Wordt de PVV echt zo erg? Nee, het wordt erger!

Spandoek bij een protest tegen Wilders in Waddinxveen in 2009, georganiseerd door Doorbraak en enkele andere organisaties.

Op 22 november 2023 heeft de zogenaamde Partij voor de Vrijheid (PVV), in feite het eenmansbedrijf van fascist Geert Wilders, de grootste minderheid aan zetels behaald in de Tweede Kamer. Met 37 zetels gaat de PVV aan de leiding, wat naar staatsrechtelijk gebruik betekent dat Wilders het voortouw mag nemen in coalitiebesprekingen. Het is bekend dat de VVD-achterban al langer met Wilders wil regeren, aangezien ze op veel dossiers gelijke standpunten hebben. Pieter Omtzigt heeft ook aangegeven met NSC die coalitie in te willen, en daarmee heb je al een compleet kabinet. Mocht VVD-leider Dilan Yeşilgöz zich aan haar belofte houden, dan is een minderheidskabinet mogelijk, of een andere coalitie. Het ziet ernaar uit dat een kabinet-Wilders I onvermijdelijk is.

Toch vragen veel mensen zich af of er reden is tot zorgen. We leven immers in een rechtsstaat, en de regering kan niet zomaar allerlei wijzigingen doorvoeren. Columnist Sebastiaan Hooft verwoordde het als volgt op X (voorheen Twitter): “In een solide democratische rechtsstaat zoals Nederland is de vrees om gedwongen het land te moeten verlaten vanwege een verkiezingsuitslag ongegrond. Politieke verschuivingen veranderen niet plotseling de grondvesten van onze rechtsstaat en burgerrechten.”

Deels heeft Hooft gelijk: in een solide democratische rechtsstaat zou een plotselinge politieke ommezwaai niet zomaar het einde van burgerrechten moeten betekenen. Of Nederland zo’n solide rechtsstaat is, is de volgende vraag. In dit artikel ga ik in op hoe de checks en balances er in Nederland uitzien. Wat kan een kabinet onder leiding van de PVV daadwerkelijk veranderen?

Dit artikel wil overigens niet zeggen dat de ideële democratische rechtsstaat wél functioneert in het beschermen van fundamentele rechten. Wetten bieden in de praktijk vaak niet de bescherming die ze zouden moeten bieden, zelfs niet in de meest vooraanstaande democratieën. Het is echter toch goed om die wetten te analyseren. Het bepaalt namelijk hoeveel de status quo van media en partijpolitiek mee zal gaan met de regering, of zich juist gaat verzetten. Daarmee is het een nuttig frame om te analyseren hoe de maatschappij de komende jaren kan veranderen.

Dit artikel gaat ervan uit dat de VVD en NSC zich gedragen als rechtsstatelijke partijen die bereid zijn de Grondwet en mensenrechtenverdragen letterlijk te volgen. Dat is een belachelijke aanname: de VVD heeft al jaren in het programma staan dat ze de werking van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wil inperken. Pieter Omtzigt schreeuwde tijdens de verkiezing van de daken over het belang van grondrechten, om dat vervolgens allemaal overboord te gooien om maar onder de PVV te mogen regeren. Er is geen reden om aan te nemen dat Omtzigt opeens een ruggengraat krijgt, of dat hij überhaupt fundamenteel verschilt met de PVV op veel punten. Toch wil ik in dit artikel focussen op alleen de PVV, om het meest positieve scenario te schetsen.

Laat los wat je gewend bent

De eerste oefening die we moeten ondernemen om een PVV-regering voor te stellen is dat je los moet laten wat je weet van politiek. De Nederlandse politiek wordt slechts ingekaderd door staatsrecht; de opvulling is gewoonte en gebruik. Alle partijen die in de laatste jaren ministers hebben geleverd, hebben in meer of mindere mate baat gehad bij een invulling van die gebruiken die voorspelbaarheid, voorzichtigheid en vooral politieke rust bevorderden. Of in ieder geval gebruiken die de politiek zo saai maken dat niemand écht oplet.

Dat ligt deels aan de achterban van deze partijen. Ten goede of ten kwade hechten politici van PvdA/GL, CDA en VVD aan compromissen en consistentie, waarin dossiers stukje bij beetje worden aangepast. Het is gericht op het voorkomen van onvoorziene omstandigheden en effecten, en het behouden van de voorzichtig gebalanceerde status quo. Daarnaast is het ook een praktische opstelling; alle klassieke partijen weten dat ze in de toekomst met elkaar moeten samenwerken, dus mogen ze elkaar niet te veel tegenwerken.

