De arbeidersstrijd en revolutionaire strategie van de Angry Workers

Cover van het boek.

Zes jaar lang woonden leden van de Angry Workers of the World (AWW) in het industriële westen van Londen. Daar werkten en organiseerden ze in de voedselproductie en logistieke sectoren. Over hun strijd en ervaringen schreven ze begin 2020 het prachtige boek “Class power on zero hours”. Vanwege corona kon een internationale tour met discussies rond de publicatie niet doorgaan. Wel organiseerde Doorbraak vorige week een interne digitale meeting met hen. Wat volgt is niet zozeer een precieze bespreking van de inhoud van het boek – de Angry Workers vertellen daar zelf meer over in de twee bijgaande video’s -, maar meer een vrije weergave van onze interne discussies nadat we het gelezen hadden.

In hun bijna 400 pagina’s tellende boek beschrijven de Angry Workers nauwgezet hoe ze in de wijk Greenford aankomen, huisvesting en banen vinden en aan de slag gaan om het werk, de andere arbeiders en hun situaties te leren kennen. Het eerste deel gaat vooral over de manieren waarop ze zich trachten te organiseren en over de strijden die ze samen aangaan. Ze werken onder meer als bezorger, maken humus en rijden met een vorkheftruck in de fabriek. Ze bouwen ook aan een solidariteitsnetwerk en publiceren af en toe een krant die ze bij de bedrijven uitdelen. Ze proberen mensen bijeen te brengen, een tijdje als vakbondsvertegenwoordiger, maar voornamelijk als individuele arbeiders onder hun collega’s. Het tweede deel omvat drie “workers’ inquiries”, waarover later meer. En ze sluiten af met een zeer uitgebreide en bijna ongebruikelijk concrete revolutionaire strategie.

Autonome marxisten

De AWW lijken zich voornamelijk te plaatsen in de traditie van de Italiaanse autonomen van de jaren zestig. In het Italië van na de Tweede Wereldoorlog hadden de communisten veel aanzien, mede vanwege de grote bijdrage die ze geleverd hadden aan het verzet. Denk aan de partizanen van het bekende strijdlied “Bella ciao”. Meeregeren werd de communistische partij echter onmogelijk gemaakt door de rechtse en midden partijen, met als stok achter de deur de NAVO en Gladio, die in de Koude Oorlog van destijds geen communistische machthebbers in Italië konden accepteren.

Maar de communisten waren helemaal niet zo gefocused op revolutionaire veranderingen als rechts wel vreesde. Integendeel, ze hechtten juist groot belang aan een snelle kapitalistische doorontwikkeling, met name in de auto-industrie. Denk bijvoorbeeld aan Fiat in Noord-Italië. Ze wilden de kapitalisten hun klus laten afmaken en, wanneer er eenmaal een hoogontwikkelde industriële maatschappij opgebouwd was, die simpelweg overnemen en het communisme uitroepen. Dat betekende wel dat de communistische en socialistische partijen en de linkse vakbonden hun zwaar uitgebuite ‘achterban’, de arbeidersklasse, voortdurend tot bedaren moesten brengen. Geen grote acties en revolutionaire stakingen nu, luidde het parool, want de maatschappij is nog niet gereed voor een overname van de macht.

De top-down structuren van de linkse bonden en partijen waren beknellend, vergelijkbaar met die in de fabrieken en de hele fabriekssamenleving, en het zal dan ook niet verbazen dat met name jongere leden op zoek gingen naar uitwegen. In die context kwam het autonoom marxisme op, een communisme van onderop dat uitging van de geleefde realiteit van de arbeiders in de fabriek, op straat en thuis, en niet van de starre ideeën en structuren van de communistische bonzen. Veel jonge communisten wilden juist af van die fabrieken en de hele fabriekssamenleving, die hun ‘eigen’ partijen in de verre toekomst wilden gaan overnemen. Ze haatten de lopende banden die hun levens bepaalden, en verafschuwden een communisme van steeds harder en gedisciplineerder werken en leven. Ze wilden de hiërarchische fabrieksmaatschappij niet overnemen, maar bevrijden en fundamenteel democratiseren.

