Wie wordt verdacht, wie wordt beschermd en wie verdwijnt uit de zin?

Van een gestolen fatbike tot een overleden zwarte man: over politiecontrole, raciale ongelijkheid en de taal die daarna overblijft.
Op 12 september overleed de 51-jarige Alfredo Goeloe kort na een politieaanhouding in Rotterdam-Zuid. Volgens zijn familie kwam hij van de babyshower van zijn ongeboren kind en was hij naar huis gegaan om medicijnen te halen. Onderweg reed hij op een fatbike. In dezelfde omgeving was melding gemaakt van de diefstal van een fatbike. Agenten zagen Goeloe rijden en hielden hem staande. Hij kon geen identiteitsbewijs tonen. Volgens de latere verklaring van het Openbaar Ministerie wilde een agent vervolgens een identiteitsfouillering uitvoeren, waarop Goeloe ervandoor ging. Hij werd daarna aangehouden en verzette zich daarbij. Op geverifieerde beelden van 45 seconden zien we meerdere agenten die hem tegen de grond drukken terwijl hij zich probeert los te wurmen. We horen hem om hulp roepen en zeggen dat hij suikerziekte heeft. De beelden stoppen voordat hij volgens de officiële lezing onwel wordt. Kort daarna overleed hij.
De Rijksrecherche onderzoekt wat er precies is gebeurd. De doodsoorzaak is nog niet vastgesteld en ook de rechtmatigheid van het politieoptreden moet nog worden beoordeeld. We weten daarom niet of, en zo ja in welke mate, het politieoptreden zijn overlijden heeft veroorzaakt. Wat inmiddels wel door de politie is bevestigd: de fatbike waarop Goeloe reed, was niet de gestolen fatbike waarnaar de politie op dat moment zocht. Of de fiets zelf op een andere manier van diefstal afkomstig was, is volgens de politie nog onderwerp van onderzoek.
Dat gegeven brengt ons terug naar een moment waarvoor tot nu toe veel minder aandacht bestaat. Waarom werd Alfredo Goeloe eigenlijk tegengehouden?
Dat is geen detail aan het begin van een belangrijker verhaal. Het is het begin van het verhaal. Voordat Goeloe geen identiteitsbewijs kon tonen, voordat hij wegrende, voordat er een aanhouding was, voordat meerdere agenten hem tegen de grond drukten en voordat hij om hulp riep, werd één beslissing genomen: deze burger werd geselecteerd voor controle.
Op basis waarvan?
Welk signalement had de politie van de gestolen fatbike? Waren merk, type, kleur of andere onderscheidende kenmerken bekend? Was er een signalement van degene die de fiets zou hebben gestolen? En als dat bestond, in welk opzicht voldeden Goeloe of zijn fiets daaraan? Of was het feit dat daar een man op een fatbike reed voldoende om hem te controleren?
Stel dezelfde situatie voor met een gewone fiets. In Nederlandse steden worden iedere dag fietsen gestolen. Als ergens in Amsterdam een zwarte stadsfiets wordt gestolen, vinden we het niet vanzelfsprekend dat iedere burger die even later op een vergelijkbare fiets voorbijrijdt zich tegenover de politie moet identificeren. Een vervoermiddel kan niet zonder meer het signalement van een mens worden. Ook een fatbike zou dat niet mogen worden.
Daarmee is niet vastgesteld dat Alfredo Goeloe etnisch is geprofileerd. Daarvoor weten we op dit moment te weinig. Maar daarmee verdwijnt de vraag naar racisme niet. Want Goeloe werd als zwarte man niet gecontroleerd in een samenleving waarin politiecontroles en politiegeweld gelijk over alle bevolkingsgroepen verdeeld zijn.
Juist hier moeten we het individuele incident even verlaten en naar de cijfers kijken.
Controle Alt Delete houdt sinds 2016 een database bij van mensen die overlijden bij of na een aanhouding en na politiegeweld. Uit hun langlopende onderzoek blijkt dat 79 procent van de slachtoffers van fatale incidenten een migratieachtergrond heeft. Afgezet tegen de bevolkingsomvang berekent de organisatie dat mensen met een migratieachtergrond ongeveer tien keer zo vaak overlijden bij of na een aanhouding als mensen zonder migratieachtergrond.