De PVV opereert volgens een compleet ander paradigma. Niemand stemt op de PVV vanwege hun uitgedachte en gradueel ingevoerde beleid of vanwege hun staatsrechtelijke inborst. Stemmers op fascistische partijen verwachten, zoals Umberto Eco omschreef, “actie omwille van actie”. Ze willen zien dat er iets beweegt, dat er stappen worden gezet, en dat die stappen ogenschijnlijk in hun voordeel zijn. Dit, ongeacht de daadwerkelijke uitkomst van een bepaald beleid. Bovendien hoeft de PVV geen rekening te houden met andere partijen; de VVD en NSC werken met de PVV mee omdat de PVV nu eenmaal de macht heeft, en omdat ze op beleid veel overeenkomsten hebben.

De PVV heeft dus geheel andere beweegredenen dan klassieke partijen die we kennen. De PVV moet beleid met veel bombarie aankondigen, snel doorvoeren en negatieve uitkomsten ontkennen. Daarbij moet ze zich vooral niet tegen laten houden door gebruiken of bureaucratische processen. Deze factoren leiden ertoe dat de PVV er baat bij zal hebben om snel, veel en doortastend beleid te voeren, zolang het maar moslims en andere minderheden zijn die de klappen vangen.

Maar, hoor ik men zeggen: het maakt niet uit wat de PVV wil, het gaat erom of het kán wat ze willen bereiken. Is dat mogelijk? Het korte antwoord is “ja”: de Nederlandse politiek is de laatste jaren zo gemasseerd en gekneed dat de PVV vrij spel gaat krijgen om hun beleid uit te voeren. De weg is door de huidige politiek voor hen gebaand, zoals ik hieronder zal bespreken.

Kaderwetgeving

Het politieke systeem in Nederland is gebouwd op het zogenaamde “legaliteitsbeginsel”. Dat houdt in dat de regering alleen mag handelen volgens de wetten en regels zoals die zijn vastgesteld. Het primaat (ook wel: eerste plaats) van de wetgever houdt vervolgens in dat die wetten en regels door het verkozen parlement worden opgesteld. Dat betekent in principe dat je zonder toestemming van de meerderheid van het parlement geen beleid kan voeren.

Dit principe is de laatste tijd al ernstig aangetast. De invloed van het parlement is enorm afgenomen. Dit omschreef ik in een eerder artikel al, dus ik zal er niet te diep op ingaan. De crux is dat de invloed van het parlement op wetgeving is afgenomen, en die van ministers is toegenomen, door een combinatie van factoren, waaronder een gebrek aan ondersteuning, de macht van coalities, en gebrekkige media en journalistiek.

Die groeiende invloed van ministers is echter niet alleen onderhands gebeurd. De 21ste eeuw wordt op het gebied van wetgevingsbevoegdheid vooral gekenmerkt door een toename aan zogenaamde “kaderwetgeving”. Dit soort wetgeving creëert op een bepaald beleidsgebied een breed beleidskader. Vervolgens mag de regering (de ministerraad en de staatssecretarissen samen) het beleidsgebied invullen via een besluit, of mag de minister zelf regels stellen via een ministeriële regeling. Hiervoor hebben de ministers geen toestemming nodig uit de Kamers, die heeft de betreffende kaderwet hen immers al gegeven.

Het voordeel van kaderwetgeving is, vanuit het oogpunt van de overheid, flexibiliteit. Een kaderwet geeft wel een omlijning waarbinnen ministeriële regelingen en Koninklijke Besluiten moeten blijven, dus het beperkt het kabinet wel, maar het geeft ook ruimte om op veranderende omstandigheden te reageren. Het is een compromis tussen democratische controle en snelheid waarmee regelingen gemaakt moeten worden. Vaak is de rechtvaardiging dat een bepaald beleidsgebied te maken heeft met snel veranderende technologie of economische omstandigheden.

Een voorbeeld van een kaderwet is de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. Voor het opzetten van een beveiligingsbureau of een privaat recherchebureau is volgens deze wet een vergunning nodig van de minister van Justitie en Veiligheid (J&V). De kaderwet stelt verder nauwelijks inhoudelijke eisen aan een vergunning. De invulling daarvan heeft de minister gegeven in de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, die de minister van J&V zelf mag aanpassen.

