De geschiedenis van de Bund van anti-zionistische Joodse arbeiders

is allemaal verzonnen!”
Een interview met schrijfster Molly Crabapple door Chenjerai Kumanyika van Hammer & Hope naar aanleiding van het verschijnen van haar nieuwe boek “Where We Live Is Our Country”.
Hé, Molly. Hoe gaat het?
“O, gewoon niks bijzonders. En hoe gaat het met jou?”
Ik vind het zo spannend om met jou over je boek te praten. Ik ben er erg enthousiast over. Het staat vol met van alles waar ik naar op zoek ben. Maar okay, laten we beginnen. Er staat zoveel in dit boek. Wat me echt versteld deed staan, is hoeveel historische gegevens je in je boek hebt verwerkt. Via dit boek heb ik allerlei nieuwe dingen geleerd over het Russische Keizerrijk, over de Russische Revolutie, Lenin en Trotski. En natuurlijk, het allerbelangrijkste, over die ongelooflijke, socialistische, anti-zionistische arbeidersorganisatie de Bund, die Joods was en daar trots op was. Sjonge jonge, hoeveel tijd je in dit boek gestoken hebt… Wat jouw boek onder meer zo krachtig maakt, is dat we de geschiedenis leren via mensen van vlees en bloed, zoals je overgrootvader Sam Rothbort. Vertel me alsjeblieft eens hoe je bij deze geschiedenis terecht bent gekomen.
Lees ook “De Joodse Arbeidersbond verzette zich tegen het zionisme“.
“Ik ontdekte de Bund via mijn overgrootvader, Sam Rothbort (1882-1971). Hij was een kunstschilder die mijn moeder heeft leren schilderen, en zij op haar beurt leerde het mij. Daardoor heb ik altijd een grote band met hem gevoeld. In de jaren dertig en tot na de Holocaust in de jaren veertig schilderde hij meer dan zeshonderd aquarellen die de vernietigde wereld van Volkovisk, het sjtetl (Joods stadje) in Rusland waar hij opgroeide, vastlegden. Ze gaan over elk aspect van het leven, van het meest heilige tot het meest niet-heilige, van mensen die de hele nacht vóóraf aan de Grote Verzoendag bidden, tot Joodse meisjes die achter een hek met hun Russische vriendjes slapen. Een van de schilderijen, die ik zag toen ik ongeveer negentien jaar oud was, is me altijd bijgebleven. Het was een jonge vrouw met hoog opgestoken haar. Ze stond in de schemering in een stoffig steegje een steen door een raam te gooien, en naast haar stond haar vriendje die haar meer stenen aanbood, want je laat je vriendin natuurlijk geen stenen dragen tijdens een avondje uit. Het schilderij heette “Itka de bundist”. Ik herinner me dat ik die handgeschreven woorden op de achterkant zag en dacht: ‘bundist’, wat is dat? Die vraag was voor mij de aanleiding om informatie over de Bund op te zoeken.”

Dat kan ik goed begrijpen. Een deel van het werk dat ik heb gedaan is ook ontstaan vanuit dingen die ik over mijn voorouders en mijn familie heb gehoord. Dat was ook voor mij de toegangspoort. Je vroeg je dus af wat ‘bundist’ betekende, en toen ontdekte je deze ongelooflijke, krachtige geschiedenis. In het eerste deel van je boek vertel je over de oorsprong van de Bund, aan de hand van situatie in Volkovisk, een dorpje in Rusland (nu Vawkavysk in Wit-Rusland). Kun je daar iets over vertellen, deze plek waar Sam Rothbort opgroeide? Wat leert het ons over de omstandigheden waarin de Bund begon?
“Het belangrijkste om iets te begrijpen over de wereld waarin Sam opgroeide, is dat in 1882, het jaar waarin hij werd geboren, het Russische Rijk de meest ellendige plek ter wereld was om Joods te zijn. Joden waren onderworpen aan een verplichte militaire dienstplicht van 25 jaar. Ze waren uitgesloten van allerlei soorten banen. Er golden strenge beperkingen voor het onderwijs dat ze mochten volgen. Ze mochten alleen wonen in een landstreek in de westelijke provincies van het Russische Rijk, het zogenaamde Joods vestigingsgebied, en ze waren het slachtoffer van geweld dat de staat vaak nog steunde ook.
Deze combinatie van onderdrukking, waar alle bewoners van het Russische Keizerrijk aan onderworpen waren, met het extra geweld omdat zij Joods waren, heeft het leven van de Joden in dit gebied bepaald. Of ze nu in een grote stad als Warschau of Vilnius woonden, of in een klein stadje als Volkovisk, dat in een uithoek van het Joodse vestigingsgebied lag. De helft de bewoners waren Joden, een kwart Polen en een kwart Wit-Russen. De belangrijkste onderneming was een leerlooierij, de allerergste werkplek die je je voor kan stellen. Het stadje was de wereld in het klein, waar alle problemen uit die tijd waar Joden mee te maken hebben zich voordeden. Mijn overgrootvader werd geboren in een gezin uit de lagere middenklasse. Zoals gebruikelijk was in die tijd, was zijn vader naar New York geëmigreerd, terwijl zijn moeder achterbleef om de kinderen groot te brengen. Zij stierf toen hij tien jaar oud was tijdens een cholera-epidemie, die volgde op een enorme hongersnood in het Russische Rijk. Sam – mijn overgrootvader – werd toen leerling in deze vreselijke leerlooierij. Als jonge leerbewerker leed hij net als de meeste Joden van zijn leeftijd zo onder de armoede en de wreedheid van het leven in dit stadje, dat hij een uitweg zocht. Die verscheen in de vorm van een revolutionaire beweging die het hele Joodse vestigingsgebied overspoelde, namelijk: de Joodse Arbeidersbond. Een rondtrekkende jonge leraar kwam naar Volkovisk, zogenaamd om les te geven, maar in werkelijkheid om er een eerste revolutionaire cel op te richten.”
Ik vond het heel indrukwekkend om te lezen over de omstandigheden waarin Sam Rothbort opgroeide, omdat het me met de neus op de feiten drukte hoe antisemitisme er toen in de praktijk, in het dagelijks leven, uitzag. Maar ondertussen besefte ik ook hoe erg die wereld van toen lijkt op onze wereld nu. Het was toen net zoals nu, alsof we tegen iets aanlopen dat gewoon niet te stoppen is, waarbij mensen worden vermoord, worden weggejaagd of te horen krijgen dat hun cultuur verboden is, illegaal. Alles ontwikkelt zich tegelijkertijd, zodat het heel moeilijk is om de slechte ontwikkelingen te bestrijden. Daar moest ik aan denken toen ik las over het ontstaan van de Bund.