Wanneer Controle Alt Delete specifieker kijkt naar de gevallen waarin politiegeweld aan het overlijden voorafging, blijft de ongelijkheid vrijwel even groot. Van de 79 mensen die volgens hun criteria tussen 2016 en november 2025 overleden na politiegeweld, is van 33 de achtergrond onbekend. Van de overige 46 slachtoffers had 80 procent een migratieachtergrond en 20 procent niet. Controle Alt Delete berekent voor deze categorie ongeveer 0,82 overlijdens per miljoen inwoners met een migratieachtergrond per jaar tegenover 0,08 per miljoen inwoners zonder migratieachtergrond.
Deze cijfers vertellen ons niet dat racisme in ieder van deze individuele zaken de doodsoorzaak was. Dat kunnen ze niet. Ze vertellen ons ook niet hoeveel van deze slachtoffers zwart, Marokkaans, Surinaams, Antilliaans, Turks of tot andere geracialiseerde groepen behoorden, omdat Nederland deze gegevens onvoldoende gedetailleerd registreert. Juist Controle Alt Delete vraagt het Openbaar Ministerie daarom om de achtergrond van slachtoffers structureler vast te leggen.
Maar wat deze cijfers evenmin toelaten, is iedere nieuwe zaak als een volledig geïsoleerd incident behandelen.
De ongelijkheid begint bovendien niet pas bij het fatale einde. Uit interne politiedata over geweldgebruik bleek eerder dat 36 procent van de mensen tegen wie politiegeweld werd gebruikt een toen als “niet-westerse migratieachtergrond” geregistreerde achtergrond had, terwijl deze groep 13 procent van de bevolking vormde. De politieanalyse wees erop dat een belangrijk deel van die oververtegenwoordiging samenhing met leeftijd, geslacht en stedelijke omgeving: jonge mannen in steden komen relatief vaak met de politie in aanraking. Dat is relevante context, maar het neemt de disproportionaliteit niet weg.
Ook vóórdat geweld wordt gebruikt, zien we verschillen. Uit de Veiligheidsmonitor van het CBS blijkt dat in 2023 32,1 procent van de 15- tot 25-jarige Nederlands-Marokkaanse mannen in het voorafgaande jaar door de politie was gecontroleerd, tegenover 21,3 procent van jonge mannen met witte-Nederlandse herkomst. Onder mensen van de tweede generatie met Marokkaanse ouders die waren gecontroleerd, dacht 35 procent dat afkomst, huidskleur of uiterlijk een reden voor die controle was. Bij mensen met witte-Nederlandse herkomst was dat 4 procent. Die verschillen veranderden volgens het CBS nauwelijks wanneer rekening werd gehouden met onder meer leeftijd, geslacht, opleidingsniveau en stedelijkheid.
Dat betekent niet dat iedere politiecontrole van een zwarte, Marokkaanse, Turkse of Surinaamse Nederlander etnisch profileren is. Het betekent iets fundamentelers: de vraag waarom juist Alfredo Goeloe werd geselecteerd, staat binnen een aantoonbaar ongelijke maatschappelijke werkelijkheid.
Daarom moeten we racisme hier ook niet reduceren tot de vraag of één agent op 12 september een bewust racistische gedachte had toen hij Goeloe zag fietsen. Institutioneel racisme kan veel ingewikkelder werken. Het kan ontstaan in een opeenvolging van beslissingen die ieder afzonderlijk neutraal lijken: wie trekt onze aandacht, wie past in een risicoprofiel, wie wordt gecontroleerd, bij wie wordt doorgevraagd, wie wordt gefouilleerd, wie wordt sneller als gevaar gelezen en wanneer wordt geweld noodzakelijk geacht?
Als bepaalde groepen bij verschillende poorten in zo’n proces telkens een grotere kans hebben om geselecteerd te worden, hoeft aan het einde van die keten niemand een openlijk racistisch bevel te hebben gegeven om toch een structureel ongelijke uitkomst te krijgen.
