De calvinistische en koloniale grondslag van het Nederlandse zelfbeeld

Vrij, tolerant, uitverkoren, welvarend, verlicht en democratisch. Dit soort kwalificaties zijn kenmerkend voor het Nederlandse zelfbeeld, dat chronisch positief is en daarmee uitsluiting en geweld verhult. In het boek “Uitverkoren” doen Saskia Pieterse en Janneke Stegeman uit de doeken hoe Nederland aan dit zelfbeeld komt. Pieterse is literatuurhistoricus en specialiseert zich in religieuze en andere opiniemakers die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van het Nederlandse zelfbeeld. Stegeman is theoloog en verdiept zich in de verbindingen tussen protestantisme, racisme en kolonialisme. Hun belangwekkende boek maakt inzichtelijk hoe het Nederlandse zelfbeeld nauw is verweven met protestants kolonialisme en racialisering van anderen.
Het protestantisme (met name het calvinisme) speelde een bepalende rol in de vormgeving van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. En protestantisme en kolonialisme vormden samen het Nederlandse zelfbeeld. Dat blijkt uit de feiten en analyses die Pieterse en Stegeman in hun boek aandragen. Voor de calvinisten die in 1568 de Opstand tegen Spanje begonnen, was het duidelijk dat zij de vrijheidslievende mensen waren, in tegenstelling tot de “tirannieke”, “meedogenloze” en “onbetrouwbare” Spanjaarden. De calvinisten waanden zich superieur, want zij hadden de “ware” godsdienst en bestreden daarom de “valse” godsdienst van de Spanjaarden.
Inheemse bevolking
In het begin van de Tachtigjarige Oorlog identificeerden de calvinistische opstandelingen zich met de oorspronkelijke bewoners van Amerika. “Ze zagen zichzelf als net zo onschuldig en moedig als de ‘Indianen’, die eveneens zuchtten onder de Spaanse tirannie”, aldus Pieterse en Stegeman. Maar diezelfde calvinisten waren er vooral op uit om de rol van de Spanjaarden over te nemen. In 1602 werd de VOC opgericht, in 1621 de WIC. “Toen de Republiek op haar beurt de inheemse bevolking terroriseerde, werd een heel ander beeld van hen geschetst. Ze waren fragiele kinderen, weliswaar onschuldig, maar ook wild en blind. Ze moesten uit de duisternis worden geleid en worden bekeerd ‘tot het licht’, wat wil zeggen tot het ware geloof.”
Pieterse en Stegeman beschrijven in hun boek een geschiedenis van racialisering: het ontstaan van een diepe connectie tussen calvinisme, Nederlanderschap, lichamelijkheid en superioriteit. Die geschiedenis werkt door tot op de dag van vandaag. Ze hebben daartoe onder meer het werk onderzocht van de theoloog Gisbertus Voetius (1589-1676), de jurist Hugo de Groot (1583-1645), de politicus en gouverneur-generaal van Nederlands-Indië Johannes van den Bosch (1780-1844) en de gereformeerde voorman Abraham Kuyper (1837-1920).
Neerlands Israël
Door de eeuwen heen kenden calvinisten zichzelf positieve eigenschappen toe, ondanks het geweld van het kolonialisme. Nederlanders eigenden zich wereldwijd gebieden toe. En dat toeëigenen gebeurde ook figuurlijk, in de zin dat calvinisten meenden dat alleen zij Gods bedoelingen met de wereld begrepen. Zij “waren het nieuwe uitverkoren volk”, aldus Pieterse en Stegeman. “Ze hadden die positie overgenomen van de Joden, het Bijbelse volk van God. De Joden hadden Christus niet erkend en hadden daarmee hun positie verloren.” Calvinisten spraken dan ook van “Neerlands Israël”: Nederland zou het nieuwe beloofde land zijn en Nederlanders zouden door God zijn uitverkoren. De calvinisten meenden te zijn “verheven boven alle anderen: katholieke ketters, Joden, moslims en ‘heidenen’. God had hen speciaal begenadigd, terwijl anderen blind waren en in duisternis leefden.” Dat leidde tot protestantse suprematie, waaruit witte suprematie voortkwam. Deze religieuze grondslag van het Nederlandse nationalisme is vandaag de dag veel minder bekend dan de oranje kern van dat nationalisme.
