Boekcover

Boekcover

In de tijd van Charles Dickens verschenen romans soms in de vorm van feuilletons in kranten en tijdschriften. Precies dat doen wij nu met de prachtige autobiografische roman “Een ster in de spiegel” van Doorbraak-activiste Lili Irani. Haar boek verscheen in maart 2013 en gaat over haar leven in Iran, haar komst naar Nederland en haar leven hier. Onderwerpen als moslimfundamentalisme, vrouwenonderdrukking en migratiebeheersing komen aan bod, maar ook thema’s als liefde en familie slaat ze niet over. Met enige regelmaat zullen we hier een volgend hoofdstuk plaatsen. Lees je net als veel anderen veel liever in een boek dan van een beeldscherm? Of heb je de smaak te pakken, wil je weten hoe het verder gaat met Lili, maar kun je niet wachten? Dan hebben we goed nieuws! Je kunt het boek nog steeds bestellen door 15 euro over te maken op IBAN-nummer NL97INGB0004418467 ten name van De Fabel van de illegaal te Leiden (de verzendkosten zijn daarbij inbegrepen). Vergeet niet je adres erbij te vermelden. Veel leesplezier.

Hoofdstukken
1. Koffiedik
2. Wildebras
3. Bruidstaartpoppetjes
4. Tortelduifjes
5. Aanmeldcentrum
6. Woordenschat
7. Assepoester
8. Weesgegroetjes
9. Liefdesverklaring

Woordenschat

Het was een mistige en regenachtige dag in het voorjaar, toen ik in de stad met een papier in mijn hand op zoek was naar het adres dat ik van mijn huisarts had gekregen. Met grote moeite vond ik de plek waar ik moest zijn. De stad was niet groter dan een van de vele wijken van Teheran, maar ik wist heg noch steg. Drie uur lang was ik aan het ronddolen, voordat ik op de bel drukte bij de deur van een vervallen pand. Terwijl ik wachtte, keek ik om me heen. Het gebouw zag eruit alsof het tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar getroffen was geweest door bombardementen van het Duitse leger. Die aanvallen hadden het pand zoveel schrik aangejaagd dat zijn gelaat bleek en vaal was geworden. Het gebouw stond op zijn grondvesten te schudden, maar hield zich dapper overeind en weigerde in te storten. Hoe lang zou het nog op eigen benen kunnen blijven staan? Hoewel het krakkemikkig en aftands oogde, had het van oudsher altijd van harte de meest uiteenlopende bewoners en bezoekers verwelkomd. De bewoners hadden het gebouw willen bedanken voor zijn gastvrijheid door het hier en daar op te kalefateren, maar waren daarin slechts ten dele geslaagd. Want de bombardementen waren te hevig geweest. En het gebouw had in later tijden blijkbaar ook nog te lijden gehad onder vreselijke aardschokken, gezien het scheve fundament, de afbrokkelende stenen in de muren en de afgebladderde staat van het schilderwerk.

Een man opende de deur. Ik wilde mezelf voorstellen, maar hij nodigde me glimlachend uit om binnen te komen. Ik betrad een hoge donkere gang, met oerlelijke muren die laag over laag waren beschilderd. Elke bewoner leek wel toevallig ergens een pot verf te hebben gevonden en ooit te zijn begonnen met het willekeurig aanbrengen van de verf op zomaar een stuk muur. Het vermoeide pand wilde op zijn oude dag eindelijk eens tot rust komen en in slaap sukkelen, maar de bewoners hadden het ruw wakker geschud met afgrijselijke kleuren oranje en bruin. Ze hadden het gebouw met die kleuren een opkikkertje willen geven.

Omdat ik geen Nederlands kon spreken, liet ik de man meteen de rekening zien die ik in mijn hand had. Daarop nodigde hij me uit om naar boven te gaan, de trap op. Hij ging me zelf voor. De smalle en krakende wenteltrap boezemde me angst in. Toen ik op de treden stapte, maakten ze een geluid dat me deed denken aan een horrorfilm. Misschien daalden straks wel de geesten van de omgekomen militairen tijdens de Tweede Wereldoorlog de trap af. Bezorgd keek ik naar boven om na te gaan of ik licht kon ontdekken. Op het midden van de trap bevond zich een groot raam. Maar er viel weinig licht naar binnen. Toen ik op de eerste verdieping van het trappenhuis was beland, zag ik een tweede wenteltrap. Ik dacht dat ik nog meer trappen moest bestijgen in het spookhuis, maar tot mijn grote vreugde opende de man een deur. Ik stapte een groot en afgeleefd kantoor binnen, met spullen die misschien wel afkomstig waren uit de tijd van voor de Tweede Wereldoorlog. In de wachtkamer stonden wat stoelen, met een tafeltje in het midden en een derdehands kachel. Aan de andere kant van de ruimte hingen groezelige keukenkastjes, die dermate oud waren dat ze nooit meer echt schoon zouden kunnen worden. Verderop bevond zich een soort archiefruimte, met volle boekenkasten en grote ramen. Er hing een rood spandoek aan de muur, met daarnaast foto’s van mensen die naast elkaar op de grond lagen en ook van mensen die aan het demonstreren waren. Blijkbaar ging het om vluchtelingen.

De gefotografeerde vluchtelingen lieten me zien dat ik niet de enige rechteloze persoon zonder verblijfsrecht was. De herinnering aan mijn verblijf in het aanmeldcentrum kwam bij me boven, waar radeloze vluchtelingen dag in dag uit aan het wachten waren op de toestemming om in Nederland te mogen blijven. Hoe pijnlijk is het om niet je eigen leven te kunnen bepalen, maar afhankelijk te zijn van de beslissing van anderen. Anderen besluiten voor de vluchtelingen of zij ooit ergens hun vermoeide hoofd op een kussen mogen leggen. De vluchtelingen hadden grote behoefte aan bescherming en veiligheid. Ze leden onder de dreiging van vervolging en geweld. Maar ze kregen geen aandacht, geen zorg, geen steun en geen respect, in tegenstelling tot mensen met macht. Het was niet de schuld van de vluchtelingen dat ze machteloos moesten toezien hoe ze werden afgewezen. Hun machteloosheid leidde er vaak toe dat ze het onrecht gelaten over zich heen moesten laten komen.

“Wat kan ik voor je doen?” Die vraag bracht me terug tot de reden van mijn komst. Een andere man was naderbij gekomen en bleek me te willen helpen. Ik wilde hem uitleggen dat ik geen geld had om de ziekenhuisrekening te kunnen betalen. Daar zag ik tegenop, want ik schaamde me ervoor. Maar voordat ik iets had kunnen zeggen, had hij al de rekening in mijn hand gezien. Hij wierp er een blik op. “Spreek je Nederlands?”, vroeg hij. Omdat ik hem niet begreep en daarom niet reageerde, vroeg hij daarna in het Engels of ik die taal sprak. Toen ik dat bevestigde, zei hij op geruststellende toon: “Het is geen probleem als je de rekening niet kunt betalen. Wij kunnen de rekening terugsturen naar de dokter en uitleggen dat je geen geld hebt. De dokter kan geld krijgen van een andere organisatie. Je hoeft je geen zorgen te maken. En als je nog meer doktersrekeningen krijgt, dan kun je altijd opnieuw langskomen bij ons.” Ik kon me niet voorstellen dat het probleem van de rekeningen zo gemakkelijk zou kunnen worden opgelost. “Ik heet trouwens Herman”, voegde hij er nog aan toe. Opgelucht bedankte ik hem een paar keer, waar hij zich wat ongemakkelijk onder leek te voelen. Blij met dit onverwachte succes liep ik de trap af, bevrijd van de zorgen over de onbetaalde rekening. De sympathieke woorden van de onbekende man gaven me het gevoel dat ook mensen als ik, zonder verblijfsrecht, steun konden krijgen.