Deze regelingsbevoegdheid gaat heel ver: de minister mag eenzijdig bepalen aan welke opleidingseisen beveiligers moeten voldoen, of zij honden mogen gebruiken en of zij handboeien mogen dragen. Verder gaat de minister breder over de andere uitrusting die beveiligers mogen dragen.

Het is makkelijk denkbaar hoe de PVV van dit soort bevoegdheden gebruik kan maken. De PVV heeft nauwe banden met burgerwachten in bijvoorbeeld Ter Apel. De leden van deze burgerwachten maken zich schuldig aan mishandeling, eigenrichting en etnische profilering, en doen “verdachte figuren” met enige regelmaat geweld aan. Een PVV-minister van J&V zou ervoor kunnen kiezen om deze burgerwachten een vergunning te verlenen. Ook zou de minister kunnen besluiten om deze burgerwachten toe te staan wapens te dragen. Dit valt geheel binnen de bevoegdheden die het parlement al aan de minister heeft toegekend.

Een ander voorbeeld is de Wet op de loonvorming. In de jaren 70 en 80 was dit de wettelijke grondslag om vanuit de overheid lonen vast te stellen. Samen met de Prijzenwet van 1961 was de Wet op de loonvorming een belangrijk middel in de sociaal-economische politiek. Hoewel de Wet op de loonvorming niet of nauwelijks wordt gebruikt, bevat het nog steeds brede bevoegdheden voor de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om arbeidsvoorwaarden aan te passen. Zo kan de minister bij een “plotseling voordoende noodsituatie in de nationale economie, veroorzaakt door […] schoksgewijze optredende externe factoren” eenzijdig de hoogte van lonen vaststellen, en zo cao’s buiten werking stellen.

De huidige wetgeving loopt over van dit soort ministeriële bevoegdheden. De Arbeidsomstandighedenwet staat de minister van SZW toe om eenzijdig regels te stellen omtrent arbeidsomstandigheden. Het Wetboek van Strafvordering staat de minister van J&V toe om eenzijdig Hulpofficieren van Justitie (met de bijbehorende bevoegdheden) te benoemen. De minister van Infrastructuur en Waterstaat mag zelf de maximumsnelheid op snelwegen bepalen, zonder tussenkomst van de Tweede of Eerste Kamer.

Als ministers zo veel bevoegdheden hebben, waarom worden die niet aan de lopende band misbruikt? Nou, dat gebeurt dus met enige regelmaat. Zo gebruikte de minister van J&V de bevoegdheid om regels te stellen voor reclame voor online gokken om de online gokindustrie vrij spel te geven. Ook maakt de staatssecretaris van Migratie gebruik van brede bevoegdheden om de asielprocedure in te kleden, bijvoorbeeld door het inrichten van zogenaamde “Handhavings- en Toezichtslocaties” waar boa’s geweld zouden mogen gebruiken. De Inspectie Justitie en Veiligheid heeft geoordeeld dat dit niet is toegestaan, maar daar heeft de staatssecretaris geen gehoor aan gegeven.

De reden dat ministers uit de afgelopen kabinetten-Rutte niet de hele rechtsorde hebben uitgekleed, komt vooral vanwege de eerder genoemde status quo. De VVD-achterban heeft baat bij een bepaalde voorzienbaarheid, omdat plotselinge beleidsveranderingen slecht zijn voor consumentenvertrouwen. De bevoegdheden worden wel gebruikt om de gokindustrie een beetje te spekken, of om vluchtelingen geweld aan te doen, maar dat maakt de VVD-achterban niet zoveel uit, zolang er een bepaalde zorg wordt betracht en de ministers hun macht niet te openlijk misbruiken.

Zoals gezegd heeft de PVV geen baat bij voorzichtigheid. Juist de brede bevoegdheden van de ministers geven hen de mogelijkheid om snel hervormingen door te voeren. Eén verkiezingsbelofte is dat de maximumsnelheid op snelwegen naar 140 kilometer per uur wordt verhoogd. Dat kan de minister van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) met één handtekening voor elkaar krijgen. Ook het vervolgen en afstraffen van vluchtelingen ligt geheel binnen de ministeriële bevoegdheid van een aantal ministers. Dat kan met voortvarendheid worden uitgevoerd zodra een PVV-er op het pluche terechtkomt.