In “Uitverkoren” komt naar voren dat in calvinistische kringen de term “joods-christelijk” vroeger een neerbuigende betekenis had. “Het verwees naar het katholicisme dat te dicht bij het jodendom zou staan. Inmiddels heeft ‘joods-christelijk’ een positieve betekenis gekregen. Nu wordt de term ingezet om de Nederlandse identiteit positief te doen afsteken bij achtergebleven anderen. De ‘joods-christelijke traditie’ zou het bedje zijn waarop vrijheid en tolerantie, de waarden die zo typerend zouden zijn voor onze cultuur, konden groeien.” Maar zoals ook Pieterse en Stegeman inzien: een dergelijke positieve betekenis veegt de eeuwenlange geschiedenis van christelijk antisemitisme onder tafel.
Constructie
Pieterse en Stegeman hebben er oog voor dat een zelfbeeld een constructie is die voortdurend bijgesteld moet worden, juist vanwege de tegenstrijdigheden die erin liggen besloten. “Dat geldt zeker voor het nationale zelfbeeld van een koloniale macht. Het geweld dat onderdeel van kolonialisme is, moet een geruststellende plaats krijgen, buiten de eigen kern. De legitimering van Nederland als koloniale macht kon nooit helemaal slagen, om te beginnen omdat er onder de eigen bevolking mensen waren die het verhaal van de macht doorzagen. En belangrijker nog, omdat degenen die slachtoffer werden van het Nederlandse kolonialisme zich altijd hebben verzet, in woorden en in daden. Typerend voor alle koloniale machten was dat ze zichzelf beschouwden als een moreel verheven uitzondering: ze stelden hun kolonialisme voor als een missie ten goede.” Die missie zou niet gaan om plunderen, roven, uitbuiten en overheersen, maar om opvoeden, bevrijden, de beschaving brengen en het ware geloof uitdragen. Dat verhaal hebben Nederlanders door de eeuwen heen ook voortdurend aan zichzelf verteld.
In zes hoofdstukken diepen Pieterse en Stegeman de zes kwalificaties van het Nederlandse zelfbeeld (“vrij”, “tolerant”, “uitverkoren”, “welvarend”, “verlicht” en “democratisch”) nader uit. Dat levert boeiende beschouwingen op. Bijvoorbeeld over tolerantie, waarvan de auteurs opmerken dat dat nooit uitgaat van gelijkheid. “Tolerantie wordt altijd verleend door een dominante groep aan ondergeschikte groepen. Tolerantie is dus gebaseerd op een hiërarchie.” En tolerantie was nodig “om de zuiverheid van de calvinistische gemeenschap te beschermen. Calvinisten waren bang voor vermenging, en hun tolerantie maakte het mogelijk dat andere groepen hun eigen godsdienst behielden en daarom niet konden opklimmen tot de positie van de calvinisten.”
“Uitverkoren” is een aanrader voor iedereen die meer wil weten over de rol die het calvinisme heeft gespeeld bij de ontstaansgeschiedenis van Nederland, bij de stichtingsmythen die daarbij horen, bij het kolonialisme en bij het zelfbeeld van de natie. Het boek biedt volop stof tot nadenken en tot introspectie over wat Nederland en Nederlander zijn zouden inhouden.
“Uitverkoren. Hoe Nederland aan zijn zelfbeeld komt”, Saskia Pieterse en Janneke Stegeman. Uitgeverij: Athenaeum – Polak & Van Gennep, € 24,99. ISBN: 9789025316969.
Harry Westerink
