Organiseer de wachtkamer?

Gezondheid is een biologisch-nazistisch hersenspinsel”, aldus het Sozialistische Patientenkollektiv (Socialistisch Patiëntencollectief SPK). Beatrice Adler-Bolton en Artie Vierkant tonen zich in hun boek “Health Communism” bijzonder geïnspireerd door het in de jaren zeventig in Heidelberg opererende SPK. Wat de auteurs en het SPK gemeen hebben, is dat ze beiden gezondheid en ziekte centraal stellen in hun analyse van het kapitalisme.

Zo’n analyse is nogal een grote opgave voor een dun boekje, maar Adler-Bolton en Vierkant weten aardig succesvol geschiedenis, concrete voorbeelden en abstracte theorie met elkaar te combineren. Helaas is vooral dat laatste aspect vaak in een academische taal gegoten die zo gespecialiseerd is dat ik het lastig en soms onmogelijk vond om te begrijpen wat ze nu eigenlijk wilden zeggen. En dat ondanks dat ik wel universitair getraind ben om precies dit soort teksten te lezen! Dat zie ik dan ook als een groot nadeel van het boek, en een beperking om een breder publiek te bereiken. Dit is bijzonder jammer, omdat het boek een heel interessant en relevant perspectief uitwerkt dat op links zeker wat meer aandacht mag hebben. Hier dus mijn recensie die hopelijk ook als een wat toegankelijkere manier kan dienen om met de inhoud van dit boek bekend te raken.

Ziekmakend kapitalisme

Het kapitalisme vraagt ons om onze arbeidskracht te verkopen en daartoe ons lichaam te verhuren, of het voor een kantoorbaan is waar we langzamerhand onze rug kapot zitten of dat we op de bouw onze rug kapot tillen. Werk binnen het kapitalisme ondermijnt gaandeweg ons welzijn. En als je geen baan hebt? Dan moet je met de schaamte leven die het kapitalisme je aanpraat, met de constante druk dat je een baan zou moeten hebben, terwijl je in de tussentijd op het bestaansminimum leeft. De scheiding tussen een baan hebben en op het bestaansminimum zitten omdat je geen baan hebt (en specifiek als je niet in staat bent om te werken) is een centraal thema dat in “Health Communism” wordt besproken.

Volgens Adler-Bolton en Vierkant wordt er een onderscheid gemaakt tussen arbeiders en de ‘overbodige’ klasse (surplus class). Met dit laatste worden alle mensen aangeduid die niet betaald werken. Dat kan omdat iemand tijdelijk baanloos is, maar er zijn natuurlijk ook mensen die gewoon geen baan kunnen hebben omdat ze (chronisch) ziek zijn of een beperking hebben. Of iemand als ‘overbodig’ wordt gezien in de ogen van het kapitaal is er dus afhankelijk van of iemand in staat is om winstgevend werk te doen (een beperking is dan ook niet alleen een probleem met iemands lichaam, maar heeft er vooral mee te maken of iemand betaald kan werken). Om de grens tussen arbeiders en overbodigen te trekken, wordt een proces van uitgebreide biocertificatie gebruikt. Iemand, zoals een UWV-arts, bepaalt dan in hoeverre iemand in staat is om te werken. Zo worden de (potentiële) arbeiders van de ‘overbodigen’ gescheiden. De arbeider moet weer winstgevend werk gaan doen, terwijl de ‘overbodigen’ als ze geluk hebben een magere uitkering krijgen, en als ze pech hebben in de steek gelaten worden.