Toen ik een paar jaar later na mijn bezoek de trappen van de therapiepraktijk van Soltani afliep, had ik een heel ander gevoel. Ook bij hem had ik steun gezocht, hulp om mezelf te bevrijden van mijn paniekaanvallen. Terwijl Soltani geld van mij kreeg voor zijn hulp, voelde ik me niet door hem gesteund. Hij hielp me zelfs nog dieper in de put. De man in het Tweede Wereldoorlog-pand daarentegen kostte niets, hielp me uit de brand met de rekening en verlichtte mijn leven met een sprankje hoop.

Soltani was zichtbaar blij om me te zien. Tot mijn verrassing meldde hij me dat hij het eigenlijk te druk had met andere werkzaamheden, waardoor hij liever geen afspraken wilde hebben met patiënten. Maar voor mij had hij een uitzondering gemaakt. Hij vertelde het met enige nadruk. Ik vroeg me af wat er achter zijn opmerking stak. Waarom moest hij zo opvallend kenbaar maken dat hij me graag wilde ontmoeten, in weerwil van zijn drukke praktijk? Maar ik liet me niet afleiden en bleef kalm. Met een vraag probeerde ik zijn enthousiasme te temperen.
– Hebt u een mailadres, zodat ik u kan mailen? Hebt u met uw patiënten contact via mail, bijvoorbeeld als ze u nodig hebben op dagen dat ze geen afspraak met u hebben?

Zijn glimlach riep nog meer twijfels in me op. Met zijn onderzoekende ogen stelde hij zoveel vragen aan me dat ik mezelf afvroeg wat ik verkeerd had gezegd.

– Wil je mijn privé-mailadres?

Meteen begreep ik wat er fout zat. Ik reageerde boos.

– Nee, ik wil alleen uw zakelijke mailadres. Maar als dat niet kan, dan kan ik u ook bellen, want ik heb het telefoonnummer van de praktijk. Dan kan ik telefonisch afspraken afzeggen of verzetten.

Hij stond op en vroeg me even mee te lopen naar zijn laptop. Hij liet me zien op welke website ik de gegevens van de praktijk kon vinden. Ik wilde terugkeren om het mailadres op te schrijven in mijn agenda die ik mijn tas zat, maar hij kwam dicht bij me staan en probeerde me in zijn armen te nemen. Geschokt liep ik een paar stappen achteruit. Door mijn afwerende reactie raakte hij geïrriteerd, en daar werd ik op mijn beurt weer boos over. Ik probeerde te doen alsof er niets was gebeurd, beheerste mezelf en verborg mijn woede. Toen ik weer op mijn stoel zat, kwam ik bij en werd ik rustig. Hij was er verbaasd over dat ik zweeg en zo snel weer kon omschakelen naar alledaagse omgangsvormen. Ook verraste het hem dat ik zijn gedrag negeerde en me puur zakelijk kon blijven opstellen. Op een grove en doordringende toon, die ik zeker niet had verdiend, nam hij het woord.
– Jij hebt twee karakters. Op het eerste gezicht ben je een open, vrolijke en sociale vrouw. Maar jouw andere karakter maakt een ontzettend gesloten persoon van je.

De vorige keer had hij me een prettig en aardig persoon genoemd. Nu was ik in zijn ogen een mens met twee karakters. Misschien zou hij me de volgende keer uitleggen bij welke van de twee karakters mijn vriendelijkheid hoorde. In zijn ogen was ik er huiverig voor om te intiem met hem te worden. Waarschijnlijk had hij inmiddels wel in de gaten gekregen dat ik geen ervaring had met vrije relaties, in tegenstelling tot hem. Ik probeerde het gesprek een andere wending te geven, maar het lukte me nauwelijks om me te concentreren. Daarom reageerde ik niet meer op hem. Hij stopte met het gesprek en stond op om in zijn agenda te kijken en een volgende afspraak voor te stellen. Met tegenzin noteerde ik de afspraak in mijn agenda. Het korte en vervelende gesprek versterkte het nare gevoel over al die herinneringen van vroeger waar ik schoon genoeg van had. Weliswaar had ik voor het gesprek lang moeten reizen en veel moeten betalen, maar ik was blij dat het zo kort had geduurd. Hoe eerder ik Soltani’s kantoor kon verlaten, hoe eerder ik vrij kon zijn. Ik zag er enorm tegenop om tijdens zo’n gesprek met mezelf te moeten vechten om de moed erin te houden.

Toen ik afscheid van hem wilde nemen en hij bij de deur stond om mijn hand te schudden, probeerde hij nog een keer om me in zijn armen te krijgen. Evenals de vorige keer weigerde ik om hem aan te kijken. Terwijl ik naar de grond keek, voelde ik zijn lippen op mijn voorhoofd. Ik smeet de deur open, gooide mezelf naar buiten en rende weg. Mijn gezicht gloeide van woede, terwijl ik met twee treden tegelijk de trappen van zijn kantoor afholde. Ik werd zo in beslag genomen door de gebeurtenissen dat ik geen rust kon krijgen om de weg naar het station te vinden. Ik liep maar door om bij te komen, totdat ik me afvroeg waar ik was en waar ik heen ging. “Wat wil die man van mij? En wie is hij?”, vroeg ik me af. “Hij is een vrouwenjager. En als hij een vrouwenjager is, dan zijn er genoeg andere vrouwen die zin hebben in zo’n volgens Noeshin knappe man.” De opmerkingen van Noeshin dat ze graag met hem naar bed zou willen, en dat hij op haar nogal kil had gereageerd, maar dat ze toch zou proberen om hem te verleiden, schoten door me heen. Waarom had hij zoveel risico genomen door mij aan te raken? Mijn hoofd kreeg geen rust door al dat gepieker.

Op weg naar huis vroeg de politie in de trein naar mijn verblijfsdocument. Ik liet de agent mijn verblijfspasje zien, waar ik zo lang voor had gestreden en mijn beste jaren voor had gegeven. Zoveel jaren van mijn leven heb ik moeten afstaan en zoveel nederlagen heb ik moeten lijden om eindelijk het recht op een bestaan in Nederland te verkrijgen. Na de onvermijdelijke nieuwe afwijzing door de IND besloten Afshin en ik om te stoppen met onze advocaat. Hij had wel een bezwaarschrift kunnen indienen, maar dat zou weer geld hebben gekost. Bovendien leek de zaak met deze advocaat nauwelijks kans van slagen te hebben. We maakten een afspraak om mijn dossier op te halen. De “elk gesprek kost 300 gulden”-heer duwde het dossier in de handen van mijn echtgenoot. Afshin moest de advocaat beloven dat wij erover zouden zwijgen dat we hem geld hadden gegeven. Slapend rijk worden, heet zoiets. Daarop belandde mijn dossier bij ons thuis op de kast, waar het onder het stof kwam en steeds wanhopiger wachtte op een nieuwe advocaat.