“De Bund is in 1897 opgericht in Vilnius. Dat was een uiterst belangrijke Joodse stad, dat wel “het Jeruzalem van Litouwen” werd genoemd. Het was een intellectueel centrum en de Joodse arbeidersbond is voortgekomen uit jonge Joodse marxisten, die vastbesloten waren om de Joodse arbeiders van de fabrieken en ateliers met hun erbarmelijke werkomstandigheden te gaan organiseren. De strategie van revolutionairen was in die tijd: eerst gaan we wat arbeiders werven. Dan gaan we die opleiden in kleine groepen waar ze Russisch kunnen leren, en vervolgens Duits, zodat ze Marx in het origineel kunnen lezen. Voor dat je het weet zijn deze arbeiders dan zo goed geschoold dat ze andere arbeiders kunnen gaan onderwijzen, enzovoort, totdat…”
Wacht even. Moest je die talen eerst leren, voordat je je kon verdiepen in revolutionaire teksten?
“Inderdaad, want die arbeiders spraken Jiddisch. Omdat er niets in het Jiddisch was geschreven, zeiden de revolutionaire studenten: ‘Eerst Russisch leren, want dat is de taal van de macht en dan Duits, want dan kan je Marx lezen en dan haal je andere jongens uit je werkplaats over ook Marx te gaan lezen.’ Zo dachten zij één voor één het proletariaat voldoende te kunnen ontwikkelen om het regime van de tsaar omver te werpen en Rusland socialistisch te maken.”
Nou ja zeg…
“Die jonge marxisten waren inderdaad getikt. Ze leden aan een soort intellectuele hersenvergiftiging. Ze dachten zo echt arbeiders te kunnen organiseren in het Russische Rijk. Dus dat was oorspronkelijk ook wat die activisten in Vilnius deden. Maar als je tegen arbeiders in het Russische Rijk in die tijd zou zeggen: ‘Hé jongens, ik weet dat jullie vandaag zestien uur in de fabriek hebben gewerkt, maar willen jullie nu wat Duits gaan leren om Marx in het origineel te lezen?’, dan zouden die natuurlijk zoiets terugzeggen als: ‘Nou niet echt, ik wil eigenlijk liever iets drinken.’ De Joodse arbeiders in Vilnius zeiden echter: ‘Ja, graag. Ik zou heel graag Marx in het origineel willen lezen en ik wil ook van Darwin leren en al al die andere boeken.’ Dus richtten de Joodse marxisten van Vilnius onderwijskringen op, die enorm populair werden. Ze kwamen er echter al gauw achter dat die niet tot revolutie leidden. De studiegroepen vormden arbeiders die met Duitse boeken gingen rondlopen, om te laten zien hoe cool ze waren, en die examens gingen doen om naar de universiteit te gaan. Eigenlijk werden ze de hippe jongelui van hun tijd.”
Zeg, heb je wat tegen mensen die met Duitse boeken rondlopen om er cool uit te zien?
“Haha, ja, je hebt gelijk, zo een ben ik zelf ook wel een beetje. Maar ik denk niet dat het rondlopen met Duitse boeken om er cool uit te zien een geschikte strategie is voor het ontketenen van een wereldrevolutie.”
Dat klopt, maar ik bedoel dat je schrijft over de problemen waarmee de bundisten mee te maken hadden en welke strategieën ze uitprobeerden. Dan denk ik als lezer: dat lijkt toch wel op dingen waar we zelf ook mee kampen.
“Haha, alsof ik stiekem de DSA (Democratic Socialists of America) aan het afkraken ben omdat ze socialistische zomercursussen organiseren…”
Maar het is toch een reëel probleem waar we mee te maken hebben. Als we onszelf willen bevrijden, dan hoort daar wel onderwijs en studie bij. Ook al kampen de mensen voor wie je je inzet op dit moment met serieuze materiële problemen.
“Precies. Maar uiteindelijk beseften die jonge marxisten dat ze iets anders moesten gaan proberen. Bijvoorbeeld: gaan luisteren naar de arbeiders. Nu waren die in Vilnius op dat moment al druk bezig met het oprichten van vakbonden, wat volstrekt verboden was. Ze hadden knokploegen opgericht om hun illegale stakingen te verdedigen en ze hadden fondsen voor onderlinge hulp opgezet. Dus in plaats van de arbeiders te vertellen dat ze Marx moesten lezen, dachten die activisten: laten we eens kijken naar de klassenstrijd die de arbeiders nu al voeren. Maar om dat te kunnen doen, zaten ze wel met een probleempje. Want deze jonge Joodse intellectuelen spraken Russisch en de arbeiders spraken Jiddisch. Dus moesten ze de taal van de arbeiders gaan leren. Zodra ze dat gingen doen, zodra ze mee gingen helpen vakbonden te organiseren, contacten met andere vakbonden te leggen voor gezamenlijke acties, geld in te zamelen voor de hulpfondsen, zodra ze dus daadwerkelijk de arbeiders gingen helpen bij hun materiële behoeften, werden de bundisten enorm populair, explodeerde het aantal afdelingen van de Bund en werd die vrij snel de belangrijkste revolutionaire groep in het hele Russische Rijk.”
Het is zo indrukwekkend om te zien wat de Bund nou precies zo bijzonder maakte: de band met de bevolking, het gebruik van het Jiddisch en die strategieën die echt inspeelden op de behoeften van de mensen, en hoe succesvol dat was. Want het lijkt erop dat in alle periodes waarin ze actief waren, die strategie altijd werkte, in elke situatie. In ieder geval wat betreft het opbouwen van de macht van de organisatie.
“Dat klopt. Omdat ze een beweging van de gewone mensen waren. Dat was het punt. Ze spraken hun taal, Jiddisch. Ze woonden in hun wijken. Ze maakten deel uit van hun cultuur. Tegelijkertijd waren ze ook een groep die geloofde in het internationale socialisme. Ze geloofden tot in het diepst van hun wezen in solidariteit over verschillen heen, in het strijden voor een betere en mooiere wereld samen met iedereen, inclusief met mensen waarvan ze geleerd hadden die als hun vijanden te zien. Dus deze dubbele strategie van volledig deel uitmaken van de eigen gemeenschap en tegelijkertijd in solidariteit over verschillen heen strijden, dat was de levenshouding van de bundisten.”
Wie waren Pati en Arkadi Kremer en hoe kwamen zij in dit verhaal terecht?