Macht van de regering

De macht van individuele ministers verbleekt echter naast de macht van de regering. Wie Nederlands staatsrecht wil begrijpen, moet allereerst inzien dat het grondwettelijke systeem stamt uit 1815. Sindsdien zijn ingrijpende veranderingen doorgevoerd als het gaat om het actief en passief kiesrecht, de macht van de koning en de onderwerpen waar de regering aandacht aan moet besteden. Toch is er op grondwettelijk niveau betrekkelijk weinig hervormd als het gaat om de relatie tussen het parlement en het kabinet.

In een eerder artikel ging ik al in wat meer detail in op de relatieve zwakheid van het staatsrecht en de risico’s die daarbij horen. In het kort wordt het systeem gekenmerkt door een relatief machtig kabinet, een relatief machteloos parlement en een systeem van gebruiken dat bedoeld is om die twee gebreken (ogenschijnlijk) te helen.

Sinds de grondwetswijziging van 1848 draagt het kabinet de bevoegdheden van de Kroon: alle bevoegdheden die eerder aan de koning toekwamen. Hoewel grondwettelijk gezien de koning nog steeds de uitvoerder is van de regeringsmacht, worden alle Koninklijke Besluiten genomen door het kabinet.

Wat voor bevoegdheden heeft het kabinet dan zoal? Het kabinet benoemt de minister-president en de overige ministers (artikel 43 Grondwet) en stelt ministeries in (artikel 44). Het kabinet kan de Eerste en Tweede Kamer ontbinden voor nieuwe verkiezingen (artikel 64). Bij Koninklijk Besluit worden ook de leden van de Raad van State benoemd (artikel 74). Ingevolge artikel 103 kan het kabinet een noodtoestand uitroepen en ingevolge artikel 117 worden rechters benoemd. Het kabinet kan gratie verlenen (artikel 122) en besluiten tot vervolging van Kamerleden en (voormalig) ambtsdragers.

Het is niet moeilijk voor te stellen hoe een PVV-regering van deze bevoegdheden gebruik zou kunnen maken. Door het benoemen van rechters kan de rechtspraak nog jaren beïnvloed worden. De Raad van State adviseert over alle wetgeving, en door het benoemen van bepaalde leden kan het kabinet draagvlak creëren voor de eigen voorstellen.

Extra aandacht moet worden gegeven aan de mogelijkheid om gratie te verlenen. Die mogelijkheid lijkt vrij onschuldig, maar we weten dat eerdere fascistische regeringen deze mogelijkheid gebruikten om geweld van knokploegen aan te moedigen. Aanslagen uit extreem-rechtse hoek kunnen zo worden vergeven. Daarnaast gebruikte Donald Trump de mogelijkheid om ambtsmisdrijven van zijn handlangers te vergeven. De mogelijkheid om gratie te verlenen is een machtig middel in handen van een extreem-rechtse regering.

Daarnaast moet expliciet worden gewezen op de mogelijkheid om een noodtoestand uit te roepen. Deze mogelijkheid is uitgewerkt in de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Wbbbg). De noodtoestand is een favoriet middel van extreem-rechtse regeringen om hun macht te vergroten. Het bestaan van een noodtoestand is zeer subjectief en daarmee kan er veel onzekerheid ontstaan of een bepaalde situatie inderdaad het gebruik van noodbevoegdheden rechtvaardigt. De rechtspraak daarover kan enige tijd duren en in de tussentijd kan de regering gebruik maken van noodbevoegdheden. Ten tijde van de coronacrisis duurde het enkele maanden voordat de Hoge Raad zich over de avondklok had uitgesproken.

De grondrechten die buiten beschouwing gelaten kunnen worden, zijn extreem. Met gebruik van de Wbbbg kan de regering de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid om openlijk je religie te belijden, het recht van vereniging en betoging, en de onschendbaarheid van de woning inperken. Ook kunnen privacyrechten geheel worden uitgeschakeld. In een noodtoestand heeft het kabinet een enorm brede wetgevende bevoegdheid, en waar de PVV die bevoegdheid voor zou kunnen gebruiken, laat zich gemakkelijk voorstellen.