Om meer greep op mijn bestaan te krijgen moest ik dringend buitenshuis Nederlands gaan leren. Maar Afshin had me verteld dat ik geen taallessen mocht volgen, omdat ik geen verblijfsvergunning had. Bij toeval had ik van een andere Iraanse vrouw in een kapsalon vernomen dat ook mensen zonder verblijfsrecht welkom waren op de taalschool, als ze maar een vast verblijfsadres hadden. Daarom meldde ik me daar aan en werd ik uitgenodigd voor een intakegesprek. Vijf maanden later mocht ik beginnen met de lessen. Een wereld ging voor me open. Vroeger had ik op de middelbare school Engels gehad, maar deze taalschool was helemaal nieuw voor me. De lessen werden gegeven in een oud gebouw zonder veel licht en uitzicht. Het was duidelijk dat de overheid er zo weinig mogelijk geld in had willen steken. Maar de donkere omgeving deerde me niet. Zelfs met een school in een nog beroerdere staat had ik genoegen genomen, als ik maar de Nederlandse taal zou kunnen leren. Want die taal zou de deur naar mijn nieuwe leven openen. Omdat ik de taal van de mensen om me heen niet begreep, voelde ik me doof of blind. Kranten kon ik niet lezen en het nieuws op de tv en de radio kon ik niet tot me nemen. De boeken in de boekhandels kon ik niet begrijpen, en ook niet de toneelstukken in de schouwburgen. Zo lang het in het Nederlands was, moest ik alle vormen van cultuur en communicatie aan me voorbij laten gaan.

Tussen deze school en de school uit mijn jeugd bestonden grote verschillen. Nu hoorde ik geen vreugdekreten meer, nu stonden er buiten geen jongens te wachten op de komst van ons, de meisjes. Er was geen spanning en opwinding meer voelbaar die het eeuwige spel en de hevige oorlogen tussen de geslachten begeleidt. Geen stoere jongens meer die om de school heen herrie lopen te schoppen. Geen giechelende meisjes die zichzelf stiekem opmaken en al spijbelend de schoolmuur afspringen om in de armen te vallen van hun geliefde bink. De leerlingen op mijn nieuwe school waren over de muren van hun eigen land heen geklommen en daarna over de muren van andere landen heen geklauterd. Uit de heersende stilte en rust in de klas kon niemand opmaken dat het om een school ging. De vermoeidheid viel in hun ogen waar te nemen. Ze waren moe geworden van het vluchten, moe van het vertrek naar andere landen en het leven in een onbekende omgeving die ze nauwelijks konden doorgronden en die zich zelfs voor hen leek af te sluiten. Nadat ze op de muur van hun eigen land waren geklommen, hadden ze moeten besluiten welke plek het beste was om naar beneden te springen. Zouden ze neerkomen op een plaats vol rust, voorspoed en liefde? Of zouden ze geconfronteerd worden met zorgen en onzekerheid?

De cursisten waren uit allerlei landen afkomstig. Sommige landen kende ik nauwelijks. Op de middelbare school waren die landen tijdens de aardrijkskundeles wel eens aan de orde geweest, maar meer wist ik er niet van. Ik moest de wereldkaart in herinnering roepen om me te kunnen voorstellen waar die landen zich ook alweer bevonden. De eerste tijd op school moesten ze in gebarentaal met elkaar communiceren, alsof ze pantomimespelers waren. Zodra ze elkaar wat beter begrepen, vertelden ze elkaar meer over het land waar ze vandaan kwamen. Ook probeerden ze elkaar duidelijk te maken waarom ze waren gevlucht, welke oorlog of andere ellende hen had getroffen, of door welk geloof en welke macht ze waren onderdrukt. Om bescherming te krijgen hadden ze hun land moeten verlaten. Hun lichaam was nu in veiligheid, maar hun geest zwierf nog rond in hun land van herkomst. Toen ik mezelf aan mijn medeleerlingen en mijn docent voorstelde, werd er meteen opgemerkt: “De Iraniërs vluchten weg voor hun regering”. Want alle mensen ter wereld wisten toch dat de Iraniërs als vissen wegzwemmen van de giftige zee die hun land is. Behalve een Iraakse man kon vrijwel niemand een beetje Engels spreken. En helemaal niemand sprak Nederlands. Bij aanvang van de taalcursus kon dus bijna niemand met elkaar praten, afgezien van landgenoten die toevallig bij elkaar in de klas zaten. Door het gebrek aan communicatiemogelijkheden hielden de leerlingen zich noodgedwongen gedeisd. De docent begon de leerlingen het alfabet uit te leggen. De volwassenen moesten als kinderen naar de mond van de docent kijken, om te leren welke letter met welke klank werd uitgesproken. Zo maakten we met de letters en de woorden kennis. Omdat ik wat had geleerd uit Afshins studieboek, was ik al een beetje meer op de hoogte van de taal. De docent sprak ook over de Nederlandse samenleving en over de manier van leven in Nederland. We leerden de namen van verzekeringsbedrijven en kregen informatie over het gemeentehuis en over huisartspraktijken.

Op een dag kregen we bezoek van een paar gemeente-ambtenaren die de vorderingen van de leerlingen met een bijstandsuitkering controleerden en voor hen een studieplan opstelden. De docent las de namen van die leerlingen voor, die op een lijst stonden. Ze moesten een voor een naar een andere kamer gaan voor een gesprek met de ambtenaren. Mijn naam stond niet op de lijst. Toen ik met de Iraakse man sprak, hoorde ik voor het eerst de naam van Sociale Zaken. Vroeger had ik de Irakezen moeten beschouwen als mijn aartsvijanden. Nu waren hij en ik er verbaasd over dat oude vijanden zo goed met elkaar konden opschieten. We leerden daarvan dat het niet onze schuld was dat de oorlog tussen Irak en Iran was uitgebroken en zo lang had geduurd. Waarom zouden we voortaan nog bang zijn voor gewone mensen in andere landen, die net als wij leden onder de oorlog die hen was opgedrongen? De Iraakse man vertelde me dat de ambtenaren in opdracht van de gemeente een plan opstelden voor de opleiding die ze na de taalschool zouden kunnen gaan volgen. Ik was er benieuwd naar waarom ik geen gesprek had gehad over mijn vervolgopleiding. Dat wist de Irakees niet. Na de les probeerde ik met de weinige Nederlandse woorden die ik inmiddels kende, van mijn docente te weten te komen waarom ik geen gesprek met de ambtenaren had gehad. Ze gaf als antwoord dat ik geen bijstandsuitkering had en daarom niet voorkwam op de lijst van Sociale Zaken. “De andere leerlingen hebben financiële hulp van de overheid nodig en krijgen daarom bijstand. Jij bent zelf verantwoordelijk voor jouw toekomst en opleiding.” Aan de ene kant was ik er trots op dat ik niet behoorde bij de groep mensen die voor hun inkomsten afhankelijk waren van de Nederlandse overheid. Aan de andere kant voelde ik me er verdrietig over dat ik op eigen houtje mijn opleiding moest regelen. Ik had immers nog helemaal geen inzicht in de samenleving en de opleidingsmogelijkheden.

