Ontkenning, superioriteit en onwetendheid: Nederlands racisme onder de loep

Een van de bekendste en hardnekkigste manifestaties van Nederlands racisme.
Een van de bekendste en hardnekkigste manifestaties van Nederlands racisme.

Zwarte Piet, Geert Wilders, Koninginnedag, het Nederlandse slavernijverleden, antisemitisme na de oorlog, islamofobie in de media en op de werkvloer, het komt allemaal aan bod in de essaycollectie “Dutch racism”, samengesteld door Isabel Hoving en Philomena Essed (vooral bekend van haar boek “Alledaags racisme”). Het Nederlandse racisme van toen en nu wordt van alle kanten belicht, historisch, sociologisch, psychologisch, en dat levert een fascinerend overzicht op aan perspectieven en inzichten. Eigenlijk te veel om allemaal in je op te nemen. Maar dat is misschien ook niet de bedoeling.

Is er iets speciaals aan Nederlands racisme? Iets dat Nederlands racisme anders maakt dan, bijvoorbeeld, Brits racisme? Dat is een van de kwesties die de twee academici Hoving en Essed in de inleiding van hun bundel aan de orde stellen. Ook al zijn de afzonderlijke elementen van het Nederlandse racisme misschien ook aanwezig in andere landen, de specifieke samenstelling van deze elementen maakt het racisme hier wel “Nederlands”. In ieder geval Nederlands genoeg om vijfentwintig andere academici en denkers, zowel Nederlanders als niet-Nederlanders, te vragen om er een stuk over te schrijven.

Buitenstaanders

Wat de diverse bijdragen bijzonder, maar soms ook vermoeiend maakt, is dat ze voor een groot deel niet alleen in het Engels zijn geschreven, maar ook gericht lijken op “buitenstanders”. Zo besteedt Halleh Ghorashi in een stuk over de stigmatisering en marginalisering van moslims bijvoorbeeld veel tekst aan een algemene en redelijk oppervlakkige uitleg van de Nederlandse verzuiling (“pillarization”), wat misschien niet echt nodig zou zijn voor de Nederlandse lezer. Tegelijkertijd maakt deze “externe blik” de vele artikelen ook juist interessant, omdat het een “neutrale” kijk op Nederland overbrengt, een gevoel van mensen die van buitenaf beoordelen wat er in dit land gaande is. En dat doen ze voor het grootste deel op een wetenschappelijke manier: de een gaat terug in de geschiedenis naar de oorsprong en de voorgangers van Zwarte Piet. De ander analyseert interviews met zwarte Nederlanders over hun ervaringen met racisme. Ondanks de wetenschappelijke insteek komt er vaak ook een persoonlijk element bij, waarbij de auteurs vertellen over hun eigen ervaringen, soms direct met racisme, soms eerder met de taboeïsering en ontkenning ervan.

Sommige artikelen zijn zelfs helemaal gewijd aan de blik van de buitenstaander die zich verbaast over de taboes en kromme redeneringen in het Nederlandse racisme-debat. Redeneringen die voor ons misschien alweer zo bekend zijn dat we die niet eens als uitzonderlijk waarnemen, maar met een zucht aan ons voorbij laten gaan. Ellie Vasta, in Australië opgegroeid als kind van Italiaanse immigranten en als volwassene verhuisd naar Engeland, vertelt hoe ze op een conferentie in Nederland op puur onbegrip en extreme weerstand stuit wanneer ze een in haar ogen volledig terechte en onderbouwde analyse van institutioneel racisme presenteert. En hoe de Nederlandse academici waarmee ze in discussie gaat, haar uitleggen dat racisme niet de goede term is, maar dat ze het over discriminatie moet hebben. Dat er een verschil zou zijn tussen “racistische bedoelingen” en “racistisch effect”. Vasta komt tot de conclusie dat het in Nederland aan een kritische benadering ontbreekt, dat juist op academisch niveau ontkenning de plaats van analyse of reflectie inneemt: “Agressiviteit tegen critici fungeert nog altijd als een substituut voor constructieve betrokkenheid”.