Deze wrede behandeling van “arbeidsongeschikten” wordt vaak gerechtvaardigd met verwijzing naar wat voor een last deze mensen zouden vormen voor de maatschappij. Hierbij kunnen we twee soorten argumenten onderscheiden (die vaak ook door elkaar lopen). Enerzijds wordt beweerd dat de ‘overbodigen’ te veel kosten en dat er daardoor te weinig geld en capaciteit overblijft voor de rest van de bevolking. Dat wordt in het boek “de schuldenlast” genoemd. Anderzijds wordt het bestaan van de ‘overbodigen’ gezien als een risico voor de volksgezondheid. Immers, wat als ze hun arbeidsongeschiktheid doorgeven of anderen ermee besmetten? Dit noemen Adler-Bolton en Vierkant “de eugenetische last”. Deze ideeën over “last” zijn ontzettend diep geworteld. Zelfs linkse groepen lijken deze aanname soms te delen, wat uiteindelijk hun radicaliteit beperkt. Als je echt geeft om de ‘overbodigen’, dan moet je het idee dat sommige mensen “een last” zijn volledig verwerpen.

Verwaarlozing

Tot nu toe klinkt het natuurlijk alsof de ‘overbodigen’ inderdaad niet winstgevend zijn. Dit is echter volledig onwaar. Het centrale concept dat Adler-Bolton en Vierkant ontwikkelen en toepassen in “Health Communism” is “extraherende verwaarlozing” (extractive abandonment), waarmee ze bedoelen dat de structurele verwaarlozing van de ‘overbodigen’ juist ook winst kan genereren. Denk aan hoe verzekeringsmaatschappijen en farmaceutische bedrijven winst kunnen maken via dure behandelingen. Of denk aan hoe patiënten ook proefkonijnen voor nieuwe behandelingen kunnen zijn, soms vrijwillig maar vaak ook niet. Een voorbeeld hiervan is de lange en nog steeds doorwerkende geschiedenis van onvrijwillige institutionalisering, het wegstoppen van mensen in psychiatrische instellingen of bejaardenhuizen. Voor dat op winst gerichte model worden massale instellingen ingezet, waarin mensen vooral een nummer zijn en volledig tot object worden gereduceerd. Eerst maakt het kapitalisme je ziek, en dan verkopen ze je ook nog de behandeling om zogenaamd beter te worden. Wat onbenoemd blijft, is dat beterschap vaak meer nodig heeft dan rust en de goede medicatie: bijvoorbeeld een maatschappij die anders wordt ingericht, zodat mensen niet geïsoleerd raken, niet in beschimmelde huizen wonen, niet constant bang hoeven te zijn dat de verblijfsvergunning wordt ingetrokken, niet maanden of zelfs jaren moeten wachten om medische zorg te krijgen. De ‘overbodigen’ zijn dus juist wel winstgevend door materiaal te worden voor het kapitaal om winst uit te persen. Het welzijn en vaak genoeg ook het leven van de ‘overbodigen’ is hiervoor een voor het kapitaal acceptabele prijs.

Extraherende verwaarlozing gebeurt niet alleen op nationale schaal, maar ook op internationaal niveau. We leven in een wereldorde waar de bevolking van hele landen als ‘overbodig’ wordt beschouwd. Het duidelijkste voorbeeld is waarschijnlijk TRIPS (Trade Related aspect of Intellectual Property Rights, handelsgerelateerde aspecten van intellectueel eigendomsrecht). Patenten op farmaceutische producten begonnen eigenlijk pas in de jaren vijftig van de vorige eeuw vaker voor te komen. Dit had alleen tot dat moment geen institutioneel kader, waardoor schending niet vervolgd kon worden, vooral niet op internationale schaal. Er waren zeker manieren voor bedrijven om bij overheden te lobbyen om druk te zetten op andere bedrijven en andere landen die het intellectuele eigendomsrecht schonden, maar dat liep nog niet via vaste wegen, of via dekking van internationale afspraken. Dit veranderde toen in de jaren negentig TRIPS werd geratificeerd. TRIPS zorgde ervoor dat handelssancties geheven konden worden als het intellectuele eigendomsrecht van een bedrijf werd geschonden. In 2012 besloot India bijvoorbeeld om een bedrijf uit te zonderen van het patentrecht zodat het bedrijf kon beginnen om een bepaalde medicatie te maken. Maar twee weken later kwam een minister uit de VS langs om het belang van patenten aan de Indiase minister uit te leggen, en werd India op de priority watch list van de VS gezet. Landen die op deze lijst staan, worden vaak het doelwit van handels- of militaristische oorlogen. De dreiging was dus duidelijk.