En daarin schuilt nog een ander gevaar. Wie vaker wordt gecontroleerd, heeft ook meer kans in politieregistraties terecht te komen. Die registraties kunnen vervolgens opnieuw worden gebruikt om te onderbouwen dat een bepaalde groep meer politieaandacht verdient. Zo kan controle gedeeltelijk haar eigen rechtvaardiging produceren: een groep wordt vaker gecontroleerd omdat zij vaker in registraties voorkomt, terwijl zij mede vaker in die registraties voorkomt omdat zij vaker wordt gecontroleerd.
Vrijheid wordt dan niet formeel ongelijk verdeeld. Op papier heeft iedereen dezelfde rechten. Zij wordt praktisch ongelijk verdeeld, in duizenden kleine ontmoetingen waarin de ene burger vanzelfsprekend aanwezig mag zijn en de andere sneller moet verklaren wie hij is, waar hij vandaan komt, van wie zijn auto of fiets is en waarom hij zich daar bevindt.
Daarna ontstaat in de zaak-Goeloe een tweede keten die achteraf gemakkelijk als een vanzelfsprekende opeenvolging kan worden verteld. Er was een gestolen fatbike. Goeloe werd gecontroleerd. Hij kon geen identiteitsbewijs tonen. Een agent wilde zijn identiteit door middel van fouillering vaststellen. Hij rende weg. Hij werd achtervolgd. Hij werd aangehouden. Hij verzette zich. Meerdere agenten hielden hem tegen de grond. Hij werd onwel. Hij overleed.
Maar een rechtsstaat kan niet zo snel door die keten heen lopen. Iedere overgang bevat een beslissing en iedere beslissing vraagt om een eigen rechtvaardiging. Een rechtmatige eerste handeling maakt de volgende niet automatisch rechtmatig. Een gerechtvaardigde staandehouding rechtvaardigt niet vanzelf iedere daaropvolgende vorm van dwang. Weglopen maakt niet iedere wijze van aanhouding proportioneel. Verzet maakt niet iedere vorm of duur van fixatie noodzakelijk. En zelfs wanneer dwang aanvankelijk noodzakelijk is, kan een situatie veranderen. Iemand die zich eerst verzet kan enkele ogenblikken later iemand in medische nood zijn.
Precies daarom is proportionaliteit zo belangrijk. Zelfs wanneer uit het onderzoek blijkt dat er een geldige reden was om Goeloe te controleren en vervolgens aan te houden, blijft de rest van de keten onderwerp van onderzoek. Welke vormen van fysieke dwang zijn toegepast? Door hoeveel agenten? Hoe lang? Hoe werd zijn lichamelijke toestand beoordeeld? Wanneer veranderde de situatie? En hoe werd gereageerd op wat hij zelf zei?
Want Alfredo Goeloe zweeg niet. Hij riep om hulp. Hij zei dat hij suikerziekte had.
Misschien moeten we daarom ook preciezer zijn dan te zeggen dat zijn hulpgeroep “niet werd gehoord”. We weten niet wat iedere betrokken agent heeft gehoord en de openbare beelden laten slechts een gedeelte van de aanhouding zien. De belangrijkere vraag is: wat is er met zijn woorden gedaan?
Vanaf het moment dat een burger fysiek onder controle van de staat staat, verandert de verhouding. De staat beschikt dan over zijn bewegingsvrijheid en daarmee ontstaat niet alleen macht, maar ook verantwoordelijkheid. Wanneer iemand die op de grond wordt gehouden om hulp roept en expliciet een medische aandoening noemt, kan die informatie niet alleen achteraf relevant worden als mogelijke verklaring voor zijn overlijden. Er moet ook worden onderzocht hoe degenen die hem op dat moment onder controle hadden daarop hebben gereageerd.
En juist daar begint een tweede proces: het proces van de taal.
In het eerste officiële bericht stond dat Goeloe tijdens zijn aanhouding “onwel werd”. In de latere verklaring van het OM wordt eerst zijn verzet genoemd en daarna: “Vervolgens is hij onwel geworden en dus gereanimeerd.”
Misschien blijkt uiteindelijk dat “onwel worden” medisch een juiste omschrijving is. Zijn doodsoorzaak is immers nog niet vastgesteld. Het probleem zit daarom niet noodzakelijk in die afzonderlijke woorden. Het probleem begint wanneer we denken dat feitelijk juiste woorden automatisch de volledige werkelijkheid weergeven.