De doorgewinterde anarchist zal zeggen dat veel van die rechten al illusoir zijn, en dat is voor veel mensen ook zo. De bevoegdheden van het Openbaar Ministerie en de politie worden al jaren uitgebreid. Ook wil ik niet zeggen dat de democratische rechtsstaat werkt om fundamentele rechten te beschermen. Zo werkt het ook niet. Toch is het relevant hoe de wetten werken, aangezien dat voor veel liberalen het verschil maakt of ze zich verzetten of niet. Hoeveel bondgenoten we hebben in de strijd tegen het fascisme wordt door dit soort juridische analyses bepaald.

Naast de grondwettelijke bevoegdheden bestaat er ook kaderwetgeving die zich specifiek richt op het kabinet. Ingevolge de Gemeentewet worden burgemeesters bij Koninklijk Besluit benoemd en ontslagen. Aangezien burgemeesters machtige ambtsdragers zijn, kan het benoemen van rechtse burgemeesters een enorm effect hebben op de politiek binnen een gemeente. Zo voeren burgemeesters het bevel over de politie ten behoeve van de openbare orde, bijvoorbeeld bij demonstraties. Als gezaghebber is de burgemeester in dat geval bevoegd om geweldsmiddelen in te zetten in de naam van “openbare orde”, bijvoorbeeld bij linkse demonstraties. Extreem-rechtse betogingen kunnen juist worden gefaciliteerd.

Een ander voorbeeld van een kabinetsbevoegdheid is het instellen van een ambtsinstructie voor de politie. Hierin staat beschreven wanneer de politie bevoegd is tot de inzet van welk geweld, zoals het gebruik van vuurwapens en traangas bij demonstraties. Ingevolge een hervorming van het strafrecht in 2022 zijn agenten niet meer strafbaar zolang zij handelen binnen de ambtsinstructie. Daarmee kan het kabinet dus eenzijdig de strafbaarheid van agenten aanpassen. Daarnaast kan het kabinet gebruik van geweldsmiddelen tijdens demonstraties of arrestaties gemakkelijker maken.

Dit is zeker geen uitputtende lijst van bevoegdheden van het kabinet. Het is slechts een voorbeeld van hoe ministers en het kabinet gebruik kunnen maken van hun bevoegdheden, zonder dat ook maar een nieuwe wet wordt aangenomen. Dit is juist waarom de rechtsstaat onvoldoende verdediging biedt tegen extreem-rechts beleid. De tendens van de laatste jaren is geweest om uitgebreide bevoegdheden toe te kennen aan ministers en kabinetten om hen de flexibiliteit te geven om nieuwe regels te stellen. Die flexibiliteit gaat juist nu de verkeerde kant op schieten. Er zijn geen nieuwe wetten nodig om zwaar repressief beleid te voeren.

Machteloos parlement

Je zou verwachten dat het parlement kan optreden tegen dit soort machtsmisbruik. In theorie kan dat ook: het parlement kan wetgeving aannemen om de ministers meer aan banden te leggen en daarnaast is het de taak van de Tweede Kamer om ministers te controleren in hun taakuitvoering.

Dat is echter slechts de theorie. De feitelijke controlerende functie van het parlement is al jaren uitgehold. Dit komt deels door sterke coalitieakkoorden: kabinetspartijen houden elkaar vaak vast en steunen geen wetgeving die de macht van hun regering aan banden legt. Sterker nog, de afgelopen twintig jaar wetgeving laat zien dat elke coalitie, ongeacht politieke kleur, toewerkt naar een uitbreiding van macht van het kabinet. De situatie waarin we ons nu bevinden, is het resultaat van jaren sterke coalitieafspraken en solidariteit onder regeringspartijen.

Bovendien is het proces van wetgeving enorm traag. Initiatiefwetgeving vanuit de Tweede Kamer komt zelden voor en het kan maanden, zo niet jaren, duren voordat dergelijke wetgeving in werking treedt. Dan moet het natuurlijk eerst beide Kamers passeren en met de kracht van coalitieafspraken is het maar zeer de vraag of dat gebeurt. Bovendien zullen de meeste partijen niet geneigd zijn om kabinetsbevoegdheden verder in te perken, aangezien de meeste partijen die bevoegdheden voor hun mogelijk toekomstige kabinetsdeelname willen bewaren.