Workers’ inquiry

Aan de basis van elke praktijk die gebaseerd is op het autonoom marxisme staat een “workers’ inquiry”, een onderzoek naar hoe het werk en het leven van de arbeiders is, hoe ze samenwerken en samenleven in de fabriek en elders in de fabrieksmaatschappij. Welke onderlinge tegenstellingen er zijn. Welke veranderingsprocessen er spelen. En hoe ze daar allemaal zelf tegenaan kijken. Dat valt samen te vatten onder het begrip “working class composition”: hoe de arbeidersklasse eraan toe is op dat specifieke moment en die specifieke locatie van het wereldwijde kapitalistische systeem. Waar meer traditionele communisten uitgaan van hun theorieën en abstracte, soms zelfs a-historische voorstellingen van “de arbeidersklasse”, vinden autonome marxisten dat de concrete situatie – de levende relaties tussen de arbeiders onderling en met de kapitalisten – aan de basis moet liggen van elke analyse, elke strategie, van elk verzet. En dus niet de aangeboden top-down en gestandaardiseerde partij- of bondsstructuren. Structuren waar arbeiders het nauwelijks voor het zeggen hebben, en waar vooral middenklasse en hoger opgeleide lui proberen hun plekken te vinden en een inkomen te scoren.

De autonome marxisten zeggen: we zijn al georganiseerd, in ons dagelijks leven, heel praktisch, in de fabriek, op straat, thuis. En daar moeten we vanuit gaan. We draaien de hele samenleving al, van dag tot dag, en daar hebben we de managers, de bazen en het kapitaal helemaal niet voor nodig. We moeten het alleen bewust en voor onszelf als klasse gaan doen. Voor de Italiaanse autonomen gingen stakingen dan ook niet uitsluitend om de materiële voordelen die ermee te behalen waren, maar ook om voor de arbeiders zichtbaar en voelbaar te maken dat de fabriek en de samenleving niet zonder hen kunnen draaien, en hoezeer hun eigen werkzaamheden weer samenhangen met die van andere arbeiders elders in de productieketens en maatschappij. Tijdens stakingen hopen de grondstoffen zich bij de aanvoer op, en de arbeiders verderop in de keten hebben plots niets meer te doen. Zo wordt zichtbaar en voelbaar dat al het werk samenhangt, dat we allemaal samen de samenleving vorm geven. En dat we die – als we echt willen – samen kunnen overnemen door niet meer te gehoorzamen. Door dan bijvoorbeeld alleen nog het hoogst noodzakelijke te produceren, door de productie te gaan veranderen richting zinvollere producten, enzovoorts. Voorwaarde is wel dat we voldoende kennis hebben opgebouwd van de machines, de aanvoerlijnen, de connecties met de consumenten, enzovoorts.

Problemen

Het is een interessante denkwijze, zeker ook voor andere linksen die consequent van onderop denken en handelen, maar ook een met de nodige beperkingen. Ook tegen de moderne versie van het autonome marxisme zijn wel wat bezwaren in te brengen, en over het boek van de Angry Workers zijn dan ook aardig wat kritieken geschreven die je kan nalezen op hun website. Daar had de AWW trouwens ook nadrukkelijk om gevraagd. Veel kritiek spitste zich toe op hun afwijzing van de praktijken van gevestigde vakbonden. Hun stroming wordt ook wel arbeiderisme genoemd, en een meer algemene kritiek daarop is dat arbeideristen zowat principieel meegaan in alle eisen van de arbeiders om hen heen. Een beetje zoals de SP schijnbaar de oren laat hangen naar, zeg maar, een aantal oude witte arbeiders uit Oss, en daardoor een voortdurende stroom aan nationalistische en racistische narigheid voortbrengt. De AWW beschrijven in hun boek echter hoe ze nadrukkelijk niet meegingen en zich uitspraken tegen bijvoorbeeld eisen met een racistische kern of eisen voor loonsverhoging voor oudgedienden, omdat zulke eisen meer hiërarchieën en verdeeldheid zouden creëren onder de arbeiders in een bedrijf.