Toen ik naar huis liep, moest ik denken aan de woorden “Sociale Zaken”. Hoe meer ik erover nadacht, hoe bekender de naam me voorkwam. Die naam had ik gezien op sommige brieven die bij ons waren bezorgd en aan Afshin waren gericht. Hij had de inhoud van de brieven niet aan me uitgelegd. Zodra ik thuis was, zocht ik in de plastic tassen waar hij zijn post zo slordig opborg, naar Sociale Zaken-brieven. Na me door zijn administratieve puinhoop te hebben geworsteld vond ik uiteindelijk een paar van die brieven. Daarin stonden tabellen vermeld met diverse geldbedragen. Als het brieven zouden zijn geweest met alleen maar tekst erin, dan had ik niet kunnen begrijpen wat het betekende. Maar uit de cijfers kon ik afleiden dat mijn man ook geld kreeg van Sociale Zaken. Ik meende dat blijkbaar iedereen in Nederland recht had op financiële steun van de overheid, wat ik vanzelfsprekend een plezierige regeling vond. In Iran bestaat geen systeem van uitkeringen, waardoor velen in bittere armoede moeten leven. Die middag bedankte ik de Nederlandse overheid voor zoveel gulheid en zoveel zorg voor de bevolking. Toen mijn man thuiskwam, vertelde ik hem over mijn belevenissen op school. Na het eten begon hij met zijn dagelijkse bezigheid, het roken van opium. Sinds de dag van mijn ontdekking in de kelder rookte hij zijn opium open en bloot. Hij hoefde het voor mij niet langer meer te verbergen. Toen hij onder invloed van de opium wat opgewekter en spraakzamer werd, liet ik hem weten dat ik er teleurgesteld over was dat ik niet op de lijst van personen stond die zou worden begeleid door de gemeente-ambtenaren. Anderen uit mijn klas zouden worden ondersteund in hun ontwikkeling, maar ik niet. Ik moest me zelf maar zien te redden. “Je hoeft je geen zorgen te maken”, zei hij. “Zodra je een verblijfsvergunning hebt, kun je voor jezelf geld vragen bij de gemeente. Dan gaan die medewerkers van Sociale Zaken ook jou helpen, net als de andere mensen uit je klas. Dan kun jij ook een passende opleiding volgen.” Zijn woorden gaven me nieuwe hoop. De overheid zou ook mij helpen met een opleiding en een inkomen, zodat ik niet langer meer tweedehands kleding op rommelmarkten hoefde aan te schaffen. Eindelijk zou ik zelf een eigen inkomen hebben en wat minder zuinig boodschappen hoeven te doen. “Krijg jij nu ook geld van de overheid?”, vroeg ik hem tenslotte. Dat bevestigde hij. “Iedereen die financiële tekorten heeft, krijgt hulp van de overheid”, zo stelde hij me gerust.

Enthousiast en hoopvol ging ik naar school en maakte ik mijn huiswerk, tot de zomer aanbrak. Ik had gelukkig geen last meer van hoofdpijn. Het was de eerste Nederlandse zomer die ik meemaakte, en ik was van plan om er flink van te gaan genieten. Nu kwam ik weer te weten wat zonneschijn inhield, de stralen van de zon die ik in Iran had achtergelaten. Mijn schoonmoeder, die me af en toe opbelde, nam de laatste tijd vaker contact met me op. Ik was verrast door haar vriendelijkheid, maar er bleek een addertje onder het gras te zitten. Ze wilde namelijk iets van me gedaan krijgen. Langzamerhand kreeg ik in de gaten dat mijn schoonfamilie huichelachtig en leugenachtig was. Mijn schoonmoeder had een verzoek aan me. Ze wilde met haar man naar Nederland komen, om te zien waar haar zoon woonde en hoe hij leefde. Al jarenlang bleek dat haar wens te zijn, waar Afshin echter nooit aan tegemoet gekomen was. Omdat hij altijd was omgegaan met Nederlandse vriendinnen, had hij geen zin gehad om zijn ouders uit te nodigen. In opdracht van mijn schoonmoeder moest ik hem zien te bewerken, zodat hij nu wel zou instemmen met een bezoek van zijn ouders. Hij bleek akkoord te gaan, maar kon vanwege zijn financiële situatie niet op zijn naam een visum voor zijn ouders regelen. Daarom schakelde hij de hulp in van een kennis van hem, met een hoger inkomen. Op uitnodiging van die kennis mochten zijn ouders naar Nederland komen.

Enige tijd later stonden Afshin en ik op het vliegveld te wachten op onze gasten. Zijn ouders waren voor mij de eerste bezoekers die uit Iran naar Nederland kwamen. Omdat het oude mensen waren, moesten ze eerst een paar dagen tot rust komen in het huis van hun zoon. Over dat huis kon zijn moeder moeilijk lopen opscheppen. Er stonden tweedehands spullen in en er was zelfs geen eettafel. We aten op de bank. Maar gelukkig was het zomer en konden we de tuin gebruiken. Ik serveerde het eten op een tafel die ik op een rommelmarkt had gekocht. Meteen al tijdens de eerste dagen van hun verblijf rookte Afshin opium in het bijzijn van zijn ouders. Blijkbaar wisten ze dat hij verslaafd was. Dat was voor hen oud nieuws, zo stelde ik geschokt vast. Ze deden er niets mee, ze probeerden hem niet tegen te houden. Ze hadden mij er nooit iets over gezegd.

Onze gasten wilden de stad bekijken en gaan winkelen. Het was voor mijn schoonmoeder te lastig om naar het centrum te lopen, vanwege haar chronische kniepijn. Afshin had voor haar een rolstoel geleend. Elke dag duwde ik haar met die rolstoel naar het centrum van de stad. Vanwege haar lichaamsgewicht kostte me dat grote moeite. Ze woog namelijk zeker twintig kilo zwaarder dan ik. Mijn schoonvader gebruikte de fiets van zijn zoon. Vaak kocht schoonmama cadeaus voor haar familie. Die geschenken nam ze in haar rolstoel met zich mee, waardoor het voortduwen voor mij nog zwaarder werd. Maar ik wilde mijn best doen voor mijn schoonouders. En het zou jammer zijn geweest als ze de hele vakantietijd in ons huis hadden moeten doorbrengen. Bij bruggen en straathellingen raakte ik helemaal bezweet van het duwwerk. Maar ik zweeg erover. Zodra we thuis waren, holde ik naar de keuken om hen een heerlijke maaltijd te kunnen voorschotelen. Mijn kookkunst stelde ik in dienst van hun smaakzintuig, van hun pleziertjes. Mijn schoonmoeder was er verheugd over dat ze zo’n goede vrouw voor haar zoon had gevonden. We hadden geen extra slaapkamer ter beschikking, waardoor Afshin en ik op de grond sliepen en zij in ons bed. Dagelijks maakte ik eerst het huis blinkend schoon, bereidde ik daarna de lunch, duwde ik vervolgens schoonmama naar het centrum van de stad en weer terug, en kookte ik tenslotte de uitgebreide avondmaaltijd. Een fikse dagtaak, mag ik wel zeggen. Nooit nam mijn tortelduifje de moeite om op te merken dat ik het best wel wat rustiger aan mocht doen, omdat het voortbewegen van zijn heilige mama te veel van mijn lichaam eiste. Dat ze erg zwaar was, mocht ook hij ondervinden toen we uitstapjes maakten naar Amsterdam, en hij de eer had om haar voort te rollen.