“Pati kwam uit een heel rijke familie en had vanaf jongs af aan al iets van het idealisme van Don Quichot. Toen ze vijftien was, vertelde de vrouw die zuurkool aan haar ouders verkocht dat ze een dochter had die niet kon lezen. Pati maakte zelf een schoolbord en vertrok naar Nowogród om dit meisje op te zoeken en haar te leren lezen. Omdat ze het gewoon niet kon verdragen dat iemand niet had mogen leren lezen, of dat er iets anders onrechtvaardigs in de wereld gebeurde. Zo was ze nu eenmaal. Ze werd onmiddellijk de stad uit gejaagd door de moeders van de vriendinnen van dit meisje, die het niets kon schelen of deze meisjes konden lezen en ze alleen maar wilden uithuwelijken. Op een dag, toen ze achttien of negentien jaar oud was, kwam er een vriend van haar ouders langs en zei: ‘Hé Pati, ik zit met een ontzettend sombere jongen aan wie ik een zolderkamer verhuur. Het enige wat hij doet is dikke boeken lezen, iedereen boos aankijken en in het verdomde donker zitten, terwijl hij wat woordjes op een papiertje krabbelt. Hij praat niet. Hij heeft geen vrienden. Wat een ellendige kerel. Hij heeft vrienden nodig. Pati, jij bent mooi en pittig. Kun jij niet eens met die sukkel van een huurder van mij gaan praten?’
Dus ging Pati naar dat donkere zolderkamertje in de hoofdstraat van Vilnius. Ze keek naar dat smerige, ellendige hoekje waar die jongen zat en begon meteen te ratelen: ‘Je hoeft niet zo te leven. Ik woon in een prachtig huis. Mijn ouders zijn rijk. Kom bij ons wonen.’ De chagrijnige jongeman keek haar aan en zei: ‘Weet je wel hoe arme kinderen leven?’ Toen barstte Pati in tranen uit en wilde weglopen. Ze schaamde zich zo. Maar de jongen greep haar arm vast en zei: ‘Nee, wacht. Laten we praten.’ Voor mij was dit zo’n ontroerende ‘filmscène’ waarin het meisje niet alleen verliefd werd op een droefgeestige jongen, maar ook op de revolutie zelf. Haar hele leven verder hield ze vast aan die revolutie. Later, toen ze een heel stuk ouder was, noemde ze dit haar ‘heilige geloof’.”
Een van de boeiende kanten van je boek is dat we allerlei historische figuren ontmoeten, en een idee krijgen van hun invloed. Kan je de brochure “Over Agitatie” van Pati’s echtgenoot Arkadi beschrijven?
“Het boekje dat je noemt was de grote theoretische bijdrage van Arkadi Kremer. Het was de neerslag van de inzichten die hij had opgedaan bij het opzetten en leiden van studiegroepen en door zijn werk in de vakbonden. Hij benadrukte dat je, om van arbeiders een revolutionaire kracht te maken, moest beginnen met naar hen te luisteren en je in te zetten voor hun werkelijke behoeften: hogere lonen en waardigheid. Daarna kwam stap twee. In een land dat zo meedogenloos onderdrukkend was als het tsaristische Rusland, een land waar vakbonden verboden waren, waar je niet mocht staken, zouden werkers al snel beseffen dat het vragen om een beetje meer geld of het vragen om waardigheid op de werkplek niet iets was dat je in het hardvochtige Rusland straffeloos kon doen. Dat de overheid elke staking met politieknuppels zou neerslaan. Dat het hele maatschappelijke systeem tegen hen gericht was. Al snel zouden de arbeiders, door te knokken voor een behoorlijke betaling van hun werk, beseffen dat het absoluut noodzakelijk was om te vechten voor hun politieke rechten en uiteindelijk om het gehate regime omver te werpen.”
De Bund was een organisatie die uitdrukkelijk bedoeld was voor Joodse arbeiders. Om hen duidelijk te maken dat je als Joden voor het socialisme kon vechten. Tegenwoordig hoor je wel dat het in de eerste plaats gaat om klassenstrijd, en dat we niet teveel aandacht moeten besteden aan speciale vormen van onderdrukking waarmee we als Joden, zwarte mensen, vrouwen of queer mensen mee te maken hebben. Hoe lag dat in de tijd dat de Bund ontstond?
“Het eerste wat je moet begrijpen is dat je als Jood in het Russische Rijk niet veel te kiezen had. Je godsdienst stond gewoon in je paspoort vermeld. Het bepaalde bijvoorbeeld dat je niet in de hoofdstad mocht wonen, dat je vaak niet naar de universiteit mocht. Het schreef zo veel in je leven voor. Tenzij je bewust ervoor koos om je tot het christendom te bekeren, zat je hieraan vast, verpestte het je leven en ondermijnde het je waardigheid. Maar zelfs als je je bekeerde, beperkte het nog steeds het leven van je ouders, je zussen en broers en je vrienden. De bundisten begrepen dat Joodse arbeiders niet alleen onderdrukt werden omdat ze arbeiders waren, of omdat ze nu eenmaal onder het juk van de Romanovs gebukt gingen, maar ook omdat ze onderworpen waren aan al die vernederende anti-Joodse wetten, en aan al het geweld dat de overheid door de vingers zag, of zelfs opriep. Zodoende kwamen de bundisten tot het inzicht dat ze niet alleen moesten vechten voor socialisme in Rusland, maar ook voor hun bevrijding als Joden. Dat ze zelf hun eigen vrijheid moesten veroveren, want dat anderen dat niet voor hen zouden doen.”
De Bund werd opgericht in 1897, en in datzelfde jaar ontstond er een andere beweging die tot doel had de Joodse bevolking te “beschermen”, namelijk het zionisme. Hoe komt het nou dat deze twee bewegingen precies in hetzelfde jaar zijn begonnen?
“Dat is een bizar toeval. Terwijl deze jonge marxistische onruststokers op de zolder van een geheim adres in Vilnius de Bund oprichtten, betrad de Zionistische Wereldorganisatie op grootse wijze het toneel in een chique casino in Zwitserland, en werd de oprichter Theodor Herzl onmiddellijk een internationale superster. Het zionisme kwam voort uit het Europese racisme. Theodor Herzl was als journalist verbonden aan een Weense krant en in het begin was hij zelfs een Weense patriot. Hij vond toen dat Joden zich gewoon tot het christendom moesten bekeren. Hij was helemaal niet geïnteresseerd in de Joodse cultuur. Het was echter het verpletterende racisme van Europa dat zijn ogen opende, met name de Dreyfus-affaire in het zogenaamde ‘tolerante’, ‘liberale’ Frankrijk, waar een volkomen onschuldige legerofficier genaamd Alfred Dreyfus vals beschuldigd werd van spionage en naar Duivelseiland (bij Frans-Guyana) werd gestuurd. Er waren zelfs anti-Joodse rellen. Als jonge journalist die verslag deed van de kwestie, was Herzl er kapot van. Hij dacht: ‘Dreyfus deed alles goed. Hij had zich helemaal aangepast aan de niet-Joodse Franse cultuur en was een legerofficier. Maar uiteindelijk was hij gewoon een verdomde Jood.’ Herzl raakte ervan overtuigd dat dit soort racisme gewoon in Europa was ingebakken, en dat niets het kon stoppen. Het enige wat je kon doen volgens hem was vertrekken, ergens anders heen gaan. Ik denk dat dit een heel begrijpelijke reactie was.