De Eerste en Tweede Kamer zouden ook beleid kunnen afdwingen door het aannemen van moties. Deze moties zijn echter nooit bindend. Ministers zijn niet verplicht om ze na te leven en het komt steeds vaker voor dat ministers de moties geheel naast zich neerleggen. Dit geldt ook voor de gevreesde “motie van wantrouwen”. Het is een staatsrechtelijk gebruik dat een minister aftreedt als een dergelijke motie wordt aangenomen, maar het is niet verplicht. Rita Verdonk, de proto-Wilders en minister van Vreemdelingenzaken, legde een motie van wantrouwen naast zich neer en ondervond daar nauwelijks consequenties van.

Rechtspraak

Als het parlement en de media falen in hun taak om de regering te controleren en bekritiseren, dan zou de rechtspraak de laatste verdediger van grondrechten moeten zijn. Via de rechter zou een ministeriële regeling buiten werking gesteld kunnen worden als deze in strijd is met fundamentele grondrechten. Moeten we onze laatste hoop dan op de rechtspraak vestigen?

Helaas is ook de rechtspraak niet uitgerust om de regering geheel te beperken. Vaak denkt men bij rechtspraak vooral aan de uitspraak die een rechter zou moeten doen, maar wordt er weinig aandacht geschonken aan hoe zo’n uitspraak kan worden bereikt. Veel mensen kunnen zich überhaupt geen toegang tot de rechter verschaffen, omdat onder eerdere kabinetten de sociale advocatuur is uitgekleed. Het is steeds moeilijker, en in de toekomst wordt het wellicht onmogelijk om een goede sociale advocaat te vinden. Die paar advocaten die het uit de goedheid van hun hart doen, kunnen niet opboksen tegen Pels Rijcken, het enorme advocatenkantoor van de staat.

Ook is in voorgaande jaren het recht ingeperkt om collectieve rechtszaken te starten. De zogenoemde 305a-procedure is bedoeld om groepen mensen het recht te geven om gezamenlijk naar de rechter te stappen, maar nieuwe wetgeving stelt steeds meer voorwaarden aan de 305a-procedure, waardoor het traag en soms zelfs onbruikbaar is geworden. Een motie van eerder dit jaar, gesteund door de VVD en de extreem-rechtse clique in de Tweede Kamer, riep op tot nog strengere wetgeving, die onder een nieuw kabinet-Wilders makkelijk doorgang zou kunnen vinden.

De lengte van de procedure is in alle rechtszaken een probleem. De staat heeft in de afgelopen jaren meerdere procedures gevoerd op het gebied van vluchtelingenbeleid. Zo heeft de staat geprocedeerd over het uitzetten van mensen die uit Oekraïne zijn gevlucht zonder dat ze de Oekraïense nationaliteit hebben. Ook heeft de staat geprobeerd gezinsherenigingen te voorkomen, en ging de staat in hoger beroep in een door VluchtelingenWerk Nederland aangespannen zaak om de voorzieningen voor vluchtelingen te verbeteren.

In elk van deze procedures ging de staat in hoger beroep of cassatie, wat een einduitspraak enorm kan vertragen. Vaak ging dit om heldere zaken, waarin makkelijk te voorspellen was dat de staat ze zou verliezen. Toch kan de staat de einduitspraak uitstellen, en daarmee de uitvoering van de uitspraak voor zich uitschuiven. In de tussentijd leven mensen in onzekerheid, of blijft hun onrechtmatige situatie onveranderd slecht.

Zelfs als het lukt om je als individu bij de rechter te melden, dan gaat het toch niet altijd goed. De Nederlandse rechter mag de Nederlandse wet ingevolge artikel 120 Grondwet niet toetsen aan grondwettelijke bepalingen. Dat betekent dat een Nederlandse wet in feite in strijd mag zijn met de Grondwet, als de Tweede en Eerste Kamer voor de wet stemmen. Die wetten kunnen vervolgens wel getoetst worden aan mensenrechtenverdragen, maar ook dat proces is traag. Wil je doorprocederen tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dan ben je jaren bezig. Jaren waarin de staat haar gang kan gaan.

Ministeriële regelingen en Koninklijke Besluiten mogen wel aan de Grondwet getoetst worden, en daarmee is er nog een beveiliging ingebouwd. Toch hoeft het winnen van een rechtszaak niet alles te betekenen. Een rechtszaak gaat altijd over een specifiek, individueel geval, waarin een regeling die in strijd is met de Grondwet of met mensenrechtenverdragen buiten werking kan worden gesteld. Dit betekent echter niet dat de regeling of wet ophoudt te bestaan; alleen dat die in een individueel geval niet mag worden toegepast.

