Dean Bowen over de racistische agenten: “Een paar rotte appels in de mand maakt de rest te schand” (video)

Dean Bowen achter de microfoon. Hij draagt een lange rode jas en heeft zijn handen in zijn zakken.

Op het Marconiplein in Rotterdam, voor het politiebureau, demonstreerden gisteren ruim 500 mensen voor het ontslag van racistische en seksistische agenten. De ophef in de media over hun walgelijke berichtjes, en over de omgang daarmee door de korpsleiding en burgemeester Aboutaleb, groeit nog met de dag. Het is onacceptabel dat Rotterdammers nog met dit soort agenten te maken kunnen krijgen. Het motto van het protest, georganiseerd door Bij1 Rotterdam en Doorbraak, was dan ook #GeenFoeiMaarDoei, geen berisping, maar ontslag! Met de demonstratie wilden we een extra duw geven aan de korpsleiding om nu echt maatregelen te nemen. Er waren zeven sterke sprekers en er werden flink wat leuzen geroepen. Lees en bekijk hier de speech van de dichter Dean Bowen. En als je het nog niet gedaan hebt: teken ook onze petitie, net als inmiddels bijna 8.800 anderen!

Ik wil beginnen met iedereen te bedanken die hier is. Toen ik gisteren de pen op papier wilde zetten, want dat doe je als je een schrijver bent, om woorden hier met jullie te delen, toen lukte het niet. Want hoe schrijf je als je hand constant blijft trillen van de woede.

Ze zullen zeggen: mislukte grap. Ze zullen zeggen: foute opmerking. Ze zullen zeggen: sorry. Maar ik heb niets aan excuses als het gedrag niet verandert. Ze zullen zeggen: rotte appels. Vergeten voor het gemak dat het gezegde gaat: “Een paar rotte appels in de mand maakt de rest te schand”. Als ik niet uit kan gaan van andere agenten die hun collega’s ter verantwoording roepen, wie moet mij dan beschermen?

Ze zullen zeggen: dit is de manier waarop wij met trauma omgaan. Ze vergeten voor het gemak wat dit betekent voor een gezin in rouw. Ze zullen vergeten hoe moeders met kinderen van kleur zodra ze zeven, acht of negen jaar zijn, dat irritante, vervelende, verdrietige gesprek moeten hebben over hoe de mensen in blauw anders naar je kijken. Hoe ze er vanuit gaan dat je schuldig bent, voordat je nog iets gedaan hebt. Hoe ze gewelddadiger durven zijn.

Anekdote: de eerste keer dat ik met de politie in aanraking kwam, was ik negen jaar oud en op een basketbalveldje aan het spelen. Oom agent kwam alleen maar even langs om te kijken wat we daar aan het doen waren. Want kinderen op een basketbalveldje is verdacht, wist je dat niet?

Toen ik zestien was en opgepakt werd voor iets dat ik niet gedaan had, vond de agent het nodig om de deur van de politieauto op mijn voet te rammen. Ik weet nog hoe ik mijn moeder smeekte er niks mee te doen, want 1. ik was niet bereid dat zij haar geld bleef investeren in een doodlopende zaak en 2. geen behoefte aan die hoofdpijn.

Ik weet nog toen ik zeventien jaar oud was en werd opgepakt de dag voor Pasen, een nacht in de cel door had gebracht, voor iets dat ik niet gedaan had. Mijn moeder de hele nacht vooraan zitten wachten totdat ik word vrijgelaten, verhaal gaat halen en ze krijgt te horen: ja, maar weet u, mevrouw, hij heeft gewoon de verkeerde kleren, het verkeerde haar, en de verkeerde kleur.

We weten hoe dit er uit ziet. We weten hoe waar het is in deze lokale politie. Ze zullen zeggen dat ze het niet wisten van hun collega’s. Als iemand bij de politie solliciteert, gaan ze door een proces dat ze ‘blauw verven’ noemen. Dat betekent dat je opgenomen wordt in de sekte. Je leert dat je je collega’s te allen tijde beschermt tegen iedere vorm van kritiek, is geweld, is verdacht, is je in de gaten houden, is je staande houden, is iedereen die hier is verdacht maken. Wees op je hoede.

Als stadsdichter schreef ik expliciet over politieke situaties in de stad. Waarom? Een stadsdichter moet verbinden, toch? Er waren heel veel mensen niet blij met mij. Dat komt omdat het soort verbinden dat ik probeerde te doen mensen schuldig maakte. Of in ieder geval schuldig liet voelen.

Maar wat anders? Als ik niet anders zie dan dat er niet een gelijkwaardige ruimte is voor ons allemaal, voor iedereen. En het gaat me niet om mij. Het gaat me om Mohammed, en Hümeyra, Quinsley, jongens die spelen op de hoek, die spelen op het veldje, tegen een bal aan trappen, lachen in de zon, en altijd al verdacht zijn.

Ik schreef een stadsgedicht, want ik ben geen activist. Ik ken wel activisten, ik ken mensen die hun lichaam op het spel zetten ten behoeve van deze zaak. Ik schrijf. Maar ik wil nu wel iets met jullie delen.

Confrontaties

Voor de vijf agenten en de rest

Leer ze: je beste vriend

Ken ze: gevaar

Lees: slechts een paar rotte appels

Weet: hoe het de rest te schand

Zie: Jan Smit/WhatsApp-groep

Lees: anoniem/wit/Hollands

Het is alles dat hier thuishoort

Niet zoals dat kankervolk/kutmarokkanen/pauperallochtonen

Zie: geen consequenties

Ondervind ze zelf, want

“de jas, de schoenen, de auto”

Herinner jezelf, toen je tiener

Alweer in een cel waar je niet hoorde

Hoe je moeder vroeg om uitleg

En het antwoord, want

“verkeerde haar, verkeerde kleren, verkeerde kleur”

Weet: het mechanisme van de taal; hun taal

Weet: de eufemismecarrousel; de leugens

Vraag: wie zich gespiegeld ziet in de hoeders van de wet

Begrijp: niet voor jou, want niet van jou, want niet jij

Allemaal zijn wij weelde

Gewikkeld in groen-wit-groene deken

Allemaal moeten veilig

In de schoot van deze stad

Weet: geen oplossingen vanzelf

Weet: een burgervader verantwoordelijk

Hoor: niet allemaal

Antwoord: maar wij ook niet

Weet: het veilig van de een als de prijs voor een ander

&

Vraag: wie wensen wij als hoeders voor het hart van Rotterdam.

Mijnheer Aboutaleb, treed af!

Dean Bowen