Servile insurrection en fascisme

De fascistische knokploeg “Zwart Blok” op de Markt in Delft, een dag na het anti-fasctische protest daar.

“De prijs van ongelijkheid wordt ook door de bevoorrechten met angst betaald”, aldus Niels Posthumus gisteren in Trouw. Zijn stuk is op zich goed, en legt een belangrijk fenomeen uit: ongelijkheid leidt tot weerstand. Maar Posthumus zet niet de laatste stap: hij verbindt niet die angst met het opkomend fascisme, en juist dat is interessant.

“Servile insurrection” is een Engelse term waar geen goede Nederlandse vertaling voor is. Meestal wordt het vertaald als “slavenopstand”, maar die vertaling vind ik niet breed genoeg. Ik denk dat “knechtenopstand’ de lading beter dekt.

Er zijn veel voorbeelden van samenlevingen waar een angst voor “servile insurrection” de politieke en economische elite beheerste. De stadstaat Sparta, de Romeinse republiek, het Amerikaanse zuiden voor (en na) de burgeroorlog, maar ook de Nederlandse plantagehouders in de Cariben.

In het Amerikaanse zuiden werd die angst aangejaagd door de revolutie in Haïti. Amerikaanse plantagehouders waren doodsbang voor de bevrijding van hun tot slaaf gemaakten, want ze vreesden dat die mensen wraak zouden nemen.

Uit die angst werden zogenaamde “slave patrols‘ opgezet. Dit was een voorloper van de Amerikaanse politie, en hun primaire taak was gevluchte mensen weer gevangen nemen, én om tot slaaf gemaakte mensen te straffen als ze hun medemensen probeerden te organiseren.

Daarnaast hanteerde de plantageklasse brute lijfstraffen om tot slaaf gemaakten in bedwang te houden. Ook was het in veel staten verboden om tot slaaf gemaakten te leren lezen en kregen ze bijbels die geredigeerd waren om niet negatief te zijn over slavernij.

Ook waren er soms (theoretische) juridische beperkingen op hoe bruut een plantagehouder mocht zijn, maar dit had niets te maken met het welzijn van mensen en vooral weer diezelfde angst voor een opstand. Slechts de allergrootste excessen moesten worden uitgebannen.

Het was uiteindelijk de angst om hun ‘bezit’ te verliezen, én de angst voor wraak vanuit hun slachtoffers, die de politieke en economische elite in het zuiden ertoe zette om te proberen hun eigen staat te stichten.

De staat die de zuidelijke plantageklasse voor ogen had, zouden wij vandaag de dag fascistisch noemen. Ze wilde een theocratie stichten, de rechten uit de grondwet afschaffen, en grote delen van het Caribisch gebied veroveren voor een koloniaal rijk.

De realiteit van de slavernij in de VS staat in sterk contrast met hoe werd omgegaan met horigen in middeleeuws Europa. Zij kregen juist veel vrije uren en dagen, en in tegenstelling tot tot slaaf gemaakten mochten zij een groot deel van hun oogst zelf houden.

Ook speelde de kerk een belangrijke rol als een soort pre-moderne verzorgingsstaat, bijvoorbeeld om armoede te bestrijden en te zorgen voor zieken en wezen, en om de horigen te onderwijzen. Maar de katholieke kerk kon je ook excommuniceren en je uitsluiten van die zorg.

Ook hier waren de feodale elites bang voor een volksopstand, maar de reactie was hier juist om de horigen niet té hard aan te pakken. Wellicht omdat de middeleeuwse horigen niet zo hard in de tang zaten als de tot slaaf gemaakten in de zuidelijke VS.

Hoe reageren politieke en economische elites op de mogelijkheid op een “servile insurrection”? Dat is dus een combinatie van de dreiging van grof geweld, maar soms juist ook het geven van bepaalde privileges en pogingen om de onderdrukten niet té hard te raken.