Maar ja, er waren geen vrije stukken land in de wereld, waar niemand woonde, en waar je een eigen staat kon stichten. Oorspronkelijk was hij bereid om die staat waar dan ook ter wereld te vestigen. Het maakte hem niet uit. Maar later richtte hij zich op Palestina vanwege de emotionele kracht van de bijbelverhalen. Hij begon al gauw plannen te smeden om een flink stuk land van een sultan te kopen, en deed een beroep op welke heerser in dat gebied dan ook om een grote lap grond te bemachtigen om er een Joodse staat te beginnen. Wat de Palestijnse bewoners van die plek er van vonden, kon hem geen moer schelen. In het openbaar zei hij: ‘Het zal een verbetering voor hen zijn, we zullen hen vooruitgang brengen.’ Maar privé dacht hij dat ze die arme Palestijnse boeren wel konden dwingen weg te trekken.
Voor mij vertegenwoordigen de Bund en het zionisme twee volstrekt tegenovergestelde antwoorden op de vraag hoe je moet reageren op dat verdomde racisme in Europa. De zionisten meenden: je kunt er niets aan doen. Europeanen zijn gewoon racistisch. Ze haten je gewoon. Het enige wat je kunt doen is weggaan en uit hun klauwen ontsnappen. Terwijl de Bund zei: ja, het is hier afschuwelijk racistisch, maar het is niet aangeboren. Het is niet zo dat Europese mensen door en door slecht zijn. Het komt door de machthebbers die de Joden de schuld geven om de aandacht van gewone mensen voor de kapitalisten en de heersers af te leiden. We kunnen best samen met Russen, Polen, Fransen of Duitsers vechten voor een betere wereld.”
Ik vind het zo mooi dat je de historische achtergrond van het zionisme beschrijft. We zien immers wat het zionisme in onze wereld nu aanricht, tot genocide aan toe. Maar door jouw boek kunnen we beter begrijpen hoe het allemaal begonnen is, wat voor verschrikkingen de Joden meegemaakt hebben. Maar, Molly, wat betekende het voor jou persoonlijk om de terreur van het antisemitisme in Europa onder ogen te moeten zien?
“Het schrijven van dit boek tijdens de genocide in Gaza heeft me wezenlijk veranderd. Ik zal niet meer dezelfde zijn die ik daarvoor was. Een groot deel van mijn boek gaat in wezen over solidariteit. De schoonheid van solidariteit, maar ook de kwetsbaarheid en de mislukkingen ervan. Ik besefte ook hoe verbondenheid, betrokkenheid, medeleven het het enige is dat ons kan redden en ons kan verlossen van de kringloop van barbarisme, waarin mensen beurtelings onderdrukker en onderdrukte zijn. Het was emotioneel voor mij behoorlijk zwaar om te zien hoe vaak de Bund solidair was met anderen, en vervolgens bot ving als ze zelf solidariteit nodig hadden en er om vroegen. Een moment waar ik vaak aan terugdenk was 1905, toen er een revolutie plaatsvond in Rusland. Geen succesvolle weliswaar, maar wel een revolutie die zich over het hele rijk verspreidde, inclusief het Joodse vestigingsgebied waar de bundisten een belangrijke rol speelden. Zij waren de koningen van de barricades in Łódź. Ze namen deel aan de opstand in Odessa die Eisenstein vereeuwigde in zijn beroemde film ‘Pantserkruiser Potemkin’. Dit was hún moment, maar ze deden het niet alleen, ze kwamen samen met vele andere arbeiders in opstand.”

Kunnen we daar even een moment bij stilstaan?
“De Bund was nauw betrokken bij de opstand in Odessa. Een van de figuren die ik tegenkwam bij mijn zoektocht naar informatie was een jonge vrouw genaamd Anna Lipchitz. Haar zus was door de Russische politieke politie doodgemarteld en zij was vurig, gedreven en welbespraakt – een genie op het podium. Toen de revolutie in Odessa op gang kwam, stuurde de Bund Anna erheen en zij greep onmiddellijk haar kans toen de pantserkruiser Potemkin, waarvan de matrozen in opstand waren gekomen en de macht op het schip overgenomen hadden, de haven binnenvoer. Door haar bezielende toespraken werd het hele havengebied voor een paar dagen een soort tijdelijke ‘autonome zone’, een soort ‘Occupy in het kwadraat’. Anna was de koningin van de sprekers. Ze stond in de kranten, ze was een ster. Op een gegeven moment mengden undercoveragenten zich onder de menigte die stond te luistert naar Anna, en ze begonnen allerlei racistische nonsens over haar te schreeuwen om de arbeiders tegen de Joden op te zetten.”
Ja, dat was het enige is wat ze konden doen. Anna stond daar de mensen uit te leggen wat er aan de hand was en die agenten wisten daar niks tegenin te brengen. Dus gingen ze haar uitschelden en verdacht maken met allerlei gemene onzin.
“Inderdaad. Dat deden de Russische undercoveragenten gedurende de hele revolutie van 1905.”
Dat doen fascisten en kapitalisten overal. Ze hebben geen goede argumenten, dus gaan ze gewoon schelden.
“De Russische machthebbers toen waren net zoals onze Epstein-klasse nu, die geen antwoorden heeft op de economische crisis. Dus geven ze Latino’s de schuld, of mensen uit Haïti of uit Somalië. Telkens dat afgezaagde oude script dat heersers al honderden jaren gebruiken. Dat deed de tsaar ook met de Joden in het Russische Rijk. Hij zei: ‘Let niet op het feit dat ik het land in een stomme oorlog heb gestort. Let niet op het feit dat er een economische ineenstorting is. Let niet op het feit dat jullie geen rechten hebben en dat jullie materieel zo ver achterlopen op West-Europa. Kijk daar niet naar. Kijk maar liever naar de Joden. Die zijn pas slecht.’ Dat was ook wat die undercoveragenten deden terwijl Anna Lipchitz aan het woord was. Maar op dat moment werkte het niet, omdat wat er gaande was zo krachtig was. Anna wees toen naar de boosdoeners en zei: ‘Hé, kijk eens naar die undercoveragenten, wat die aan het doen zijn.’ De menigte sloeg ze toen verrot. Dit voorval zien we ook in die film van Eisenstein. Maar ik wist niet zeker of het hier over Anna ging, totdat ik het oorspronkelijk scenario wist te vinden, en daar zag ik staan: ‘bundistische spreekster’.”