Zeer te waarderen is dat de AWW open en eerlijk is over wat hen lukte en wat er misging. Zoals Doorbraak dat bijvoorbeeld heel bewust ook deed bij ons strijdexperiment tegen dwangarbeid in Leiden. Het is belangrijk om de mensen om ons heen geen rad voor ogen te draaien over een soepel lopende verzetsmachine als die niet echt bestaat. Het is belangrijk om eerlijk te zijn tegen de andere leden van de arbeidersklasse, en bovendien kan iedereen zo leren van elkaars strijdprojecten, ook als ze niet helemaal lukken of helemaal niet lukken. Net als onze campagne tegen dwangarbeid destijds, waren de zes jaren strijd van de AWW zeker geen onverdeeld succes: er zijn in ieder geval geen levensvatbare sterke strijdstructuren opgebouwd van meer dan een handjevol mensen. Terwijl het ging om fabrieken met duizenden en duizenden arbeiders. In hun recensies van het boek vragen sommige critici zich daarom af waarom de AWW, ondanks hun gebrek aan tastbaar resultaat, toch oproepen om hun voorbeeld te volgen en een nationaal of zelfs internationaal netwerk op te bouwen van activisten die op dezelfde manier lokaal de strijd willen aangaan.

Vakbonden

Ondanks hun scherpe kritiek op vakbonden, opereerden sommige AWW-ers een tijdlang als vakbondsvertegenwoordiger. Maar dat was niet erg succesvol. Ze dachten met het aanzien en de structuren van de bond iets verder te kunnen komen, maar in de praktijk werkten de meeste andere bondsofficials elk verzet van onderop tegen. Vaak waren de vakbondsvertegenwoordigers tevens voorman op de werkvloer, en bleken ze alleen te kiezen voor vakbondswerk om er zelf beter van te worden, als eerste stap in een carrière. Juist de “natuurlijke leiders” die bij het vakbondsorganizen boven komen drijven, zouden volgens de AWW aan dat patroon voldoen. En de meeste van die “union reps” traden na verloop van tijd dan ook toe tot de lagere management-kringen. Waar ze vervolgens het hogere middenkader uit de wind houden en nieuw aangenomen arbeiders van zich afhankelijk maken door het uitdelen van voordeeltjes, zoals bonussen, gunstige roosters en gratis taallessen. Zulke onderlinge machtsverhoudingen zijn funest voor iedere bond.

Meer algemene kritieken van de AWW op vakbonden zijn dat ze buiten perioden van strijd al snel tot bureaucratische fossielen worden met betaalde krachten en uitsluitend individuele ANWB-functies, dat ze voortdurend en bijna dwangmatig met successen moeten schermen om leden te winnen en te behouden, en dat het niet eerlijk benoemen van nederlagen leidt tot een gebrek aan introspectie en analyse. Leden het beeld voorspiegelen van een sterke bond kan ook leiden tot passieve leden, en dat weer tot leiders die alles dan maar zelf doen, en dat stimuleert weer hiërarchieën. In de ogen van de Angry Workers kan een bond behulpzaam zijn in bepaalde fases van de strijd, maar kan die bij succes al snel tot een sta-in-de-weg worden.

