Gaard Kets tijdens Nijmeegse 1 mei-actie: “Laten we een cultuur van solidariteit opbouwen die sterker is dan de cultuur van haat en uitsluiting”

Zo´n zestig mensen deden afgelopen vrijdag mee aan de levendige 1 mei-demonstratie op de Grote Markt in Nijmegen. Een van de sprekers tijdens de actie was Gaard Kets, die de onderstaande speech hield.
Kameraden,
Het is fijn om hier vandaag te zijn. Het is fijn om hier samen in het hart van onze stad te staan om eer te bewijzen aan de Dag van de Arbeid.
1 Mei is meer dan alleen een datum op de kalender. Het is een viering van de arbeidersklasse, een herdenking van de klassenstrijd uit het verleden, en een herinnering dat elk recht dat we vandaag genieten – elk uur vrije tijd, elke veiligheidsregel, elk greintje waardigheid en elke stem op de werkplek – ons niet is geschonken uit de goedheid van de machtigen. Het is veroverd. Er is voor gevochten. Het is ontworsteld aan de greep van degenen die ons liever gebroken dan vrij zouden zien.
Maar nu we hier vandaag bijeenkomen, moeten we eerlijk zijn over de lucht die we inademen. Net als een eeuw geleden wordt de strijd van links betwist. We worden geconfronteerd met een heropleving van extreem-rechts en een sluipende militarisering van onze samenleving.
Kijk om je heen. Deze plek waar we samenkomen, de Grote Markt, is niet zomaar een plein. Het is een getuige. Deze grond draagt de littekens van de vorige eeuw. Ons stadscentrum werd weggevaagd. Eerst door de wreedheid van de nazi-bezetting, en later door de brandbommen van Amerikaanse en Britse gevechtsvliegtuigen. De stenen onder onze voeten herinneren ons eraan dat wanneer we de krachten van het fascisme en de militarisering laten winnen, het de mensen van onze stad zijn die de prijs betalen.
Vandaag keren de spoken uit dat verleden terug. We zien autoritaire leiders, aangewakkerd door de grootste kapitalisten van onze tijd, wereldwijd terrein winnen. We zien fascisten die onder de vlag van het zionisme Palestina en Libanon verwoesten en de hele regio terroriseren. En we zien het hier, in ons eigen huis. Zelfs in onze gemeenteraad hier in Nijmegen heeft extreem-rechts een zetel veroverd.
Ze vertellen ons dat ze “nieuw” zijn. Ze vertellen ons dat ze “anders” zijn. En misschien zijn ze dat wel – misschien zijn de monsters van vandaag anders dan de monsters uit het verleden. Maar om te begrijpen waar we precies staan, en om de inspiratie te vinden om terug te vechten, moeten we terugkijken. We moeten ons herinneren wat fascisme eigenlijk was, en is. En we moeten leren van degenen die het fascisme in de afgelopen eeuw hebben bestudeerd en bestreden.
Een eeuw geleden, in het interbellum, ontstond het fascisme in Italië en Duitsland. Het kwam niet uit het niets. Het groeide voort uit de puinhopen van een wereldoorlog en uit de diepten van een ernstige economische crisis. Het was een project dat was bedoeld om de kapitalistische klasse te beschermen tegen de dreiging van een socialistische revolutie. De Nederlandse marxistische wetenschapper Anton Pannekoek schreef in 1936 dat wat de kapitalisten, de burgers uit de middenklasse, de intellectuelen en de militairen – die de ruggengraat van het fascisme vormden – bij elkaar hield, een gedeelde angst voor wanorde was.
Maar de wortels van het fascisme reiken nog verder terug dan de jaren twintig. Aimé Césaire herinnert ons eraan dat het fascisme geen “Europese misstap“ was, maar een afspiegeling van het kolonialisme. Lang voordat de fascisten door de straten van Europa marcheerden, hadden ze hun kunst van de ontmenselijking al in Afrika en Azië beoefend. De logica die werd gebruikt om geracialiseerde buitenstaanders in de koloniën te reduceren tot “niet-mensen” was dezelfde logica die de fascisten later mee naar Europa namen. Fascisme is kolonialisme dat naar binnen is gekeerd.
En terwijl rechts zich organiseerde, waar was links?
Voor het grootste deel was links in het interbellum een verdeeld huis. Tussen 1917 en 1920 zagen we in heel Europa door arbeiders geleide socialistische revoluties die niet alleen werden tegengewerkt, maar ook actief werden verraden door sociaal-democratische partijen. De communisten, de anarchisten en de socialisten zaten gevangen in een cyclus van interne zuiverheidstests en bittere verdeeldheid. Ze waren niet in staat om een verenigd front te vormen. En omdat ze niet samen konden staan, stond de deur open voor de fascisten om binnen te komen.
Er was één opmerkelijke uitzondering: de Spaanse Burgeroorlog. Daar slaagden verschillende linkse groeperingen, partijen en organisaties erin om, gedurende een kort en heroïsch moment, een duurzame coalitie te vormen. Ze bewezen dat wanneer links ophoudt met onderling te vechten en de strijd met de vijand aangaat, het een kracht wordt die de wereld kan doen schudden.