Ja, dit is een krachtig voorbeeld hoe machthebbers mensen aanmoedigen om antisemitisme te omarmen. Dat is wat fascisten en kapitalisten telkens weer doen om een opstand, een revolutie te voorkomen: raciale verdeeldheid zaaien. Maar je boek toont ook aan hoe racisme uiteindelijk te verslaan is, namelijk met solidariteit. De bundisten waren werkelijk solidair met de Joodse arbeiders, omdat ze in wisten te spelen op de werkelijke behoeften van de mensen, omdat ze middenin hun leven stonden, en hen zo konden beschermen. Heb ik dat goed begrepen?
“Ja, de bundisten hadden echte banden met mensen. Ze wisten daadwerkelijk Joodse en niet-Joodse arbeiders in ateliers en fabrieken samen te brengen in een vakbond. Ze stonden samen met de mensen op straat. Ze richtten geheime studiegroepen op. Het was niet alleen maar: ‘Hallo, collega van een andere etniciteit. We zijn solidair met jullie hoor.’ Nee, de bundisten waren hun vrienden en soms hun geliefden. Ze waren als familieleden, ook al was de een misschien Pools en de ander Joods. Ze hadden echte banden gesmeed door samen te strijden voor een betere wereld in de toekomst, en ook voor een beter heden.”

Tegen het einde van 1917 zag de situatie er heel anders uit. Je overgrootvader Sam woonde ondertussen in New York en maakt carrière als kunstenaar. In Polen stond de Bund op het punt om door te breken tot wat hun hoogtijdagen zouden worden. Kan je iets over die tijd vertellen?
“1917 was het jaar van de ommekeer voor de wereld, ook voor de bundisten. Ze vochten op de barricades tijdens de Maartrevolutie. Ze hielpen steden en dorpen te veroveren op het tsaristische regime. Ze waren nauw betrokken bij de eerste revolutionaire democratie. Maar al snel volgde de Oktoberrevolutie en kwam de oude aartsvijand van de bundisten, Lenin, aan de macht, die hen in Rusland verpletterde. In Polen, dat nu voor het eerst in meer dan honderd jaar een onafhankelijk land was geworden, beleefde de Bund echter – niet echt een gouden tijdperk, maar laten we zeggen: een vergulde tijd. Voor het eerst hadden bundisten stevige grond onder de voeten. In het Polen van de periode tussen de twee Wereldoorlogen in werd de Bund iets wat vergelijkbaar is met de Black Panther Party in de jaren zeventig in Amerika.
De Bund groeide uit tot een marxistische revolutionaire groep die zich inzette voor gratis ontbijtprogramma’s, gratis klinieken en Jiddisch onderwijs. Net als de Black Panther Party organiseerde de Bund gewapende zelfverdedigingsgroepen. Een van de kleurrijkste personen uit die tijd was een met littekens bedekte, ruige misdadiger genaamd Bernard Goldstein, het hoofd van de Bunds zelfverdedigingsmilitie. Goldstein was een vakbondsleider voor gewone bedrijven, maar ook voor maffia-achtige industrieën. Hij was ook degene die de verdediging van de Joodse gemeenschap tegen allerlei vijanden organiseerde. Hij beschermde hen tegen nationalistische misdadigers, die onder de vlag van ‘Joden naar Palestina’ terroristische aanslagen pleegden in Joodse wijken. Hij verdedigde Joodse arbeiders tegen hun bazen die hen wilden ontslaan, tegen de maffia, die fabrieken probeerden over te nemen, en ook tegen door de Sovjet-Unie gesteunde communisten, die tijdens de periode tussen de twee Wereldoorlogen met de ‘briljante’ theorie van ‘sociaal-fascisme’ aankwamen, die inhield dat de werkelijke vijand van de arbeidersklasse niet het echte fascisme was van Mussolini in Italië, maar de sociaal-democratische partijen, die de arbeidersklasse misleidden. De communisten bestreden sociaal-democratische partijen zoals de Bund met geweren en messen. Het was tijdens deze moeilijke jaren dat de Bund, ondanks alle geweld, bedreigingen en het alomtegenwoordige racisme in de Poolse samenleving, een prachtige, levendige tegencultuur opbouwde met scholen, theatergezelschappen, een jeugdbeweging en een vrouwenbeweging die streed voor gratis kinderopvang en anti-conceptie. Hun kranten lieten de Jiddisch sprekende Joden in Warschau kennis maken met de wereld van het socialisme. Voor deze mensen uit de sloppenwijken van Warschau verschenen er artikelen over de Indiase onafhankelijkheidsstrijd, over socialisten in China, over de Scottsboro Boys (racistische rechtspraak in de VS) in Amerika. Ze openden een enorme intellectuele, politieke en artistieke wereld voor het Joodse proletariaat in Polen.”

Kunnen we het ook even hebben over de feministische politiek van de Bund?
“De Bund kampte met een probleem dat vrij vaak voorkomt in linkse bewegingen: in theorie zijn ze organisaties die geloven in de gelijkheid van mannen en vrouwen. In de praktijk schieten ze op dat punt nogal eens tekort. Bernard Goldstein schreef in zijn memoires hoe de Bund een afdeling oprichtte in de Croc Malna-straat, ‘de Croc’, zoals die genoemd werd. Ze namen van die ruige, criminele, straatarme kerels onder hun hoede, lieten hen kennismaken met het socialisme en leerden hen lezen. Ze namen hen op in hun vakbonden en zorgden ervoor dat ze hun kinderen naar school stuurden. Ze hadden het gevoel dat ze geweldig werk deden. Maar al snel stroomden vrouwen uit de Croc het kantoor van de lokale afdeling van de Bund binnen en riepen: ‘Wat hebben jullie in godsnaam met onze mannen gedaan? Ze waren vroeger van die stoere kerels. Maar nu komen ze thuis met hun hoofd bij krantenartikelen en praten tegen ons alsof we sukkels zijn. Tenminste als ze al thuiskomen. Meestal zijn ze met jullie ergens mee bezig. Jullie hebben onze mannen gestolen en ze gehersenspoeld tot slome sufferds.’ Goldstein ging met de vrouwen in gesprek en vroeg hen: ‘Waarom lezen jullie onze kranten niet?’ Zij antwoordden: ‘Man, niemand heeft ons leren lezen.’ De Bund zette toen vrouwengroepen op en leerden hen lezen en schrijven en zeiden tegen hen: ‘Lees mooie boeken, ga naar concerten, verdiep je in het socialisme, richt vakbonden op, bouw een leven voor jezelf op.’ Maar toen begonnen de mannen te klagen: ‘Waar zijn onze gratis dienstmeisjes?’, waarop de bundisten antwoordden: ‘Wij wij geloven in gelijkheid. Wij zijn socialisten. Dus jullie passen op de kinderen terwijl jullie vrouwen zich organiseren.’”