Racisme

De AWW zijn in hun boek soms wat cynisch over andere linkse strategieën. In hun ogen gaan veel linkse activisten te weinig uit van de materiële realiteit. Als het gaat om de strijd tegen racisme en het patriarchaat lijken hun ideeën flink af te wijken van die van Doorbraak. Weliswaar spreken ze zich op de werkvloer duidelijk uit tegen racisme en seksisme als ze het tegenkomen, maar als strijd op zich lijken ze in anti-racisme en anti-patriarchale strijd geen heil te zien. We hoeven de individuele arbeider niet te overtuigen, schrijven ze, want op cruciale momenten in de strijd zullen er bij veel arbeiders flinke ideologische verschuivingen plaatsvinden. Voor een deel klopt dat wel, en is dat ook onze ervaring bij bijvoorbeeld de grote hongerstaking van de ‘witte illegalen’ in 1998 toen Turken en Koerden schouder aan schouder streden en hun onderlinge solidariteit pijlsnel groeide. Maar aan de andere kant heeft het AWW-standpunt wel veel weg van de traditionele autoritair-communistische opvatting dat met de val van het kapitalisme racisme en patriarchaat grotendeels wel als vanzelf zullen verdwijnen omdat hun materiële basis dan verdwenen zou zijn. Op dat idee komt al minstens een eeuw lang volkomen terechte kritiek van feministen en anti-racisten.

Een Angry Worker sprak zich ook uit tegen “de identiteitenpolitiek van rechts en links”. Nog maar een jaar of tien geleden werd er met identiteitenpolitiek vrij algemeen gedoeld op de gezamenlijke strijd voor rechtvaardigheid door leden van een bepaalde onderdrukte of uitgebuite categorie mensen. Vanuit links werd meestal benoemd dat zulke identiteitenpolitiek logisch en begrijpelijk was, onder meer om eerst goed de eigen situatie en problemen te kunnen definiëren, denk aan vrouwenstrijd, maar dat we uiteindelijk allemaal samen als mensheid voor algehele bevrijding zouden moeten vechten. Inmiddels heeft rechts kans gezien om het begrip identiteitenpolitiek om te vormen tot een puur negatief containerbegrip waarmee elke strijd tegen racisme en seksisme kan worden weggezet als achterhaald, extremistisch en verdeeldheid zaaiend. Er zijn daarentegen ook weer linksen die juist menen dat elk serieus verzet altijd zal beginnen bij een onderdrukte identiteit, dat identiteitenpolitiek aan de basis ligt van alle bewegingen. Dat doet echter geen recht aan alle linkse bewegingen die gebaseerd zijn op algemene ideeën van rechtvaardigheid, zoals bijvoorbeeld anarchisme en communisme, die zeker de afgelopen twee eeuwen miljoenen en miljoenen mensen op de been hebben weten te brengen.

Het probleem van sommige arbeideristen is dat ze menen dat de identiteit van de arbeider ‘echter’ is, meer geworteld in de materiële realiteit, dan andere identiteiten. Maar alle identiteiten zijn gecreëerd door macht en allemaal zijn ze ook geworteld en uitgekristalliseerd in de materiële wereld. Zwarte mensen vormen een door anti-zwart racisme gevormde categorie, net zoals witte dat zijn, ook al nemen de meesten van hen dat niet bewust waar. De zwarte mensen worden in de materiële werkelijkheid stelselmatig achtergesteld en de witten juist bevoordeeld. Het is logisch en noodzakelijk dat zwarte mensen zich áls zwarte mensen organiseren en verzetten, waarbij het uiteindelijke doel zou moeten zijn het opheffen van racisme, van het machtsproces dat mensen in zulke categorieën racialiseert. Eigenlijk precies zo als arbeideristen zeggen dat de arbeidersklasse in eerste instantie moet vechten voor betere rechten, maar uiteindelijk om het kapitalisme te vernietigen en daarmee tegelijk ook hun eigen identiteit en categorie als arbeider. Waar het om gaat is in te zien dat al die identiteiten met elkaar verweven zijn, dat geen ervan basaler, materiëler of belangrijker is, en dat we pas echt vrij zijn als we ze allemaal hebben weten op te heffen.

