Intersectionaliteit-debat – De specifieke problemen die vrouwelijke arbeiders meemaken zijn geen secundaire kwesties

In linkse kringen is de discussie weer opgebloeid over klassenstrijd en intersectionaliteit. Ook het tijdschrift Manifest van de NCPN publiceerde er een artikel over. Daar vindt men dat het intersectionele verhaal de aandacht maar afleidt van de ‘échte’ strijd: die tussen werkenden en kapitalisten. In werkelijkheid kan klassenstrijd helemaal niet zonder intersectioneel denken.
De harde les van vroeger
Eind jaren zeventig was links enorm terrein aan het winnen in Turkije. Deze droom veranderde voor velen op 12 september 1980 middels een militaire staatsgreep in een nachtmerrie. Mensen werden opgepakt, gemarteld en gedood. Velen hadden geen andere keus dan vluchten.
Zo kwamen in de jaren tachtig veel politieke vluchtelingen uit Turkije naar Nederland. Sommigen van hen kwamen tijdelijk – weken, soms maanden – bij ons thuis wonen, totdat ze een eigen plek hadden.
Soms waren het gezinnen, maar het waren voornamelijk mannen. Mannen die het hadden over de revolutie. Ze wisten er alles van. Zo leek het toen voor mij als kind. Ze praatten veel, maar deden weinig. Mijn moeder had een baan, maar daarnaast zorgde zij voor het eten, maakte de bedden op, maakte schoon, deed de was. Voor haar was het dubbel zo hard werken. Zij praatte weinig, maar deed veel. In tegenstelling tot de politieke vluchtelingen.
Wat ik wil zeggen met het delen van deze persoonlijke ervaring is dat ook bij veel communisten en communistische bewegingen het bewustzijn over verschillende onderdrukkingsmechanismen, zoals de ongelijke rolverdeling tussen man en vrouw, ontbrak. We mogen nooit tegen een vrouwelijke arbeider zeggen dat de problemen die zij als vrouw meemaakt secundaire kwesties zijn en dat onze fundamentele tegenstelling arbeid-kapitaal is. Want de manier waarop mensen arbeid verrichten en hun positie daarbinnen ervaren, is mede bepaald door gender.

Een betere klassenanalyse
Uiteraard moeten we niet los naar de verschillende identiteiten kijken en vervolgens overal een aparte strijd van maken. Laatst had ik een gesprek met een HR-directrice van een grote supermarktketen, naar aanleiding van de te hoge werkdruk die supermarktmedewerkers en distributiewerkers ervaren. Het feit dat zij – de HR-directrice – een vrouw is, heeft letterlijk niets veranderd aan de situatie van vrouwelijke arbeiders. Alleen een hogere functie voor één vrouw lost het probleem van de rest niet op.
En precies daarom staat intersectionaliteit niet tegenover klassenstrijd. Het is geen of-of-discussie. Intersectionaliteit helpt ons juist om een betere klassenanalyse te maken. Wie doet welk werk? Wie verdient hoeveel? Wie heeft wel een vast contract en wie niet? Wie is zonder papieren? Wie draagt zorg? Wie heeft toegang tot de vakbonden? Middels die vragen kunnen we begrijpen hoe klasse word gereproduceerd. Intersectionaliteit maakt nóg duidelijker wie in welke mate toegang heeft tot middelen en macht. Het gaat dus niet om minder klassenstrijd, maar om een betere klassenanalyse. Zo spreekt intersectionaliteit materialisme niet tegen, maar kan het dat juist versterken.
Klasse is niet een van de identiteiten. Het gaat er bij intersectionalisme over hoe verschillende machtsstructuren elkaar kruisen. Een vrouw uit Polen die in Nederland in een distributiecentrum werkt, is niet vrouw plus arbeider plus migrant. Ze is het allemaal tegelijkertijd. Daarom is de vraag hier hoe klasse samenwerkt met andere onderdrukkingsmechanismen, zoals racisme.
Racisme is een zelfstandige machtsstructuur
Racisme is niet slechts een instrument van het kapitalisme. Het is een zelfstandige machtsstructuur die óók bepaalt hoe klasse georganiseerd wordt. Racisme is zeker economisch functioneel voor het kapitalisme, maar racisme bestaat niet alleen maar voor kapitalistische klassenverhoudingen.