Ja, die Goldstein was een echte interessante kerel. Er was ook iets over een ruzie die hij had een keer had met een agent…
“Jazeker, dat speelde zich af in Rusland. Bernard zat in Siberië voor een van zijn vele gevangenisstraffen. De plaatselijke politiechef trok een van zijn oogleden omhoog om te kijken of hij trachoom (een oogziekte die toen veel voorkwam) had, en Bernard Goldstein zei tegen hem: ‘Denk je soms dat je een dokter bent?’ Hierop gaf de politieman hem een klap, en Bernard pakte de olielamp die op de tafel stond en sloeg die kapot op zijn hoofd. Waarop de politiechef hem aftuigde. Toen de revolutie echter uitbrak, kwamen de mensen in deze kleine Siberische gevangeniskolonie in opstand, en namen de stad over. Ze pakten ook die politiechef die Bernard had geslagen op, bonden hem aan een boom vast en zeiden: ‘Bernard, wil je niet een oude rekening met hem vereffenen?’ Maar Bernard zei: ‘Nee. Okay, deze vent was een klootzak, maar onze revolutie moet menselijk zijn. Dat betekent dat we niet een vent doodschieten die aan een boom vastgebonden is.’”
Dit is een ander krachtig thema van jouw boek, dat allerlei verlangens vat kunnen krijgen op mensen die al zolang onderdrukt zijn. Zoals bijvoorbeeld wraak nemen op een gemene politieagent, zonder dat dit voor het slagen van de revolutie echt noodzakelijk is. Ik begrijp dat de bundisten duidelijk beseften dat hun beleid en hun dagelijks handelen niet alleen effectief maar ook humaan moesten zijn. Want als ze aan de macht zouden komen zou onmenselijk gedrag rampzalig kunnen uitpakken.
“Dat idee vormt de kern van mijn boek en het heeft me gestimuleerd om het schrijven vol te houden. Links heeft het dwaze idee dat mensen goed zijn omdat ze onderdrukt worden. Dat onderdrukking je op de een of andere manier nobel en wijs maakt. Maar dat is niet waar. Toen ik dit boek schreef over de Bund en de Joden in Rusland en Polen, wilde ik niet de indruk wekken dat het hier ging om een beter soort mensen omdat ze onderdrukt werden. Ze waren gewoon slachtoffers van gruwelijke misdaden, en reageerden daarop. Wat de Bund zo mooi maakte, was dat ze niet alleen dat ze een beweging waren voor een onderdrukte groep, maar dat ze ook een sterk besef hadden van wat werkelijk goed, echt menselijk was. Dat solidariteit en waardigheid voor alle mensen zo belangrijk voor hen waren. Zonder zo’n kompas heb je alleen maar een kringloop van wreed geweld waarbij verschillende groepen elkaar om de beurt in het gezicht trappen met een laars met een stalen neus. Daarom vond ik het zo belangrijk om de Bund te bestuderen, omdat zij dat afwezen. Zij geloofden in vrijheid en waardigheid voor alle mensen, niet alleen voor hun eigen groep.”
In de dertiger jaren werd de sfeer in Polen steeds rechtser, fascistischer. Wat betekende dat voor de Bund?
“In de loop van de jaren dertig raakte de Poolse regering bezeten van de gedachte dat ze haar Joodse burgers weg moest jagen naar het door Frankrijk gekoloniseerde Madagaskar (eiland voor de zuidoostkust van Afrika) of naar Palestina. Ze financierde terroristische jongerengroepen die bommen lieten ontploffen in Joodse wijken. Ze arresteerde Joodse socialisten en stopte hen in concentratiekampen. Ze hief belastingen speciaal voor Joden, die hen nog armer maakten dan ze al waren. Er vonden zo’n beetje elke week pogroms plaats. Polen was een land, waar je als Jood niet gauw van zou zeggen dat je er graag wilde wonen. De Bund echter pleitte voor ‘doikayt’, een Jiddisch woord wat betekent: ‘hier waar ik woon, is mijn thuisland’. Dat zou ik in New York heel gemakkelijk kunnen zeggen. New York is geweldig. Ik vind het heerlijk om in New York te wonen. Geen enkel probleem. Maar om dat te zeggen als Jood in Polen in de jaren dertig, waar zoveel machthebbers en zo’n groot deel van de bevolking je vertellen dat je een buitenlander bent en dat je weg moet, dat is uitdagend, dat is prachtig! Iets van die houding vind je terug bij elke onderdrukte minderheid. De vastberadenheid om te zeggen: hier waar ik woon, waar mijn ouders woonden, waar mijn grootouders woonden, daar heb ik het recht om te leven in vrijheid, waardigheid en gelijkheid. De Bund voegde daar nog aan toe: als het je niet bevalt dat we hier wonen, val dan maar dood, we hebben geweren… In het tussenoorlogse Polen bereikte het verzet van de Bund tegen het zionisme zijn hoogtepunt. De bundisten vonden het in de eerste plaats een stom plan. Ze zeiden zoiets als: ‘Ah, dus jullie gaan negen miljoen Joden van Europa naar Palestina verhuizen om daar collectieve boeren te worden door het land van de Ottomaanse sultan te kopen? Hm, heel snugger.’
Zo zag het verzet van de Bund er in het begin uit. Maar na de Balfour-verklaring in 1917, waarbij de Britse regering zich achter het zionisme schaarde, zag het plan om een groot stuk grond in Palestina te kopen er opeens een stuk haalbaarder uit. Niettemin bleven de bundisten het zionisme verafschuwen. Ze haatten de afhankelijkheid van Britse wapens en ze verafschuwden het racisme, wat ze ‘het chauvinisme jegens Palestijnen’ noemden. Ze haatten de minachting van de zionisten voor de joodse diaspora. Ze konden het niet uitstaan dat zionisten onder één hoedje speelden met de racisten die de Joden uit Europa wilden verdrijven. Terwijl de Poolse regering zei: ‘We moeten alle Poolse Joden naar Palestina deporteren’, bevestigden belangrijke zionisten dat openlijk, zoals David Ben-Gurion (die later de eerste premier van Israël werd). De Poolse regering die racistische knokploegen in Polen financierde om Joodse wijken te terroriseren, trainde ook zionisten in Palestina en leverden hen wapens, die ze gebruikten om Palestijnen te vermoorden. Kortom: Europese racisten en Joodse zionisten waren het erover eens dat Joden geen plaats hadden in Europa, dat ze moesten opzouten. De Bund was hier fel op tegen.”
Maar toen kwam Hitler in 1933 aan de macht. Wat moesten de bundisten daarmee aan?