“Een man werd tijdens zijn aanhouding onwel” vertelt een andere geschiedenis dan: meerdere agenten hielden een man tegen de grond, hij riep om hulp, vertelde dat hij diabetes had en werd daarna onwel.
In de eerste zin gebeurt iets in het lichaam van Goeloe. De zin heeft bijna geen handelende personen meer nodig. In de tweede wordt zichtbaar in welke fysieke en institutionele verhouding dat lichaam zich bevond. Daarmee is nog niet bewezen dat het politieoptreden zijn dood heeft veroorzaakt. Maar de omstandigheden zijn tenminste niet uit het verhaal verdwenen voordat onderzocht is welke betekenis zij hebben gehad.
Dat verschil lijkt grammaticaal klein. Politiek is het enorm.
Macht organiseert niet alleen wat er op straat gebeurt. Macht beïnvloedt ook wie na een gebeurtenis als eerste de woorden levert waarmee de samenleving begrijpt wat er is gebeurd. Een politiebericht wordt overgenomen door persbureaus, kranten, televisieprogramma’s en sociale media. Een eerste institutionele formulering kan zo het kader worden waarbinnen alle latere informatie wordt geplaatst.
Alfredo Goeloe staat daarin niet aan het begin van een geschiedenis. Kerwin Duinmeijer. İhsan Gürz. Rishi Chandrikasing. Mitch Henriquez. Mitchel Winters. En anderen.
We moeten voorzichtig zijn met het achter elkaar zetten van deze namen. Het zijn geen identieke zaken en juist hun verschillen moeten zichtbaar blijven. Kerwin Duinmeijer werd in 1983 door een burger doodgestoken en zijn dood werd een belangrijk ijkpunt in de Nederlandse anti-racisme beweging. İhsan Gürz overleed nadat hij was aangehouden en in een politiecel terechtkwam; in de daaropvolgende juridische procedure werden strafbare feiten door agenten niet bewezen. Rishi Chandrikasing werd door een politieagent doodgeschoten. Mitchel Winters werd eveneens door een agent doodgeschoten, nadat hij zelf 112 had gebeld en zijn eigen signalement had doorgegeven. Mitch Henriquez overleed na een gewelddadige politieaanhouding.
Juist Henriquez laat zien waarom we het gedrag van een burger en de verantwoordelijkheid van de staat nooit tegen elkaar mogen wegstrepen. Henriquez verzette zich hevig tegen zijn aanhouding. Dat stond vast. Maar daarmee hield de verantwoordelijkheid van de politie niet op. Het gerechtshof oordeelde dat één van de betrokken agenten de nekklem te lang en met te veel kracht had toegepast, dat dit geweld niet proportioneel en daarom onrechtmatig was, en dat de dood van Henriquez aan deze agent kon worden toegerekend. De agent werd veroordeeld wegens mishandeling met de dood tot gevolg. Nadat de Hoge Raad op 16 februari 2021 zijn cassatieberoep (1) verwierp, werd die veroordeling definitief.
Een burger kan dus wegrennen en toch rechten hebben. Een burger kan zich verzetten en toch recht hebben op proportioneel politieoptreden. Een burger kan drugs hebben gebruikt en toch recht hebben op medische zorg. Een burger kan psychisch ontregeld zijn en toch recht hebben op bescherming. En iemand die verdacht wordt van een strafbaar feit verliest daarmee niet zijn menselijke waardigheid of zijn recht op lichamelijke integriteit.
Daarom is de taal rond deze zaken zo belangrijk. Steeds opnieuw verschijnen dezelfde vragen rond degene die sterft. Was hij agressief? Waarom rende hij weg? Had hij drugs gebruikt? Was hij verward? Waarom luisterde hij niet? Waarom verzette hij zich? Dat kunnen allemaal relevante vragen zijn. Maar waar zijn hun institutionele tegenhangers?
Waarom werd hij geselecteerd? Welke informatie had de politie? Waarom werd tot deze vorm van dwang besloten? Welke alternatieven bestonden? Was het geweld proportioneel? Wanneer werd medische nood herkend? Wie hield toezicht op zijn toestand? Wat werd gedaan toen hij om hulp riep?