Vrouwenstrijd

Tijdens ons gesprek met de Angry Workers bleek dat ze in principe best open staan voor bijvoorbeeld het organiseren van vrouwengroepen op de werkvloer. Maar ze zagen er simpelweg geen kans toe, als piepklein groepje, en vooral ook doordat de meeste vrouwen daar geen tijd voor zouden kunnen vrijmaken met hun dubbele belasting als arbeiders én reproductieve arbeiders. Als ze thuis komen, moeten ze ook nog eens zorgen voor het eten en de kinderen. Het was simpelweg geen prioriteit voor de vrouwen noch voor de Angry Workers. Maar de kritiek blijft staan dat de AWW en haar arbeideristische strijdmethoden niet enorm toegespitst zijn op anti-racisme en anti-patriarchale strijd. De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat in de feministische en anti-racistische bewegingen op hun beurt ook veel minder aandacht is voor arbeidersstrijd en anti-kapitalisme dan wij wel zouden willen. In enkele delen van die bewegingen is de middenklasse dominant, die geen belang heeft bij een fundamentele omwenteling, en gaat het er slechts over hoe we met elkaar spreken en over kleine ‘progressieve’ aanpassingen van de maatschappij en het kapitalisme. Die veranderingen zijn ook okay, maar verre van voldoende en niet in de revolutionaire richting die wij uit willen. Maar kritiek leveren is makkelijk, vooral voor degenen die zelf niet praktisch bezig zijn. Het is belangrijk, denken we, om bewegingen op de drie genoemde strijdterreinen (kapitalisme, racisme en patriarchaat) steeds op de eigen merites te beoordelen en te pogen ze vanuit de bestaande praktijken te koppelen. Zoals er vanuit de #Voor14-campagne steun kwam voor KOZP, om maar even kort een praktisch voorbeeld aan te stippen. Sowieso is het verhogen van het minimumloon in materiële zin anti-racistisch, het zal namelijk een enorme boost kunnen geven aan een algemene versterking van de positie van niet-witte mensen in de samenleving, aangezien die gemiddeld het minst verdienen en er dus ook het meest op vooruit zullen gaan.

Overigens komen tijdens workers’ inquiries in theorie álle verhoudingen aan het licht, en niet alleen de kapitalistische, maar dus ook de nauw daarmee verweven racistische en patriarchale verhoudingen. In de alledaagse praktijk in West-Londen blijkt het trouwens allemaal een boel complexer dan de simpele zwart-wit schema’s die we incidenteel wel eens bij anti-racisten tegen gekomen zijn. Zo hoorden de Angry Workers regelmatig racistische opmerkingen van Oost-Europese arbeiders over hun managers van Indiase of Pakistaanse herkomst, die hen voortdurend keihard onder druk zetten om harder te werken. Het blijft verwerpelijk racisme, maar wel vanuit een onderdrukte positie jegens een uitbuiter. De Angry Workers probeerden de Oost-Europeanen dan uit te leggen dat de Aziatische managers van oorsprong ook migranten waren, dat hun woede gerechtvaardigd was maar hun racisme niet. Ook bleken veel nieuwe arbeidsmigranten te belanden in communities van mensen van dezelfde herkomst, maar werden ze daar genadeloos uitgebuit door degenen die al een positie hadden verworven en hen tegen enorme kosten baantjes, woonplekken en werkvergunningen konden ‘leveren’. Als ‘community’ worden mensen met een Aziatische achtergrond systematisch racistisch onderdrukt in het VK, maar dat betekent niet dat die communities dus oases van veiligheid en gelijkheid vormen voor hun leden. De AWW schrijven dat groepen als religieuze fundamentalisten, fascisten en de maffia ook allemaal vaak materiële steun verlenen en een community bieden aan de lagere delen van de arbeidersklasse. En daar zwaar misbruik van maken. Volgens de Angry Workers zou links juist een wig moeten drijven in zulke communities in plaats van ermee samen te werken, zoals sommige bonden wel doen en dat dan verkopen als anti-racisme.