“De Bund heeft zichzelf altijd als een socialistische beweging beschouwd en zag meteen de gevaren van het fascisme in. Ze stuurden strijders naar Spanje om tegen Franco oorlog te voeren. In hun pers berichtten ze over de onderdrukking van Joden in nazi-Duitsland. Maar de bundisten hadden nog hoop. Ze dachten dat ze het beste tegen het fascisme konden vechten in solidariteit met andere socialistische partijen in Europa. Daarom vochten ze ook mee aan de zijde van de Spaanse Republiek, de Oostenrijkse sociaal-democraten en het Duitse verzet tegen Hitler. Ze zagen zichzelf als onderdeel van een internationaal socialistisch project. Toen het fascisme in Europa opkwam en het Poolse nationalisme binnen dat land steeds gewelddadiger tegen de Joden werd, ging de Bund intensiever samenwerken met de Poolse Socialistische Partij, die vooral bestond uit niet-Joodse Polen. Tegen het einde van de jaren dertig vochten zij samen met hen op straat tegen de fascisten. Rond 1939 maakt de combinatie van hun prachtige tegencultuur met gewapende zelfverdediging de Bund tot veruit de populairste Joodse partij in Polen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen veegden ze elke andere Joodse partij van de kaart.
In september 1939 viel Hitler Polen binnen. Dit deel van het verhaal vond ik het zwaarst om te schrijven. Vanaf het begin zette de Bund volledig in op solidariteit met de Poolse socialisten. Ze vochten samen met hen op de barricades tijdens het beleg van Warschau. Ze hielpen de Poolse socialisten om hun partijkranten te smokkelen, regelden valse persoonsbewijzen voor hen en verborgen hun kinderen. De Poolse socialisten op hun beurt leverden de bundisten wapens. Maar uiteindelijk werden de Joden in heel Polen opgesloten in getto’s en de Poolse socialisten niet. Er waren prachtige, verbluffende daden van moed en solidariteit van Poolse socialisten. Sommigen van hen zijn naar Auschwitz gestuurd omdat ze de Bund-krant verspreidden, anderen zijn omgekomen bij hun pogingen om bundisten te beschermen. Dat is de waarheid. Maar ondanks dat alles was het lot van de Polen niet hetzelfde als dat van de Joden. Toen het er echt op aankwam, waren de Poolse socialisten in Warschau niet bereid om samen met de Joden in opstand te komen.
Daar had ik het moeilijk mee. Ik vroeg mezelf af: hebben de Poolse socialisten de Joden, de bundisten verraden? Dat kon ik niet geloven, want ze waren geweldige kameraden, die meer deden dan je iemand redelijkerwijs had kunnen vragen. Maar het feit blijft dat de nazi’s de Poolse Joden bijna volledig hebben omgebracht en de andere Polen niet, hoewel de nazi’s hen ongelooflijk veel leed hebben aangedaan. Dat wel. Tenslotte, toen negentig procent van de bewoners van het getto van Warschau vermoord was, besloten de bundisten daar samen te gaan werken met zionisten, hoewel de Bund zich gedurende zijn hele geschiedenis op alle mogelijke manieren daartegen verzet had. Dat kwam ook omdat de jonge bundisten geen volwassen leiders meer hadden om hen te vertellen wat ze moesten doen. Ze verenigden zich met jonge linkse zionisten en communisten, en ze vormden de Żydowska Organizacja Bojowa (ZOB, Joodse Gevechtsorganisatie) voor de opstand in het getto van Warschau.
Natuurlijk hadden zij niet de illusie dat ze met dit oproer de Duitse bezetter zouden kunnen verslaan. Dat kon werkelijk niet. Hoe hadden ze ooit een militaire overwinning kunnen behalen vanuit hun gevangeniswijk die slechts drie vierkante kilometer groot was? Het was meer een daad van zelfmoord door mannen en vrouwen die zich voorgenomen hadden waardig als mensen te sterven, met geweren in de hand, en niet uitgeroeid te worden als insecten. Tijdens de opstand zagen de Poolse inwoners van Warschau deze Joodse wijk in het centrum van hun stad in vlammen opgaan. Onder hen waren ook Poolse socialisten, die probeerden vluchtelingen te helpen. Ze beschermden opnieuw kinderen, en ze verstopten mensen in hun huizen. Maar uiteindelijk zijn de Joden van Warschau in het centrum van Warschau omgekomen in de vlammen. Voor mij was dat het moment dat ik begreep dat zelfs de sterkste solidariteit tussen mensen haar grens had. Dat bracht me in de war, en mijn hart brak toen ik dat alles beschreef.”
Er zijn verschillende momenten waarop de Bund sprak over de toekomst, over hoe zij in samenwerking met andere socialistische organisaties in Rusland aan de macht zouden kunnen komen. Maar de onderhandelingen gingen moeizaam en uiteindelijk kozen ze ervoor om die af te breken. Wat denk je daarvan?
“Oh mijn god! Ze hadden nooit moeten weglopen. Je hebt het hier over twee momenten. Het eerste was in 1903, toen al die verschillende socialistische groepen uit het Russische Keizerrijk in Zwitserland bijeen waren voor de Tweede Conferentie van de Russische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (RSDAP). De Bund was verwikkeld in een woordenstrijd op leven en dood met Lenin en zijn medestanders. Ze vonden Lenin toen al een dictator. Ze konden hem niet uitstaan. Ze vonden hem een klootzak met een grote bek. Ze waren vastbesloten om een autonome groep binnen de RSDAP te worden om de Joodse arbeiders in het Russische Rijk te organiseren. Maar Lenin vond dat er geen autonome groepen in de partij mochten zijn, en dat iedereen zich had te onderwerpen aan de centrale leiding, wat volgens de Bund neerkwam op Vladimir Lenin himself.”
Daar hebben ook nu weer mee te maken. Dat sommigen een centrale leiding wensen en dat anderen zeggen: we willen wel een beetje onafhankelijkheid behouden.
“Precies! Ik moet er nog bij vertellen dat de Bund op dat moment dertigduizend leden telde, terwijl alle andere groeperingen samen slechts vierduizend. Ze hadden er vooral bezwaar tegen dat hun grote en goed functionerende groep zich zou moeten schikken naar een groep theoretische marxisten, alleen maar omdat die beweerden alle arbeiders van het Russische Rijk te vertegenwoordigen, en omdat Lenin en consorten op die conferentie in de meerderheid waren. De bundisten zeiden zoiets als: ‘wij hebben onze eigen drukpersen, wij werken in zoveel afgelegen gebieden, en wat hebben jullie, wat doen jullie? Oh, jullie hebben een eigen krant. Dat is heel mooi, een krant die andere socialisten in onze eigen partij aanvalt. Nou fraai hoor.’ Lenin, die een absoluut genie was in sluwe politieke procedures, manipuleerde de hele conferentie en kreeg het voor elkaar dat de bundisten deze strijd over autonome vertegenwoordiging van de Joodse arbeidersklasse verloren. Ze waren hier zo kwaad over dat ze woedend weg stormden en de partij verlieten. Door hun vertrek kon Lenin zijn controle over de partij versterken. Dat was dus de eerste keer.
