – nooit genoeg plaats is voor iedereen. Een collectieve strijd voor bevrijding kan ons allemaal bieden wat we nodig hebben, maar het betekent wel dat we moeten zoeken naar dingen die in overvloed gedeeld kunnen worden – niet naar de dingen die per definitie gelimiteerde bronnen hebben.

M.