Tijdens de laatste vakantiedagen van de Naseri’s stond ik weer eens in de keuken en hoorde ik schoonmama praten met haar zoon. Ik kon mijn oren niet geloven. Tortelduifje sprak met mama en papa over hun huizen en hun spaarrekeningen. “Spaarrekeningen?” In opperste verbazing herhaalde ik het woord voor mezelf. Ze bleken helemaal niet arm te zijn, sterker nog: ze hadden hun schaapjes op het droge. Hoe meer ik hoorde, hoe meer pijn ik voelde over hun bedrog. Ze hadden de rol gespeeld van een arme familie die geen geld had voor een sjiek huwelijksfeest en dure cadeaus. Mijn familie was daarmee akkoord gegaan. Wij hadden daar steeds rekening mee gehouden door hen financieel te ontzien, door af te zien van een trouwfeest en door mijn trouwjurk te laten verstoffen in de kast. Hoe naïef waren ik en mijn familie geweest! Ik moest er met pijn in mijn hart aan denken hoe goedkoop mijn vader mijn schoonfamilie in zijn taxi had vervoerd en hoe ze zelfs hadden vermeden om voor noroez een cadeau voor me te kopen. In de keuken stond ik een heerlijke maaltijd te bereiden voor een stelletje leugenaars, die moedwillig hadden verzwegen dat hun lieve zoon een drugsverslaafde was, die me op de mouw hadden gespeld dat hij een achtenswaardige ingenieur was en die met elkaar het toneelstuk van een zielige arme familie hadden opgevoerd. Mijn ouders en ik waren behandeld als pionnen in hun gemene spelletjes.

Toen het voor mijn zielige arme schoonfamilie tijd werd om uit Nederland te vertrekken en niet langer meer te parasiteren op schoondochter de huisslavin, haalde ik opgelucht adem. Ik stond te popelen om het huis te ontdoen van al de oneerlijkheid en leugenachtigheid die aan schoonmama en -papa kleefden en mijn leefomgeving hadden verontreinigd. Voor de eerste keer in mijn leven was ik trots op de armoede van mijn familie. Die armoede maakte me nu niet nederig, maar strekte mij en mijn familie juist tot eer. Wij mochten immers met opgeheven hoofd door het leven gaan, in tegenstelling tot die schijnheilige Naseri’s. Het trof me wel onaangenaam dat mijn man een van hen was. Voor de tweede keer had ik moeten vaststellen dat hij een leugenaar was. Wanneer zou ik hem uit mijn leven kunnen laten verdwijnen? Pas jaren later kon ik antwoord geven op die vraag.

Ik verlangde ernaar om zo snel mogelijk weer naar de taalschool te gaan, want ik had vastgeketend gezeten aan een stelletje derderangs toneelspelers die me onbekommerd de ene leugen na de andere hadden voorgeschoteld. De schooldagen begonnen weer en de koude wind meldde zich opnieuw in mijn gezicht. Ik veegde de tranen die de najaarsstormen veroorzaakten, af met de hoop en de verlangens die diep van binnen lagen te gloeien. Met een glimlach betrad ik elke dag het klaslokaal. De school lachte me toe, omdat hij ervan was overtuigd dat ik enthousiast en met doorzettingsvermogen mijn voeten op zijn trappen had gezet. De school genoot van zijn leerlingen, zoals een boek ervan geniet als het met interesse wordt gelezen. Onze docenten deden hun best om ons de Nederlandse taal te leren. Door hard te studeren stelde ik hen niet teleur. Het is moeilijk om in een paar maanden tijd een volkomen onbekende taal te leren. Als ik op straat of in een winkel een woord hoorde waarvan ik inmiddels de betekenis wist, dan voelde ik me blij.

Tijdens het nieuwe studiejaar maakte ik kennis met Mehrnoesh, een oudere Iraanse vrouw die zich na een paar maanden aansloot bij onze klas. Gelukkig had ik een medeleerling ontmoet met wie ik in mijn eigen taal kon spreken. Na de eerste examens op niveau een verschenen de gemeente-ambtenaren weer om de examenresultaten na te gaan en te controleren hoe de taalstudie verliep van de leerlingen met een bijstandsuitkering. Ook Mehrnoesh had een gesprek over haar toekomstplannen na de taalschool. In Iran had ze in de kinderopvang gewerkt. Ze wilde graag een opleiding volgen om ook in Nederland in de kinderopvang te kunnen werken. Ze verbleef al twee jaar in Nederland, waardoor ze inmiddels een beetje Nederland kon spreken. Daarom mocht ze halverwege de cursus aanhaken.

Haar man was jaren geleden naar Nederland gevlucht, omdat hij als lid van een politieke organisatie in Iran werd vervolgd. Hij moest zijn gezin verlaten om in een veilig land te kunnen gaan leven. Nadat hij was gevlucht, werden zijn vrouw en hun drie kinderen bedreigd door de geheime politie, die eiste dat Mehrnoesh haar man zou verraden. Ook Mehrnoesh was dus in gevaar. Ze vluchtte naar een andere Iraanse stad en verhuurde haar eigen woning aan een kennis. In die veiligere en goedkopere stad huurde ze een klein huisje, waarvan ze de kosten kon betalen uit de opbrengst van haar eigen verhuurde huis. Ze moest wachten totdat haar man verblijfsrecht zou hebben gekregen en zij met haar kinderen naar Nederland kon komen. Om het hoofd boven water te kunnen houden maakte ze kleding voor buurtgenoten. Als alleenstaande moeder had ze een zwaar en gevaarlijk leven.

Het duurde maar liefst acht jaar voordat haar man verblijfsrecht kreeg. Op grond van gezinshereniging diende hij een verblijfsaanvraag in voor zijn nog in Iran verblijvende vrouw en kinderen. Het oudste kind van Mehrnoesh was tien jaar toen haar man Iran ontvluchtte. Toen zijn vader eindelijk verblijfsrecht kreeg, was die zoon al achttien jaar. Volgens de strenge en uiterst formalistische Nederlandse regelgeving werd hij als een volwassene beschouwd die op eigen benen kon staan en niet bij de rest van het gezin behoefde te blijven. Verder meende de IND dat de kinderen zelf geen gevaar liepen in Iran, waardoor ze ook geen asielstatus kregen. De IND speelde met hun levens en dat van hun moeder door glashard te ontkennen dat ook zij hadden moeten vluchten, dat ook zij ondergronds moesten leven, dat ook zij werden gezocht door de geheime politie. Daarom wees de IND de aanvraag voor alle gezinsleden af. Maar Mehrnoesh en haar kinderen zagen zich gedwongen om ook naar Nederland te komen. Ze verkocht haar huis, regelde voor veel geld een smokkelaar en vluchtte weg uit Iran, samen met haar kinderen. Ze vroegen asiel aan en moesten twee jaar in een asielzoekerscentrum verblijven, in het noorden van Nederland, ver weg van waar hun man en vader woonde. Maar met behulp van een goede advocaat kreeg ze gedaan dat ze mocht verhuizen naar de stad waar haar man woonde, en ik en Afshin ook. Wel moest ze één keer per week met haar kinderen een lange reis maken naar het asielzoekerscentrum, daar een stempel ophalen en weer terugkeren. Na bijna tien jaar kon het gezin eindelijk samen onder één dak leven. Nadat haar asielaanvraag was afgewezen, diende Mehrnoesh een aanvraag op grond van gezinshereniging in. De IND wees ook die aanvraag af, omdat het inkomen van haar man te laag was en hij geen arbeidscontract had. De overheid eiste dat ze naar Iran terugkeerde en via de Nederlandse ambassade een machtiging voorlopig verblijf zou aanvragen. Dat weigerde ze.