SPK

Wat voor sociale beweging zouden Adler-Bolten en Vierkant graag zien met deze analyse? Ze wijden twee hoofdstukken aan de al eerder genoemde Duitse groep SPK. Die noemen ze als de voorloper van hun project, en ze halen veel inspiratie uit hun activiteiten van destijds. Ook dragen ze hun boek op aan SPK. Genoeg reden dus om een kort idee te geven van wat voor groep SPK dan precies was.

We beginnen het verhaal met de arts Wolfgang Huber. Die experimenteerde met alternatieve therapievormen naar aanleiding van zijn ervaringen met de klassenscheiding in het gezondheidssysteem. In 1966 ging hij werken in de polikliniek die verbonden was aan de universiteit in Heidelberg. Dat was een eerstelijnsinstelling voor de lage inkomens-patiënten met zware psychiatrische problemen. Die werden daar niet echt geholpen, maar vooral vastgehouden en ‘gekalmeerd’. Dat terwijl er wel een universiteitsziekenhuis was waar genoeg capaciteit was om betere zorg te bieden. Geconfronteerd met dit klassensysteem, begon Huber in eerste instantie groepstherapie bij zichzelf thuis te organiseren. In 1969 begon hij dat werk ook aan de universiteit te doen. Die zette zijn experiment echter al in 1970 stop, omdat men het als te politiek beschouwde. De patiënten wilden daar niets van weten en bezetten het kantoor van de decaan om geld en ruimte voor hun nieuwe therapievormen te krijgen. Dat was het geboortemoment van SPK. Het lukte de groep om geld en een ruimte van de universiteit af te dwingen, al was de universiteit heel traag en maakte die (waarschijnlijk opzettelijk) fouten in de administratie.

Wat deed SPK met de ruimte die ze kregen? Ze organiseerden vooral praktische hulp voor elkaar, zoals door groepstherapie. Hun activiteiten waren er ook altijd op gericht om ziekte te politiseren. Het ging er dus niet om dat een individu weer tot gezondheid hersteld moest worden door een expert die de behandeling leidt. Behandeling door therapie en medicatie was zeker iets dat ook gebeurde, maar het was niet een arts alleen die bepaalde welke medicatie wel of niet geschikt was (de hiërarchie tussen arts en patiënt was juist een probleem en moest ontmanteld worden). In plaats van dat de arts bepaalde, was het de patiënt in samenwerking met de arts, en wellicht de groep, die bepaalde.

Beginselen

Naast deze behandeling was het begrijpen van de politieke en economische verhoudingen, die hen ziek aan het maken waren, dus ook altijd onderdeel van de wederzijdse hulp. Het was trouwens niet zo dat een kern van mensen hun analyse aan anderen aan het voorschotelen waren, die dat verhaal dan passief moesten volgen. Educatie moest juist zo zijn dat anderen ook in de docentenrol konden gaan, en zelf anderen konden onderwijzen en therapiesessies konden leiden. Emancipatie en het verspreiden van hun methode was dus altijd onderdeel van de politieke educatie van SPK. Naast hun zorgpraktijk organiseerden ze ook acties en deden ze aan propaganda, bijvoorbeeld via een radiozender. Het doel was om het zieke proletariaat te verenigen. Hiervoor moest onder andere het verschil tussen fysieke en psychische ziekte achter zich gelaten worden, maar ook de scheiding tussen arbeiders en patiënten.