Revolutie

Decennialang vertrokken grote bedrijven naar lage lonen-landen, de voormalige koloniën, om daar hun productielijnen op te zetten. De dienstensector en kleinere bedrijven bleven achter, met name ook de voedselproductie. Maar die zijn inmiddels in het VK (vergelijkbaar met Nederland?) uitgegroeid tot enorm grote bedrijven, waar duizenden arbeiders samen werken. In die zin is de situatie niet wezenlijk anders dan in de eerste helft van de twintigste eeuw toen veel arbeiders (maar zeker niet alle!) samen werkten in grote industriële complexen. Het gevolg is dat groepen arbeiders op bepaalde locaties, en in de logistiek, een relatief grote macht hebben om samen het hele land plat te leggen. Het verschil met een eeuw geleden zijn natuurlijk wel de flex contracten en de daarmee samenhangende onderlinge flex contacten, die het organiseren een stuk moeilijker maken. Sommige linksen zijn met name kritisch op grote bedrijven en zien in kleine bedrijven zelfs potentiële bondgenoten. Feitelijk zijn echter de kapitalistische machtsverhoudingen die terugkomen op elke werkvloer, groot of klein, het probleem waar we vanaf moeten. Volgens de AWW zijn de kleinere bedrijven en handelaren zelfs juist vaak repressiever en conservatiever, en bieden grote bedrijven vanwege hun concentratie van arbeiders meer kansen op succesvol verzet.

Over het kapitalisme schrijven de Angry Workers dat de grootschaligheid en de machines niet per se altijd economische voordelen boden. Het ging de kapitalisten vooral ook om het uitsluiten van kleine onafhankelijke producenten en het vastketenen van de arbeiders aan machines, of beter: aan het centraal vastgestelde tempo van die machines. De grootste kracht van het kapitalisme, schrijven ze, is niet de ideologie of de repressie, maar het wekken van de indruk dat het samenwerken van miljoenen mensen in bedrijven en in de hele fabriekssamenleving alleen door de kapitalisten georganiseerd kan worden. Want die brengen immers fabrieken, machines en grondstoffen in, en technische kennis, terwijl arbeiders alleen hun arbeidskracht te bieden zouden hebben. Maar in werkelijkheid zijn die fabrieken en machines natuurlijk ook door arbeiders gemaakt, zijn die grondstoffen ook door arbeiders gewonnen en zijn het (kennis)arbeiders die voor technische vooruitgang zorgen.

Wat betreft de AWW begint de revolutie wanneer we dat allemaal tot ons door laten dringen en er naar gaan handelen. De Angry Workers eindigen hun boek zoals gezegd met zo’n vijftig pagina’s over revolutionaire strategie. Het is een verademing dat een organisatie dat durft, in deze tijden nog wel, en dan zonder een spoor van ironie of verontschuldiging. Ze vinden het juist nodig om over revolutie na te denken omdat ze willen dat hun dagelijkse politieke handelen bestaat uit concrete stappen – hoe klein dan ook – die een revolutionaire situatie dichterbij kunnen brengen. Ze willen geen korte termijn-successen die op lange termijn de tegenstanders sterker maken en zo een fundamentele omwenteling in de weg gaan staan. Zoals grote ANWB-achtige bonden en sterke sociaal-democratische partijen, die uiteindelijk voornamelijk de belangen van de middenklasse behartigen. Sociaal-democratische partijen die – in het beste geval – industrieën willen nationaliseren, alsof het minder erg is om de staat als baas te hebben dan een kapitalist. Volgens de AWW kon de Russische revolutie van 1917 alleen slagen doordat de arbeidersklasse zo snel groeide en er nog onvoldoende progressieve partijen en bonden waren om de arbeiders te disciplineren. Wat dat betreft zien de Angry Workers de momenteel piepkleine kansen voor een revolutie de komende decennia wel wat groeien, nu de middenklasse steeds verder krimpt. Met hun exposé over revolutionaire strategie leveren de AWW meteen ook een bijdrage aan de theorievorming van de autonome marxisten die, met name in het Italië van de jaren zestig, vooral kritiek hadden op de staat en op arbeid, maar te weinig samenhangend doorgedacht hebben over hoe gebouwd kan worden aan een alternatief: de revolutie.

Eric Krebbers

In 2017 zijn 2 teksten van de Angry Workers in het Nederlands vertaald: “Broeders en zusters, het is tijd om in beweging te komen” en “U.K. in tijden van illusies over ‘Labour’: van solidariteitsnetwerken naar klasseorganisatie”.