Ze was doodmoe geworden van al die jaren vol nachtmerries. Maar ze moest de gifbeker helemaal leegdrinken, want ze had nog steeds geen verblijfsvergunning. Misschien zou ze na de taalschool een baan kunnen vinden. Haar man zocht ook dringend werk. Omdat zijn vrouw en kinderen geen verblijfsrecht hadden, werd hij door de gemeente beschouwd als alleenstaande en ontving hij een bijstandsuitkering voor slechts één persoon. Van die uitkering moesten vijf mensen rondkomen. Haar man was niet zo jong meer en had in Nederland geen opleiding gevolgd, waardoor hij bijzonder weinig kans op een baan had. Zo leefde het gezin in bittere armoede.

Mehrnoesh vertelde me over andere Iraniërs die in soortgelijke omstandigheden verkeerden. In vergelijking met die mensen voelde ik me ondanks alles toch gelukkig. Maar de volgende dag werd dat gevoel overschaduwd door wat ik leerde over de Nederlandse samenleving en de positie van mijn man. Mijn docente legde tijdens de les namelijk uit hoe in Nederland de structuur van inkomens en belastingen in elkaar zit. Mensen met betaald werk betalen veel belasting, zo kreeg ik te horen, voor mensen die geen werk hebben. Gemeenten kunnen met dat geld werklozen helpen die geen eigen inkomsten hebben. Vooral docenten moesten veel belasting betalen, stelde ze. Ik leefde met haar mee, omdat ze zo’n groot deel van haar inkomen aan de Belastingdienst scheen te moeten afdragen. Zelf had ik helemaal geen eigen inkomsten, geen verblijfsrecht en een uiterst onzekere toekomst, maar de docente wist blijkbaar wel mijn medelijden op te wekken. “Er zijn ook mensen die zwart werken”, vervolgde ze. Uit haar ernstige en nadrukkelijke manier van praten maakte ik op dat die mensen volgens haar iets verkeerds deden. “Die mensen betalen geen belasting, verdienen zelf geld met werken en krijgen toch een uitkering van de overheid. Dat is oneerlijk, want dat geld is alleen bestemd voor mensen die geen werk hebben en daardoor ook geen inkomen om van te leven.” Hoe meer ze over het onrecht van zwart werken sprak, hoe ellendiger ik me begon te voelen. Ik zat te popelen om naar huis te gaan en Afshin de vragen te stellen die in mijn hoofd rondspookten.

Zoals de dag waarop ik in de kelder de opium ontdekte en daarna bewegingloos voor me uit bleef staren, zo zat ik na thuiskomst op de bank. Ik durfde hem niet meteen te overvallen met vragen als “Ik hoorde dat zwart werken oneerlijk is. Hoe zit het nu met jouw inkomen en jouw werk?” Pas na het eten en nadat het opiumgebruik weer op volle gang was gekomen, achtte ik de tijd rijp om hem te gaan verhoren. Ik hoopte dat hij net als mijn vader eerlijk en met weinig geld tevreden zou zijn, maar ik vreesde het ergste. Wat ik van hem te horen kreeg, bevestigde mijn bange vermoedens. Ja, hij kreeg inderdaad geld van de overheid, omdat hij arm was. Ja, het was waar: we waren geen rijke mensen. Dat bleek wel uit onze tweedehands spullen en onze kleding die we kochten in de uitverkoop of op rommelmarkten. En ja, hij werkte zwart, want zijn opiumverslaving kostte veel geld, en hij kon er nu eenmaal niet mee ophouden. Met de bijstandsuitkering betaalde hij de huur en ons levensonderhoud. Wat hij met zwart werken verdiende, ging op aan opium en sigaretten. In een poging om me gerust te stellen liet hij er nog op volgen: “Andere mensen besteedden het geld dat ze met zwart werken verdienen, aan overbodige luxe. Maar ik ben verslaafd en daarom gedwongen om er wat bij te verdienen. Als ik in vaste dienst kom en dus wit ga werken, dan kan ik gewoonweg niet alle kosten betalen, dus de huur en het eten en ook nog eens mijn verslaving. Ons huis staat vrijwel leeg, we gooien geen geld over de balk.” Op zijn jammerklachten, huilverhalen en smoesjes zat ik niet te wachten. Ik treurde over mijn eigen leven, zat in een zwart gat en zag geen licht aan het eind van de tunnel. Was het zijn schuld dat hij verslaafd was geraakt? Maakte zijn verslaving het zwart werken minder oneerlijk? Moest ik me inmiddels zelf ook schuldig voelen?

Op een donkere herfstdag bezochten Afshin en ik het kantoor van mijn nieuwe advocaat, dat zich bevond in onze stad. Mijn verslaafde tortelduifje had kans gezien om een afspraak te maken met weer een andere wetskenner die voor mij misschien een bres zou kunnen slaan in de muur van de IND. Gelukkig moesten we deze keer niet zo lang reizen. Het kantoor was klein en eenvoudig, in tegenstelling tot de grote en sjieke juristenkolos waar ik eerder was binnengelopen. In de wachtkamer zittend voelde ik me afgezakt tot een slechte en stoute leerlinge die niet langer meer welkom is op de dagschool, en daarom met haar ouders op zoek moet gaan naar een avondschool die nog bereid is om hopeloze gevallen aan te nemen. Afshin speelde de rol van bezorgde vader die me met mijn dossier in zijn hand toch nog ergens op een school wil laten inschrijven, om te voorkomen dat ik nog verder ga afglijden en voor galg en rad opgroei. Zoals gezakte leerlingen die uit schaamte naar de grond kijken en hun hoofd niet durven op te richten naar de schooldirecteur, zo stapte ik de kamer van de advocaat binnen. In de kamer stond een grote tafel met stapels dossiers. Achter de berg vandaan verscheen een man die ons begroette. We konden gaan zitten aan een kleinere tafel met minder dossiers. Op elk dossier stond een naam. Het was niet duidelijk hoe lang ze nog zouden moeten wachten voordat ze aan de beurt zouden komen. Sommige mappen probeerden de aandacht van de advocaat te vangen door meer van zichzelf te laten zien. Ze wierpen dan een groot deel van hun inhoud op de grond en smeekten de advocaat om die inhoud op te pakken, even door te bladeren en apart te leggen. Maar helaas ruimde de advocaat de mappen gedachteloos op en belandden de moedigen onder hen die zich in de strijd hadden geworpen, opnieuw op een hoge stapel smachtend wachtenden.

De al jaren wachtende en inmiddels vergrijsde dossiers keken naar de onbekende binnenkomers, de bezoekers die een nieuw dossier meebrachten. De advocaat wierp er een blik in, en de oudjes onder de dossiers koekeloerden mee. Ze waren blij met wat afwisseling en vroegen aan het nieuwe dossier wie hij was, uit welk land hij kwam en met welk vluchtverhaal hij naar Nederland was gekomen. Het nieuwe dossier kende de omgangsregels in het land van de dossiers nog niet. Hij wist nog niet of hij de oudste map het meeste respect moest geven. Misschien was dat dossier juist zo zielig en hopeloos dat niemand zich meer om hem bekommerde en hij daardoor al zijn status was verloren. Maar het zou ook kunnen zijn dat het oudste dossier juist veel eerbied kreeg, omdat hij het al die jaren had weten vol te houden en geduldig wachtend zijn leed met zich had meegedragen, zonder ten gronde te gaan. “Eerst even de kat uit de boom kijken”, dacht daarom de nieuwe map. En hij ging rustig naast wat andere mappen liggen om op een geschikt ogenblik, langs zijn neus weg, te informeren naar de stand van zaken. Een lief en meevoelend dossier verzekerde hem dat er in hun dossiersamenleving geen eerste en laatste zou moeten zijn, geen belangrijke en minder belangrijke. Ieder dossier had het recht om er te zijn, om gelezen te worden en aandacht te krijgen. De wereld is van iedereen, van elk dossier.