Elke samenleving met een economisch-politieke elite zit ergens op dit spectrum tussen complete autocratie aan de ene kant, en een verzorgingsstaat aan de andere kant. Een politieke elite kan door de tijd heen veranderen op dit spectrum, en vaak zijn er ook tegenstellingen binnen zo’n elite.

In de negentiende eeuw in Nederland kan je dit zien. De pro-kapitalistische liberalen waren verdeeld in conservatief-liberalen en sociaal-liberalen. De conservatief-liberalen wilden het stemrecht niet te snel uitbreiden en waren ook tegen een verzorgingsstaat.

Sociaal-liberalen wilden juist een (kleine) verzorgingsstaat en een uitbreiding van het kiesrecht. Dit was niet zozeer uit de goedheid van hun hart, maar omdat ze bang waren dat de arbeidersklasse zich anders tot het socialisme zou keren.

Het onderscheid was dus niet zozeer moreel, maar pragmatisch: conservatief-liberalen wilden hun macht niet opgeven en wilde geen belastingverhoging om te betalen voor sociale rechten. Sociaal-liberalen zagen juist repressie als duur, en wilde best wat korte termijn-winst opgeven om dat te voorkomen.

Om terug te komen bij het stuk van Posthumus: wat heeft dit met fascisme te maken? Fascisme is wat er gebeurt als de politieke elite in een samenleving, samen met de middenklasse, in paniek raken en naar de ‘noodknop’ van de repressie grijpen.

Fascisme legt de schuld van economische malaise van mensen, veroorzaakt door neo-liberaal beleid, bij een vaak machteloze minderheid. Het vraagt vervolgens om enorme staatsmacht om die machteloze minderheid te bestrijden.

Maar als het fascisme die macht eenmaal heeft, dan is er geen reden meer voor hen om de democratie of de verzorgingsstaat op poten te zetten. Dan kunnen ze puur door repressie regeren, en die macht gebruiken ze om elk verzet tegen hun macht bruut neer te slaan.

Zoals Niels Posthumus zegt: ongelijkheid leidt tot sociale strijd (hij, als middenklasser, noemt dat “criminaliteit”), en dat leidt tot angst bij de middenklasse die van die ongelijkheid profiteert. Maar vervolgens grijpen veel middenklassers naar het fascisme om die ongelijkheid in stand te houden.

In die zin klopt ook wat het Parool hier schrijft: “Marine Le Pen spint garen bij rellen en plunderingen”. Alleen gaat het niet om het brede electoraat, maar om de middenklasse, die bereid is om racisme en anti-democratisch gedachtegoed te accepteren om hun geliefde ‘orde’ te handhaven tegen een “servile insurrection”.

En dat geldt net zo goed in het Nederland van vandaag de dag. Economische ongelijkheid is gigantisch. Mensen raken steeds meer verdrukt in de verschillende crises, zoals de huizencrisis en de inflatiecrisis. Fascisme gebruikt dit om angst voor de ander aan te wakkeren, en dat trekt de middenklasse.

Ondertussen blijven PRO en D66 passief. Zij vertegenwoordigen namelijk niet de onderdrukte arbeidersklasse, maar de sociaal-liberale vleugel van het Nederlandse liberalisme. Als het erop aankomt, zijn zij loyaler aan de kapitalistische orde dan aan de arbeidersklasse.

Zo werkt het met elke politieke elite: hoe sociaal of conservatief ze ook zijn, ze zitten ergens op een spectrum. En alle liberalen zijn het erover eens dat de arbeidersklasse soms met de lange lat bewerkt moet worden om het private eigendomsrecht en de kapitalistische orde te beschermen.

De conclusie: de vraag, als het gaat om economische en politieke rechtvaardigheid, is niet hoe we de huidige orde het beste kunnen beschermen. De vraag is juist hoe we die orde, en de macht van de politiek-economische elite, zo snel en efficiënt mogelijk afbreken.

In een rechtvaardige, democratische samenleving bestaat er namelijk geen elite, of het nu politiek, economisch of bestuurlijk is.

Bo Salomons

(Dit artikel verscheen eerder als draadje op Bluesky.)