De tweede keer was na de Oktoberrevolutie, toen de Rode Garde van Trotski het Winterpaleis van de tsaar beschoot en de bolsjewieken op het punt stonden Sint-Petersburg – en daarmee heel Rusland – in handen te krijgen. Op dat moment renden bundisten onder leiding van de grootvader van mijn partner, Henryk Ehrlich, naar buiten en zeiden dat ze het Winterpaleis desnoods shirtloos zouden verdedigen en ze vertrokken weer, uit principe. Daardoor lieten ze de kans liggen om enige zeggenschap te krijgen over wat er later in Rusland gebeurde. Als ik over deze twee gebeurtenissen nadenk, voel ik aan de ene kant zoveel sympathie voor hen, omdat ik ook niet in één kamer wil zitten samen met klootzakken die tegen me samenzweren – dat is echt klote. Maar aan de andere kant zou ik hen wel hebben willen toeroepen: mijn god, loop niet weg, want zo verlies je al je invloed. Ook tegenwoordig hebben linkse groepen de neiging om ervandoor te gaan, en steeds kleinere groepjes te vormen….”
…. waardoor we ons heel goed en heel puur kunnen voelen, heel nobel. Maar ja, soms gaat het wel om lastige politieke kwesties…
“De congressen in mijn boek heb ik beschreven met de oprechte haat die alleen iemand kan voelen die vele linkse bijeenkomsten met moeite heeft overleefd. Andere historici die dit soort bijeenkomsten niet hebben doorstaan, kennen de pijn ervan niet, maar ik wel.”
Om langzaam maar zeker af te ronden: wat zijn de belangrijkste lessen voor linkse organisatoren?
“Ten eerste: alleen solidariteit kan ons redden. Dat houdt niet in dat succes gegarandeerd is. Dat is het namelijk niet. Het betekent ook niet dat solidariteit eenvoudig is, want het is eigenlijk het moeilijkste wat er is. Tribalisme is het natuurlijke gedrag van mensen, niet solidariteit. Maar niettemin is solidariteit het enige wat we daadwerkelijk kunnen doen om een menswaardige samenleving op te bouwen. Zonder solidariteit blijven we gevangen zitten in de eindeloze tredmolen van onderdrukten die de nieuwe onderdrukkers worden met de gedachte: nu is het onze beurt, nu zullen zij ervan lusten.
Voor mij is zionisme het verschrikkelijkste voorbeeld van het verliezen van alle geloof in de kracht van menselijke solidariteit, van het opsplitsen van de wereld in sterke onderdrukkers en zwakke slachtoffers, en het besluit dat het dan maar beter is om sterk te zijn. Dat wijs ik af. Het is monsterlijk. Dat is de belangrijkste les van mijn boek. Dat solidariteit het enige is dat ons kan verlossen, maar dat we het moeten voeden met alles wat we in ons hebben, want het is niet gemakkelijk.
De tweede les is dat als je wilt organiseren, je je onder de mensen moet begeven. Je kunt niet aankomen met je speciale, irritante jargon en je onbegrijpelijke afkortingen, en dan mensen laten merken dat je ze stom vindt omdat ze van een bepaald populair televisieprogramma genieten. Of gaan beweren dat popsterren ons niet zullen redden van het kolonialisme. Je moet je eigenlijk ‘normaal’ gedragen. Ik bedoel niet dat je alle vooroordelen en alle onzin accepteert die mensen vaak uitkramen. Het betekent niet dat je gewone mensen gaat vertroetelen, maar dat je hen respecteert en dat je hun taal spreekt en dat je samen met hen dingen opbouwt waar we allemaal baat bij hebben.”
Absoluut. Dat we de problemen serieus nemen waar zij mee te maken hebben, ook al zullen we het niet altijd eens zijn met ieders opvattingen. Ik zou er aan willen toevoegen dat een belangrijke les die ik uit jouw boek meeneem, is dat de bundisten vochten als Joden. Ze streden als arbeiders, maar ze ook als Joden. In onze tijd hebben veel mensen het idee dat ze hun eigen traditie los moeten laten om solidair te kunnen zijn met de rest van de wereld. De Bund laat zien dat dat onjuist is, dat het goed is om je geschiedenis te kennen, om te kunnen beslissen in welke traditie je werkelijk wil staan. Maar dat geldt niet alleen voor Joden. Wij hebben allemaal een bepaald lichaam, we hebben allemaal een bepaalde persoonlijkheid, een bepaald karakter. Onze huid heeft een bepaalde kleur. Veel mensen zijn gelovig. De kracht van de zwarte kerk is bijvoorbeeld enorm. Ik ben helemaal geen christen, maar de zwarte kerk heeft een revolutionaire kracht. De Bund leert ons hoe we al die aspecten van onze persoonlijkheid kunnen combineren met solidariteit.
“Een van de andere thema’s van mijn boek is: geschiedenis. Iedereen die marxist geworden is, of die misschien zelfs is opgegroeid met Marx, weet wel dat marxisme in wezen een manier is om de geschiedenis te begrijpen. Om te snappen wat de plaats van ons mensen is binnen de geschiedenis. Hoe wij mensen door de geschiedenis worden gevormd en hoe we die op onze beurt weer verder kunnen ontwikkelen. Naast alle politieke lessen, naast alle menselijke verhalen, wilde ik dat mijn lezers zouden gaan nadenken over de geschiedenis en hun rol daarin.”
Ik wil je tenslotte bedanken voor alle personen die je aan ons voorgesteld hebt. Hoe je de verschillende fasen die ze doormaakten beschreven hebt. De bundisten die in de frontlinie stonden en op cruciale momenten in de wereldgeschiedenis daadwerkelijk in actie kwamen. Wat het met hen deed, en dat het niet allemaal even romantisch was. Ik denk dat die persoonlijke verhalen heel belangrijk zijn voor ons die hier vechten voor bevrijding. Want het is makkelijk om te denken in termen van idealen, strategieën en theorieën. Maar wat gebeurt er nou echt met ons als er een revolutie gaande is, zoals toen in Rusland. Zouden we dan mee gaan werken met de mensen die de macht grepen? Zouden al onze zuivere ideeën ten onder gaan in het laboratorium van de strijd? Ik denk dat jouw boek met al zijn beschrijvingen van mensen van vlees en bloed een realistische kijk biedt op wat het betekent om daadwerkelijk een leven van solidariteit te leiden.
“Dank je wel. Mijn vader, die marxistisch professor is, vertelde me dat dit het eerste boek is dat hij heeft gelezen over revolutionairen, waarin die ook als mensen worden neergezet.
Molly Crabapple and Chenjerai Kumanyika
Voor oorspronkelijke tekst zie onderstaande video. Vertaling en bewerking: Jan Paul Smit.
Verder lezen