Het nieuwe dossier vertelde de andere dossiers voorzichtig zijn levensverhaal. Hoewel hij zich door iedereen verwelkomd voelde, twijfelde hij erover of zijn omstandigheden wel tragisch genoeg waren, in verhouding tot die van de andere dossiers. Zou hij uiteindelijk toch niet te licht worden bevonden? Zou hij wel genoeg opvallen te midden van al deze treurig geworden grijsaards, die hun leed en verdriet al jarenlang met zich meezeulden en al zo lang lagen te verstoffen in de kantoorkasten? Het dossier leek zijn pr-offensief te weinig overtuiging te hebben meegegeven, want de advocaat liet weten dat een nieuwe verblijfsaanvraag weinig kans zou maken. Maar “ik ga het toch voor u proberen”, waarna de onvermijdelijke kwestie van het geld weer kwam bovendrijven. De “elk gesprek kost 300 gulden”-heer bleek te worden opgevolgd door de “dit gesprek kost 150 euro en u hoort nog van mij”-meneer. Als nieuwkomer belandde het dossier helemaal onderaan de stapel kennissen die hij inmiddels had gemaakt. Nu hoorde hij er langzaamaan bij. Samen zouden ze meemaken hoe de tijd zou verstrijken, hoeveel geduld ze zouden moeten opbrengen voordat een van hen afscheid zou kunnen nemen. Met oud en nieuw wensten ze elkaar geluk, en ze feliciteerden elkaar met hun verjaardag, de dag waarop ze in het kantoor waren samengesteld. Zonder verblijfsrecht, maar met de plicht om op een stapel te blijven liggen trokken ze voor kortere of langere tijd met elkaar op. Na een half uur verliet ik, de gezakte leerling, met vader Afshin het kantoor. Mijn dossier ging in een advocatenkantoor opnieuw een eigen leven leiden. De slechte leerling had weer een school gevonden en zich daar kunnen inschrijven. Er was nog hoop.

Na een week liet de advocaat weten dat hij een aanvraag had ingediend. Het dossier kreeg alle tijd om meer vrienden te gaan maken. Zoals gebruikelijk stelde de IND dat men binnen zes maanden een beslissing zou nemen over mijn aanvraag. De advocaat stuurde een kopie van mijn dossier naar de IND. Dat tweelingzusje maakte op het kantoor van de immigratiedienst kennis met veel meer lotgenoten dan mijn dossier op het advocatenkantoor ooit voor mogelijk had gehouden.

Afshin werd steeds meer in beslag genomen door het in rook laten opgaan van zijn geld, dat hij op een voor mij geheime plek bewaarde. Hij kocht er een flinke voorraad opium van, zodat hij het weer een paar maanden kon uitzingen. Ik mocht niet weten hoeveel geld hij aan zijn verslaving verkwistte, maar het moest wel veel zijn, want hij werkte er hard voor. Soms had ik medelijden met hem, want hij leek geen eigen wil meer te hebben. Hij werd geleefd door zijn verslaving. De opium dicteerde hem wat hij moest doen. Om de drug te kunnen betalen moest hij zwoegen en zweten. Uit die vicieuze cirkel bleek ontsnapping voor hem onmogelijk. Hij liep onophoudelijk in een kringetje rond, waar geen ruimte was voor zijn huis en zijn vrouw. Door zijn verslaving was hij uitsluitend gefixeerd op zijn eigen genotsmiddelen. In andere mensen stelde hij geen enkele belangstelling. Alleen thuis kon hij genieten van de opium. Ik werd geacht om als bijzettafeltje mijn diensten te verlenen en te kijken naar zijn vermaak. Het huis was zo klein dat ik wel bij hem in de buurt moest blijven en elke avond noodgedwongen de twijfelachtige eer had om de opiumgeur in te ademen. Zijn manier van leven isoleerde ons volkomen van de rest van de samenleving. Ik zag geen enkel toekomstperspectief met hem.

Het was pijnlijk om getrouwd te zijn met een man van wie ik niet hield. Die verhalen van mijn moeder over de liefde die na de trouwdag zeker zou gaan opbloeien, vond ik dommige verzinsels waarmee vrouwen zichzelf rechtvaardigden, onnozele sprookjes waarmee ze zichzelf verdoofden. Als je trouwt zonder elkaar te kennen en zonder van elkaar te houden, dan weet je niet met wie je je leven gaat delen. Dan heb je er geen idee van of die persoon bij je past, of dat de man of vrouw van je dromen is. Elke dag overwoog ik om van Afshin te scheiden, totdat ik daar helemaal van overtuigd was geraakt. Als ik in Iran met hem zou zijn getrouwd en daar met hem zou samenleven, dan had ik de eerste de beste gelegenheid aangegrepen om er een punt achter te zetten. Maar mijn situatie was anders. Ik wilde niet naar Iran terugkeren, maar ik kon ook niet van hem scheiden zolang ik nog geen verblijfsrecht had. Uiteindelijk besloot ik om hem te verlaten zodra ik een verblijfsvergunning zou hebben. Ik moest dus bij hem blijven, hoe saai en levenloos dat ook was. In Nederland viel in de lange koude wintermaanden weinig plezier te beleven. Winkelcentra waren de enige uitgaansplekken waar ik zonder geld mijn tijd kon doorbrengen. De manier van leven van mijn man en het kille Nederlandse klimaat sloten mij op in een fort, een ondoordringbaar fort van eenzaamheid, met dikke hoge muren.

De school en mijn studieboek waren mijn enige kameraden. De school vanwege mijn vriendin Mehrnoesh, die niet bij mij thuis mocht komen omdat Afshin zich ongemakkelijk voelde bij andere mensen. Ik ook. Want ik schaamde me voor mijn tweedehands spullen en zag hoe mijn leven zich herhaalde. Net als vroeger vermeed ik het om vrienden uit te nodigen, waardoor het contact met Mehrnoesh zich beperkte tot school. Net als vroeger verborg ik uit schaamte voor onze armoede mijn privéleven. En net als vroeger had ik me er al op voorbereid dat ik de uitnodiging van Mehrnoesh om een keer bij haar thuis te komen, zou moeten afslaan, omdat ze anders zou verwachten dat ze mijn huis ook een keer zou mogen bezoeken. Maar mijn boek en ik werden hartsvriendinnen. We deden elke dag ons best om elkaar beter te leren kennen en zo te slagen voor het examen van niveau twee.