Rechtszaken hebben een bepaalde waarde omdat een volgende rechtszaak waarschijnlijk dezelfde kant op gaat als de vorige. Vaak kiest de staat er dus voor om een regel aan te passen, om zo toekomstige rechtszaken te voorkomen. Dat is echter niet altijd zo. Afgelopen jaar konden veel mensen gebruikmaken van een bijzondere energietoeslag. Studenten waren per definitie uitgesloten van deze regeling, aangezien de staat hen zag als een inherent geprivilegieerde groep. Meerdere rechtbanken hebben uitspraak gedaan dat deze uitsluiting in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het resultaat was dat gemeenten alleen de energietoeslag uitbetaalden aan studenten die een zaak hadden aangespannen. De uitzondering zelf bleef bestaan.

Zelfs in het beste geval, als de rechtspraak in alle gevallen de fundamentele rechten van mensen blijft beschermen, en dit ook efficiënt kan doen, zelfs dan kan de rechtspraak niet eindeloos doorgaan. Het is bekend wat de PVV denkt van zogenaamde D66-rechters. Een kabinet-Wilders kan zelf rechters benoemen, en het laat zich raden aan wat voor functieprofiel die zouden moeten voldoen. Dit is vergelijkbaar met de VS, waar Trump ook een groot aantal nieuwe rechters, op elk judicieel niveau, heeft benoemd. Juist dat soort besluiten zullen lang blijven nawerken.

Dit wil niet zeggen dat de rechtspraak compleet nutteloos is. Ook nu wint het algemeen belang met enige regelmaat zaken tegen de staat. Dit is echter niet genoeg. Er zijn genoeg gevallen aan te merken in het verleden waarin de rechtspraak tekort is geschoten, zoals bij het toeslagenschandaal. Naar eigen zeggen heeft de bestuursrechtspraak te weinig oog gehad voor individuele situaties. Juist in die gevallen, waar de rechtspraak tekort schiet, zal een fascistische regering haar voordeel doen.

De waarheid gaat veranderen

Alles wat hiervoor is omschreven is niet enkel het gevolg van wetgeving. Het is het gevolg van een bepaalde bestuurscultuur. Deze cultuur is gedefinieerd door de grote hoeveelheid bevoegdheden die aan de uitvoerende macht zijn toegekend en door de steeds kleinere rol die het parlement inneemt in de daadwerkelijke controle. Hieraan zijn alle partijen schuldig: niet alleen de VVD, CDA, D66 en CU, maar ook de PvdA in Rutte II. Ook oppositiepartijen als de SP en GL hebben bijgedragen, juist door mee te gaan in het politieke spelletje waardoor steeds minder verantwoordelijkheid door de Tweede Kamer werd gedragen.

Dit is de nalatenschap van Rutte. Niet alleen hij had baat bij zijn reputatie als “Teflon Mark”, de man op wie niets bleef plakken. De hele Tweede Kamer, Eerste Kamer en ook de media hebben meegewerkt aan die reputatie. Uiteindelijk heeft het hele systeem zo verantwoordelijkheid van zich afgeschoven. Door na de val van Rutte IV de motie van wantrouwen tegen Mark Rutte te laten vallen liet de Kamer zien hoe weinig er over is van de strenge parlementaire controle. Door te stellen, zoals Jesse Klaver deed, dat “het vertrouwen terug is”, is het hele parlementaire systeem ondergegraven.

Ook de media dragen hier schuld aan. Met uitzondering van een aantal dossiers hebben media, in het bijzonder populaire media als NOS, AD en RTL, zich een passieve rol aangemeten. Hun rapportage over (overheids)schandalen bestaat tegenwoordig uit het herhalen van uitspraken van slachtoffers van die schandalen, parlementariërs en bewindslieden zoals die over en weer zijn gedaan, vaak zonder kritische noot bij de verklaringen van ministers, staatssecretarissen en bedrijven.

Juist de media creëren de omstandigheden waaronder machthebbers verantwoordelijk gehouden kunnen worden. Daarvoor is meer nodig dan simpelweg rapporteren. Journalisten dienen verbanden te leggen tussen gebeurtenissen en feiten en onderzoeken aan te halen. In plaats daarvan volstaan media met feitelijke herhalingen of citeren uit persberichten. Die onkritische, niet-verdiepende houding heeft ervoor gezorgd dat de kabinetten-Rutte konden wegkomen met schandaal na schandaal, en dat partijen ook konden wegkomen met hun relatieve passiviteit.