Pas wanneer beide reeksen vragen met dezelfde ernst worden gesteld, onderzoeken we werkelijk wat er is gebeurd.
Ook daarom zijn de cijfers van Controle Alt Delete zo ongemakkelijk. Zij maken van geen enkele individuele zaak automatisch een racistische zaak. Maar wanneer 79 procent van de slachtoffers in hun bredere registratie van fatale incidenten een migratieachtergrond heeft en de organisatie, rekening houdend met bevolkingsomvang, een ongeveer tienvoudig verschil berekent, kan een samenleving niet blijven doen alsof alleen individuele incidenten bestaan. Dan ontstaat een structurele vraag waarvoor de overheid zelf een verklaring moet zoeken.
Daarbij hoort ook een ongemakkelijke institutionele werkelijkheid. Controle Alt Delete meldt dat in 94 procent van de door hen geregistreerde fatale incidenten het OM niet tot vervolging overgaat. Dat betekent niet dat in die zaken dus strafbare feiten zijn gepleegd; geen vervolging is geen bewijs van onschuld. Maar het maakt onafhankelijke controle en toegang van nabestaanden tot informatie des te belangrijker. Wie staatsmacht onderzoekt, moet voorkomen dat het ontbreken van vervolging wordt verward met het ontbreken van vragen.
De familie van Alfredo Goeloe heeft inmiddels aangekondigd aangifte te doen tegen de betrokken agenten. Hun advocaat heeft verschillende mogelijke strafrechtelijke kwalificaties genoemd, waaronder doodslag, mishandeling met de dood tot gevolg en dood door schuld, maar benadrukt dat moet worden uitgezocht wat er daadwerkelijk is gebeurd. Dat is precies de juiste plaats voor het strafrecht: onderzoeken, bewijs verzamelen, hoor en wederhoor toepassen en uiteindelijk vaststellen of individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid bestaat.
De politieke verantwoordelijkheid is breder.
Een democratische rechtsstaat geeft politieagenten bevoegdheden die gewone burgers niet hebben. Zij mogen onder wettelijke voorwaarden mensen staande houden, hun identiteit controleren, hen aanhouden, hun bewegingsvrijheid beperken en geweld gebruiken. Dat zijn soms noodzakelijke bevoegdheden. Juist daarom kan controle daarop nooit als vijandigheid tegenover de politie worden beschouwd. Hoe groter de macht die wij als samenleving aan een instituut geven, hoe groter de verplichting om het gebruik ervan te kunnen verantwoorden.
Niet alleen de overleden burger moet daarom achteraf worden gereconstrueerd: zijn gedrag, zijn lichaam, zijn medische toestand, zijn verleden en de vraag waarom hij wegrende. Ook het handelen van de staat moet worden gereconstrueerd. Welke informatie had zij? Waarom werd deze burger geselecteerd? Welke beslissing werd vervolgens genomen? Welke alternatieven waren er? Wanneer en waarom werd meer dwang gebruikt? Hoe lang bleef die noodzakelijk? En wat veranderde er toen Goeloe om hulp riep en zei dat hij suikerziekte had? Welke medische informatie was beschikbaar? Wat is daarmee gedaan? Wat is vastgelegd? En welke lessen volgen daaruit?
Daarmee komen we uiteindelijk weer terug bij die fatbike.
Misschien blijkt uit het onderzoek dat er een concrete en gerechtvaardigde reden was om Alfredo Goeloe die avond te controleren. Als dat zo is, moet dat duidelijk worden gemaakt. Misschien blijkt ook dat verschillende daaropvolgende handelingen van de politie rechtmatig en noodzakelijk waren. Ook dat moet dan worden erkend. Kritiek verliest haar geloofwaardigheid wanneer haar conclusie al vaststaat voordat het onderzoek is afgerond.
Maar hetzelfde moet de andere kant op gelden. We kunnen niet beginnen met de veronderstelling dat omdat een politiehandeling plaatsvond, daarvoor dus wel een voldoende reden zal zijn geweest. Staatsmacht verdient geen automatische onschuld. Zij verdient controle.