Laten we nu eens naar onze eigen tijd kijken.
We leven in een tijdperk van onzekerheid. Miljoenen van ons leven in de schaduw van onzekere contracten, stijgende huren en kosten van levensonderhoud die aanvoelen als een langzame verstikking. Deze onzekerheid vormt de voedingsbodem waarop het fascisme groeit. Wanneer mensen bang zijn, wanneer ze zich in de steek gelaten voelen door de staat, worden ze vatbaar voor de leugens van extreem-rechts.
Maar rechts maakt niet alleen gebruik van angst; ze gebruiken cultuur om hun racistische ideeën over de sociale orde te normaliseren. Dit is wat de Italiaanse marxist Antonio Gramsci de strijd om culturele hegemonie noemde.
Extreem-rechts probeert niet alleen verkiezingen te winnen; ze proberen het gezond verstand van onze samenleving te veranderen. Ze proberen haat te normaliseren. Ze proberen de gewelddadige uitsluiting van de ‘ander’ te laten voelen als een logische noodzaak. Ze proberen het genocidale geweld van het koloniale project van Israël tegen de Palestijnen te normaliseren. Ze normaliseren in hoog tempo het idee van een nieuwe wereldoorlog en de noodzaak van verdere militarisering van onze samenleving.
Als we passief blijven – als we geloven dat de instellingen ons zullen beschermen of dat rechts vanzelf wel zal verdwijnen =-, dan spelen we hen in de kaart. Passiviteit en toegeeflijkheid zijn de grootste bondgenoten van de autoritairen. Het lijkt erop dat liberalen en andere centrumpartijen die les nog steeds niet hebben geleerd.
Dus, hoe reageren we?
Ten eerste denk ik dat we moeten beseffen dat we extreem-rechts niet kunnen bestrijden door simpelweg anti-fascistisch te zijn. Tegen het fascisme zijn is een begin, maar het is geen strategie. We moeten meer zijn dan alleen het “anti” in “anti-fascisme”. George Orwell verwoordde dit treffend in zijn essay over democratie en fascisme: we moeten een visie op democratie ontwikkelen die verder reikt dan de magere parlementaire politiek van het liberalisme.
We moeten radicaal zijn.
We moeten strijden voor een politiek die niet alleen om de vier jaar in het stadhuis plaatsvindt, maar voor een politiek die in ons dagelijks leven plaatsvindt. We moeten de democratisering eisen van onze werkplekken, onze scholen, onze universiteiten en onze buurten. We moeten onze strijd richten op de directe behoeften van de mensen: huisvesting als recht, niet als handelswaar; gezondheidszorg als dienst, niet als bedrijf; en een stad waar niemand op straat hoeft te bevriezen of te verhongeren. En het allerbelangrijkste: we moeten eisen dat onze gemeenschap iedereen verwelkomt die op de vlucht is voor de imperialistische en genocidale oorlogen die onze politieke leiders blijven steunen. Nijmegen moet een stad blijven die migranten en vluchtelingen opvangt en ondersteunt.
Om zo’n politiek op te bouwen, kunnen we leren van het werk van een andere theoreticus en activist uit het interbellum: Rosa Luxemburg. Luxemburg leerde ons te vertrouwen op de spontane energie van de massa. Ze wist dat de vonk van de opstand – het moment waarop mensen besluiten dat het “genoeg is” – de krachtigste drijfveer in de geschiedenis is. Maar ze wist ook dat passie zonder organisatie een vuur is dat te snel uitdooft.
De anti-fascistische klassenstrijd heeft de spontaniteit en energie van protest en directe actie nodig, ja. Maar ze heeft ook de discipline van organisatie nodig. We hebben sterke vakbonden nodig, we hebben principiële partijen nodig, en we hebben grassroots-collectieven nodig. We moeten een tegenhegemonie opbouwen – een cultuur van solidariteit die sterker is dan de cultuur van haat en uitsluiting.
Kameraden, een eeuw geleden vochten de anti-fascisten met een moed die bijna onvoorstelbaar is. Ze vochten in het besef van de risico’s, omdat ze wisten dat het alternatief het einde van de mensheid was. Ze wisten, in de woorden van Rosa Luxemburg, dat het óf socialisme óf barbarij was.
Van ons wordt vandaag gevraagd om diezelfde moed te tonen. Niet noodzakelijkerwijs met de wapens van het verleden, maar met de solidariteit van het heden. We zullen de fascisten moeten bestrijden in onze parlementen, in onze gemeentehuizen, maar vooral op straat.
Laten we dit plein vandaag verlaten met een duidelijk doel voor ogen: een verenigd front smeden op basis van solidariteit. Niet alleen met onze medeburgers, maar ook met degenen aan de linkerkant van het politieke spectrum die andere vormen van organisatie en strijd hanteren. We moeten een ecosysteem van organisaties opbouwen dat verschillen tolereert en dat zich gezamenlijk verzet tegen de opkomst van het fascisme.
Laten we van Nijmegen meer maken dan alleen een stad van littekens. Laten we er een stad van verzet van maken. Een stad van radicale hoop. Een stad van onwankelbare solidariteit!
Siamo tutti antifascisti!
Gaard Kets