Tolerant

Ook Stephen Small presenteert een “perspectief van de buitenstaander”. In een zeer persoonlijk stuk vertelt hij hoe hij als jonge Britse man in de late jaren zeventig naar Nederland kwam om er een tijdje te wonen en te werken en van de Nederlandse openheid en vrijheid, het beroemde Nederlandse liberalisme te genieten. Al snel moet hij zijn beeld van tolerant en harmonieus Nederland bijstellen. De beelden en ervaringen die hem bij zijn gebleven, klinken erg bekend: de politie die zwarte mannen, waaronder hijzelf, te pas en te onpas om een identiteitsbewijs vraagt, uitzendbureaus die hem meteen afwijzen zonder een blik op zijn cv te werpen, en het hoge aantal donkere vrouwen die in Amsterdam in de prostitutie werken, vergeleken met een veel kleiner aantal witte vrouwen. Vijfentwintig jaar later, als professor in “race and ethnic relations”, komt hij opnieuw naar Nederland. Met minder hoge verwachtingen is hij zelfs positief verrast over sommige tekenen van vooruitgang: de Bijlmermeer staat er wat beter bij, en hij is onder de indruk van NiNsee, het inmiddels vanwege bezuinigingen opgeheven instituut voor het slavernijverleden. En toch blijft hem nu vooral één ding bij: de onwetendheid van de witte Nederlanders over het slavernijverleden, die zelfs in ontkenning overgaat, en hun onwil of zelfs weigering om ras en racisme in Nederland als een zinvol gespreksonderwerp te beschouwen. Zijn meest recente ervaring vat hij dan ook samen als: “Indicators of progress alongside disturbing trends of backwardness and hostility”.

Het zijn dit soort voorbeelden van ontkenning, afleiding en onwetendheid die in veel van de hoofdstukken van het boek terugkomen, en die als kenmerkend voor het Nederlandse racisme gezien kunnen worden. In de inleiding, die tegelijkertijd een soort samenvatting is, worden drie aspecten eruit gelicht die de essentie vormen van dit racisme: een idee van morele en culturele superioriteit, een bange aanspraak op onschuld (“claim of innocence”), en een sterk gevoel om dankbaarheid te mogen verwachten van de kant van migranten en hun kinderen. Wat bij al deze aspecten een grote rol speelt, zijn mechanismen van ontkenning. Daarbij worden niet alleen de duistere kanten van de Nederlandse geschiedenis gebagatelliseerd of herschreven, maar wordt ook de mogelijkheid van het bestaan van hedendaags racisme constant handig weggeredeneerd, in een tegenstrijdig proces van erkenning en ontkenning. Het in stand houden van een positief zelfbeeld staat centraal, zodat racisme aan de ene kant wordt afgekeurd en zelfs als “niet-Nederlands” wordt gedefinieerd en tegelijkertijd concrete voorbeelden van racisme niet serieus worden genomen. David Theo Goldberg noemt dit in zijn nawoord “postracial racism in the name of tolerance”. En misschien is dat dan wel wat Nederlands racisme echt Nederlands maakt: de constante aanwezigheid van racisme in een samenleving die zichzelf in essentie als tolerant en zelfs post-raciaal beschouwt.

Complex

“Postracial racism”, “moral righteousness and ideological repression”, “the politics of avoidance” – het mag duidelijk zijn dat de diverse auteurs van het boek niet terugdeinzen voor grote concepten en lastige taal. Dat werpt soms de vraag op of ze het probleem niet ingewikkelder maken dan het is. Uiteraard wordt racisme in Nederland veelal genegeerd en ontkend, en uiteraard bestaan er veel subtiele uitsluitingsmechanismen waar we niet zomaar de vinger op kunnen leggen. Maar wie dit boek leest, zou wel eens overweldigd kunnen worden door de complexiteit van het hele probleem. Zo schipperen sommige artikelen tussen helderheid en inzicht aan de ene kant en (onnodige?) ingewikkeldheid en verwarring aan de andere kant. Die inzichten zijn wel fascinerend, en het is zeker de moeite waard om deze bundel door te bladeren. Het is verfrissend om artikelen te lezen waarin de discussie over het bestaan van racisme een gepasseerd station is, zodat de analyse en de beschrijving van dat racisme naar de voorgrond kunnen treden. Of dit boek, met een complex (vaak Engels) taalgebruik, tweeëntwintig losstaande artikelen en een prijs van 90 (!) euro een bredere discussie los kan maken, of dat het toch vooral bedoeld is voor een kleine academische kring en die kring voorlopig niet zal doorbreken, dat is de vraag.

“Dutch racism”, Philemona Essed en Isabel Hoving (red.). Uitgeverij: Rodopi, € 90,-. ISBN:  9789042037588.

Gregor Eglitz