Dit heeft niet alleen directe gevolgen gehad voor slachtoffers van schandalen. De naschokken kunnen we in de hele maatschappij voelen. Elke keer dat een minister weg kan komen met een schandaal, rekt het (schijnbaar) acceptabele verder op. De maatschappij raakt gewend aan schandalen, en het lijden van mensen raakt genormaliseerd.

Dit is waarom we ons moeten voorbereiden op een steeds veranderende waarheid, of in ieder geval wat in het algemeen voor waarheid wordt aangenomen. De laatste tijd hebben we veel gehoord over hoe gevaarlijk een regering-Wilders kan zijn en verschillende partijen hebben al aangekondigd de democratische rechtsstaat te willen verdedigen. We hebben echter ook vastgesteld dat de macht om controle uit te oefenen vanuit het parlement zeer beperkt is. Als media dan ook nog eens onkritisch blijven rapporteren, dan kan dat enkel leiden tot het normaliseren van extreem-rechts gedachtegoed en de daaraan verbonden schending van fundamentele rechten, zowel door de staat als op straat.

De verwachting is ook dat nieuwsdiensten als NOS, AD en RTL een neutrale positie in gaan nemen tegenover het kabinet-Wilders, zoals ze na de verkiezingen ook al hebben gedaan. Hun taak zal bestaan uit het neutraal rapporteren wat slachtoffers van schandalen, parlementariërs en bewindslieden over en weer hebben gezegd, zonder daar zelf een mening over in te nemen. Dit normaliseert ook het extreem-rechtse gedachtegoed van Wilders, juist door onvoldoende weerwoord en context te geven. Alle standpunten die kritiekloos worden gerapporteerd, hebben een kans om mensen over te halen naar dat standpunt.

Conclusie

Geloof in de bestendigheid van de democratische rechtsstaat is op dit moment vergelijkbaar met geloof in magie. Dat we Nederland een democratische rechtsstaat noemen, gaat ons niet beschermen. Een diepere analyse van het staatsrechtelijk systeem toont aan dat Nederland zeer slecht bestand is tegen een machtsovername door fascisten. De ministers hebben zeer veel bevoegdheden en parlementariërs hebben weinig in de melk te brokkelen. Daarnaast heeft de kritische journalistiek het in de laatste jaren laten afweten.

Dit betekent dat we een nieuwe fase in gaan. Een fase van zowel openlijk als heimelijk verzet, waarin we onszelf moeten beschermen tegen de macht van de staat en tegen fascistisch beleid. Het parlementarisme gaat ons niet kunnen helpen, dat heeft het de laatste jaren al laten zien. Nu moeten we aantonen dat de macht niet ligt in de handen van vertegenwoordigende organen, maar in mensen zelf die bereid zijn om op te staan tegen onrecht.

Want uiteindelijk heeft die macht nooit echt bij het parlement gelegen. Die heeft verworvenheden alleen maar in de wet verankerd. Het vrouwenkiesrecht is via een revolutionaire dreiging afgedwongen, evenals de beperking van het aantal arbeidsuren per dag. Vakantie en pensioen stonden in cao’s voordat ze in de wet zijn opgenomen. Fascisten hebben we niet weggestemd; hen is het leven zuur gemaakt tot ze niet eens meer durfden te flyeren.

Laat ons inspiratie halen uit de bewegingen die ons zijn voorgegaan. Dit is niet de eerste keer dat fascisten in de buurt komen van macht. Het is ook niet de eerste keer dat ze de staat op een presenteerblaadje krijgen. De komende tijd gaan meer en meer mensen realiseren hoe oneerlijk wetgeving kan zijn, en hoe weinig wetgeving te maken heeft met democratie of moraliteit. Als zij dat realiseren, dan moeten we hen betrekken in de strijd die er wél toe doet. Niet voor andere wetgeving, maar voor een andere machtsverdeling, met als einddoel het breken van elke hiërarchie. Opdat er nooit meer een macht is om te grijpen.

Vraag jezelf niet af wat je zou doen in tijden van onderdrukking. Je doet het al.

Bo Salomons