Arbeidersklasse is niet homogeen
Als we een distributiecentrum organiseren, is de droom natuurlijk dat alle distributiewerkers zich hebben georganiseerd en op een gelijkwaardige manier de strijd aangaan voor een beter leven voor elkaar en daarmee voor zichzelf. Maar de praktijk is anders. De positie van verschillende arbeiders tegenover het kapitaal is niet identiek. Een vrouw wordt uitgebuit door de baas, maar kan ook seksueel geïntimideerd worden door een collega en onbetaald zorgarbeid verrichten thuis. Haar klassenpositie wordt gevormd door de manier waarop kapitalisme, genderverhoudingen en nationalisme op dat moment samenkomen. We kunnen dus blijven zeggen dat arbeiders allemaal dezelfde belangen hebben, maar we moeten juist begrijpen hoe de verschillende machtsstructuren elkaar beïnvloeden.
De arbeidersklasse is geen homogene groep. Kapitalistische uitbuiting vindt plaats binnen bestaande verhoudingen van ras, gender, nationaliteit, enzovoorts. Daarom moet klassenstrijd onder andere anti-racistisch gevoerd worden, en moet anti-racisme onder andere klassenbewust gevoerd worden. Of zoals Mitchell Esajas schrijft in zijn artikel op OneWorld: “Als je de ene strijd wil winnen, kun je de andere niet overslaan”.
Emek Egeli
Dit debat speelt natuurlijk al sinds de opkomst van links en later het communisme. Tien jaar geleden vertaalden wij een zestal zeer relevante artikelen over “links en intersectionaliteit”. Later dat jaar voerde een drietal Doorbraak-leden er een discussie over. En het jaar daarop kwamen we met een uitgebreid eigen standpunt: “Hoe kijkt Doorbraak aan tegen identiteitenpolitiek, intersectionaliteit en wit privilege?”

Een super goed artiekel dat goed uitlegt waarom we intersectioneel moeten strijden. Mooie praktische voorbeelden die goed duidelijk maken waarom het ook gewoon praktisch nodig is als je je strijd uiteindelijk wilt winnen.
Ik vind het wel echt belachelijk dat het idee van niet-intersectionele klassenstrijd nog steeds zo veel verdedigd wordt. Ik kan me voorstellen dat het in de praktijk de kop opsteekt omdat we in brede delen van de samenleving niet leren hoe we inclusief moeten organiseren. Dat is een leerproces dat nog lang door zal gaan en daar heb ik begrip voor. Waar ik wel helemaal klaar mee ben is dat sommige ‘linksen’ expliciet verdedigen dat intersectionaliteit afleid van klassenstrijd als de echte strijd. Ik vraag me echt af hoe deze mensen denken een diverse arbeidersklasse mee te krijgen (arbeidersklasse inclusief de mensen die geen betaald werk hebben) als ze de complexiteit van hun leven niet mee willen nemen. Als je dat doet doe je gewoon belangenbehartiging van je eigen relatief geprivilegeerde groep op kosten van de minder gepriligeerde groep zodat je de verdeel-en-heers politiek van de heersende klasse in de handen speelt. Als je een alomvattende klassenstrijd wilt doen dan moet die intersectioneel zijn. Dat dat besef er niet is maakt me echt kwaad.
En op een nog wat persoonlijkere noot: als queer persoon is ‘mijn klassenstrijd’ altijd verbonden met queerbevrijding. Mijn bestaan is precairer omdat ik queer ben. Even twee voorbeelden: ik wilde een opleiding als electricien beginnen maar dat is dus niks geworden omdat een bedrijf waar ik stage liep aangaf dat ze ‘pestgedrag’ zouden verwachten als iemand er niet goed tussenpast (wil zeggen: ze verwachten homofobe discriminatie tegen mij). Op deze manier wordt mijn mogelijkheid om betaald werk en daarmee bestaanszekerheid te krijgen dus kleiner omdat ik queer ben.
Het andere voorbeeld is een sollicitatiegesprek bij een bouwmarkt in een kleine stad waar de manager vraagt hoe ik ermee zou omgaan als mensen naar mij gaan kijken of wellicht vervelende (lees: homofobe) opmerkingen maken. Een redelijke verwachting maar hierdoor zou ik dus opnieuw een baan kunnen mislopen. Al in mijn over het algemeen redelijk gepriviligeerde ervaring komen klasse en queerness samen en wordt het voor mij moeilijker. Als iemand mij bij klassenstrijd zou willen betrekken maar denkt dat het verdeelt als ik het over deze ervaringen heb dan zou ik niet meedoen en daar ga je dan met je eenheid.
Dus ja, het idee dat klassenstrijd zonder intersectionaliteit kan is voor mij gewoon belachelijk en ik ben serieus teleurgesteld dat er echt nog organisaties en mensen zijn die zich links noemen en een niet-intersectionele klassenstrijd verdedigen