Dat is misschien de diepste politieke vraag die de dood van Alfredo Goeloe ons stelt. Niet alleen: wat gebeurde er in die laatste minuten? Maar ook: hoe wordt verdenking in onze samenleving verdeeld? Wie wordt eerder uit de stroom van het gewone leven gehaald en gevraagd zichzelf te verklaren? Wanneer wordt een lichaam als risico gelezen? Hoe snel verandert controle in dwang? Hoe wordt omgegaan met iemand die onder die dwang zegt dat hij medische hulp nodig heeft? En wanneer die burger sterft, wie krijgt dan als eerste het gezag om te vertellen wat er is gebeurd?
Alfredo Goeloe riep om hulp. Hij zei dat hij suikerziekte had. De fiets waarop hij reed bleek niet de gestolen fatbike te zijn waarnaar de politie zocht. Daarna overleed hij.
Tussen die feiten ligt een gebied dat onafhankelijk onderzocht moet worden. We hoeven dat onbekende gebied niet op te vullen met beschuldigingen die nog niet bewezen zijn. Maar we mogen het evenmin opvullen met de geruststellende veronderstelling dat iedere stap noodzakelijk zal zijn geweest.
Daarom moeten we niet alleen onderzoeken waaraan Alfredo Goeloe is gestorven. We moeten de hele keten onderzoeken die aan zijn dood voorafging: de melding, het signalement, de selectie, de staande houding, de poging zijn identiteit vast te stellen, zijn vlucht, de aanhouding, de gebruikte dwang, zijn hulpgeroep, de reactie op zijn medische informatie en de zorg die vervolgens is verleend.
En daarna moeten we nog één stap zetten en onderzoeken hoe wij daarover spreken.
Want wanneer aan het einde van zo’n keten alleen de woorden overblijven dat een man “onwel werd”, is er onderweg iets wezenlijks verdwenen. Niet noodzakelijk een feit, maar een verhouding: de verhouding tussen een burger en een staat die op dat moment macht over zijn lichaam had.
Een rechtsstaat wordt niet alleen zichtbaar in de bevoegdheid om iemand tegen te houden. Zij wordt vooral zichtbaar in haar bereidheid iedere stap van die macht achteraf ter discussie te stellen.
Alfredo Goeloe hoeft na zijn dood niet te bewijzen dat hij onschuldig genoeg was om bescherming te verdienen. De staat moet kunnen uitleggen waarom zij hem tegenhield, waarom iedere volgende stap noodzakelijk en proportioneel was, wat er gebeurde toen hij om hulp riep en hoe een zoektocht naar een gestolen fatbike uiteindelijk eindigde met een overleden burger.
Dat antwoord zijn zijn nabestaanden en de samenleving verschuldigd.
Soheila Najand
(Voormalige directeur/artistiek leider InterArtLab, lid van Global Solidarity Coalition en BIJ1)
Noot
- 1. Vernietiging van een vonnis in hoogste instantie, in Nederland door de Hoge Raad.
Meer over de auteur:
Soheila Najand is een cultureel en politiek denker, maker en onderzoeker met wortels in zowel Iran als Nederland. Tussen 1996 en 2016 was zij actief als directeur en artistiek leider van InterArtLab, en speelde zij een vooraanstaande rol in het uitdagen van het gesloten westerse cultuurdiscours. Zij doceerde aan diverse kunstacademies en adviseerde cultuurfondsen over het verdelen van structurele subsidies. Als een van de weinige migranten in bestuurlijke posities binnen de culturele sector, zette zij zich jarenlang in voor structurele rechtvaardigheid en systeemverandering.
Sinds 2012 richt zij zich op wetenschappelijk onderzoek naar post-kapitalistische alternatieven. In het kader van haar niet verdedigd promotieonderzoek bouwde zij een breed netwerk in Amsterdam en ontwikkelde zij zeven Commoning-praktijken, onder meer in samenwerking met diverse burgerinitiatieven betreffende eco-sociale projecten. Haar werk beweegt zich op het snijvlak van kunst, wetenschap en gemeenschap, en is altijd geworteld in radicale gelijkwaardigheid, solidariteit en het vormgeven van een gemeenschappelijke toekomst.