Deze praktijk van SPK werd gegrond in drie beginselen. Ten eerste heeft iedere patiënt een recht op leven en dus ook een recht op behandeling. Hiervoor is het, ten tweede, noodzakelijk dat patiënten zelf controle over medische zorg hebben op alle niveaus (ziekenhuizen, medische opleidingen, medisch onderzoek, maatschappelijke capaciteit die in zorg wordt gestoken). Tenslotte moet de arts-patiënt verhouding opgeheven worden omdat dat de plek is waar het tot object maken van de patiënt het tastbaarst wordt.

Hoe succesvol SPK was, is lastig te zeggen. Op iedere stap die ze zetten, werd met toenemende repressie gereageerd. West-Duitsland was een soort van grens tegen het communisme van de Warschaupact-landen tijdens de Koude Oorlog. Het was niet alleen een letterlijk grensgebied, omdat het aan het Oostblok grensde, maar moest ook gelden als een voorbeeld van succesvol kapitalisme. Dat betekende wel dat de repressie van anti-kapitalistische stromingen een hoge prioriteit had. Ondanks dat SPK lokaal actief was, eiste de landelijke minister van Educatie dat de universiteit in Heidelberg hen niet meer zou faciliteren. Dat gebeurde al na zeven maanden nadat de groep tot stand kwam. Dat laat de heftigheid van de repressie goed duidelijk worden.

Stadsguerrilla

Naast de materiële repressie was er ook een grote ideologische oorlogsvoering. Zo maakte de pers stemming tegen het project, en werd de groep vaak als een terreurgroep beschreven, vergelijkbaar met de stadsguerrilla Rote Armee Fraktion (Rode Leger Fractie, RAF). Interessant genoeg leidde de klopjacht op SPK er juist toe dat de groep groeide. Uiteindelijk werd de repressie helaas te groot, moesten meerdere leden vluchten en gingen anderen jarenlang de gevangenis in, waar ze gemarteld werden door in hun cellen continu fluorescerend licht te laten branden.

Wat ik zelf bijzonder inspirerend vind aan het verhaal van SPK, is dat ze in staat waren om zieke mensen als een klasse te organiseren via een analyse en praktijk die politieke strijd, therapie en zorg wisten te verbinden. In tijden van corona en long-covid, ecologische crisis, oorlog en fascisme lijkt het belangrijker dan ooit dat er een krachtige beweging ontstaat die gezondheid centraal stelt. Ik ken zelf wat mensen die werkplekken of wijken proberen te organiseren, maar ben tot nu toe niet vaak tegengekomen dat andere plekken waar mensen gedwongen samenkomen georganiseerd worden, zoals wachtkamers in ziekenhuizen of bij de huisarts. Ik ken wel genoeg verhalen van mensen die problemen in de gezondheidszorg hebben, doordat de wachtlijsten eeuwig lang zijn of doordat ze niet de behandeling krijgen die ze nodig hebben. Het potentieel lijkt er dus te zijn en ik zelf voel er wel wat voor om deze strijd te versterken.

“Health Communism” is een pleidooi voor een strijd die de ‘overbodigen’ centraal zet en gezondheid politiseert. Hierbij is de strijd voor gezondheidszorg geen minder belangrijk onderdeel van de strijd tegen het kapitaal, maar de centrale eis die de bestaansvoorwaarde van het kapitalisme wegneemt. Kapitalisme heeft gezondheid gekaapt, het leeft erin. Gezondheid is het beeld van de perfecte arbeider, een “biologisch-nazistisch hersenspinsel” dat ons wordt voorgehouden als nastrevenswaardig terwijl ziekte de enige manier is om in het kapitalisme te bestaan. “Health Communism” biedt een goede analyse van gezondheid en ziekte onder het kapitalisme en geeft enkele beginselen voor een strijd om gezondheid van het kapitalisme terug te winnen. Het is aan ons om deze strijd te voeren.

Nickname

“Health Communism”, Beatrice Adler-Bolton en Artie Vierkant. Uitgeverij: Verso, € 22,00. ISBN: 9781839765162.