Vanwege de rekening van een tandarts bezocht ik opnieuw de steungroep voor mensen zonder verblijfsrecht. Toen ik kiespijn kreeg, wachtte ik een paar dagen in de hoop dat de pijn vanzelf over zou gaan. Maar het tegenovergestelde gebeurde. Ik moest halsoverkop naar een tandarts. De pijn van de tandartskosten bleek heviger dan wat mijn kies mij had laten voelen. Het sprak voor zich dat Afshin niet zo vrijgevig was om de rekening te betalen. Met mijn nieuwe vriend de fiets reed ik naar de steungroep toe. In Iran had ik nooit hoeven te fietsen. Daar wordt fietsen beschouwd als een sport en als een vermakelijke bezigheid voor kinderen. Bovendien biedt het drukke Iraanse verkeer geen ruimte voor fietsen. Ik had me nooit kunnen voorstellen dat mensen hun dagelijkse vervoer per tweewieler zouden doen, zoals in Nederland gebruikelijk is. Maar na enige tijd werd de fiets ook voor mij het vervoersmiddel waar ik het meest gebruik van maakte. Tijdens regen, kou of hitte blijven veel Nederlanders hun fiets gebruiken, ook al levert dat ongemak op. Soms moet je je stuur zo stevig vasthouden om niet meegevoerd te worden door een najaarsstorm dat je handen van binnen helemaal rood aanlopen. Soms waait het zo hard dat je fiets als een vurig paard met zijn kop opspringt en je al je kracht nodig hebt om op de grond blijven. Bij thuiskomst lijkt het alsof je hebt deelgenomen aan een paardenrace. Soms moet je in een regenbui fietsen die als een opengedraaide waterslang boven je hoofd hangt en je hele lichaam in een paar seconden doorweekt. Als je op de fiets heel vaardig en deskundig een paraplu boven je hoofd wilt houden om niet de hele dag te hoeven rillen vanwege de regen en de kou, als je kans ziet om je paraplu tijdens een storm niet kapot te laten waaien, dan waait er wel een andere paraplu uit de hand van een andere fietser, een paraplu die jou als een raket bestookt, zodat je met fiets en al door de lucht vliegt en je boeken nog eerder op school komen dan jij met je verfomfaaide druilerige lichaam. En tijdens zonnige zomerdagen moeten fietsende vrouwen die een rok of jurk dragen, de hele tijd hun kleding met hun hand vasthouden, zodat de aandacht van autorijdende mannen niet wordt afgeleid en ze geen botsingen veroorzaken. Maar de fiets is een goedkoop vervoersmiddel. Daarom ging ik per fiets naar de steungroep voor mensen zonder verblijfsrecht.

Deze keer werd de deur geopend door een vrouw, die net zo aardig bleek te zijn als haar mannelijke collega’s. Ze liet me binnen. Ik liep de griezelige trap weer op en keek opnieuw niet naar boven. Door het gedrag van de vrouw voelde ik me meer op mijn gemak. Toen we het kantoor binnenkwamen, zei ze dat ik moest wachten tot ik aan de beurt zou zijn. In vergelijking met mijn vorige bezoek zat het kantoor nu helemaal vol mensen zonder papieren. Ze stonden niet op de foto’s aan de muur, maar waren zelf aanwezig, met een glas thee of een kop koffie dat de vrouw hen had aangeboden. Ze leken ontspannen, alsof ze zeker wisten dat ze eindelijk het juiste adres hadden gevonden. De meesten van hen spraken Arabisch, waar ik niets van begreep. Op de middelbare school dienden we Arabisch te leren om in die taal de koran te kunnen lezen, maar niemand had daar zin in gehad. Ik ook niet, en dat vond ik nu jammer.

De steungroep draaide die dag blijkbaar een ander soort spreekuur, want de meeste bezoekers kwamen niet voor gezondheidszorg. Na in de wachtkamer te hebben gezeten werden ze uitgenodigd om in een aparte kamer te praten met de medewerkers van de steungroep. Toen de deur van die ruimte open ging, zag ik daar grote archiefkasten met een heleboel boeken staan. Boeken hadden me ook vroeger al een goed gevoel gegeven. In dit grote en bepaald niet blinkend schone kantoor kondigden de boekenkasten aan dat de bezitters ervan politieke en hoogopgeleide mensen waren. Soms hoorde ik het geluid van het kopieerapparaat. Een medewerker kwam af en toe ophalen wat was uitgeprint. Hij bekeek of de papieren op de juiste volgorde lagen en ging dan weer terug naar zijn eigen plek. Weer werd het apparaat aan het werk gezet. Een voor een kwamen de papieren uit de machine rollen, tot het een dikke stapel was geworden.

“Wat kan ik voor je doen?”, vroeg een vrouw aan me, waardoor mijn aandacht van het kopieerapparaat naar haar gezicht keerde. Opnieuw met wat schaamte liet ik de tandartsrekening zien, maar haar glimlach gaf me rust. “Als je nog andere hulp nodig hebt, bijvoorbeeld juridisch advies, dan kun je altijd terugkomen”, zo liet ze me weten. Ik begreep niet wat juridisch advies betekende en wat ik van die hulp kon verwachten. Dat had ze niet uitgelegd. Maar ik bedankte haar en verliet het Tweede Wereldoorlog-gebouw.

Het beviel me uitstekend op de taalschool. We waren inmiddels begonnen met niveau drie. Na terugkeer uit school keek ik uit naar de postbode, die om ongeveer 13:00 uur in onze wijk verscheen. Door het raam heen volgde ik hem met de stapel post in zijn hand, waarvan hij een paar brieven in de brievenbussen van de andere huizen deed. Hoe dichter hij bij mijn huis kwam, hoe nieuwsgieriger ik keek naar de post die hij uit de stapel haalde en in mijn brievenbus zou gaan gooien. Dagelijks wachtte ik op het tikkende geluid van de brievenbus. Zo snel ik kon vloog ik dan naar de gang om de post op te rapen. Soms rende ik zo snel naar de brievenbus dat ik de gestalte van de postbode nog door het dikke glas van de voordeur kon zien, en hij mijn schim aan de andere kant ervan.

In sommige romantische films zitten vrouwen de hele dag verlangend uit te kijken naar post van hun geliefde, maar in mijn geval was de geliefde geen droomprins, maar een onderdeel van de kille bureaucratische machinerie van de Nederlandse overheid, de IND namelijk. Vol spanning wachtte ik op een brief van de IND, op een besluit over mijn verblijfsaanvraag. Als de brievenbus geen geluid maakte en de schim van de postbode langs ons huis sloop, dan was die dag tevergeefs geweest. Dan kon ik God weer gaan smeken om me de volgende dag de zo felbegeerde geluksbrief te laten bezorgen. Al meer dan zes maanden zag ik de postbode langs ons huis gaan en was het me opgevallen hoe hij zijn kleding had aangepast aan de seizoenen. In het najaar, toen we het kantoor van de “elk gesprek kost 150 euro en u hoort nog van mij”-advocaat hadden verlaten, had hij een dikke regenjas gedragen om zich te beschermen tegen de kou en de regen. In de lente droeg hij alleen maar een dun overhemd en liep hij te genieten van de zon.

Toen hij eindelijk de brief bezorgde waar ik al zo lang op zat te wachten, bevond ik me op school. Bij thuiskomst zag ik in de gang een witte envelop liggen. Het was post van mijn advocaat. Terwijl ik de brief opende, ging mijn hart wild te keer. De brief begon met een woord waar ik koude handen van kreeg: “helaas”. Dat was voldoende voor me om overspoeld te worden door een gevoel van teleurstelling. De woorden in de brief leken sterk op die van vroeger, ook al begreep ik het nog niet goed. Ik pakte een oude afwijzing erbij, en ook mijn woordenboek. Na een paar uur in het dikke woordenboek te hebben gezocht werd het me duidelijk. Mijn aanvraag was weer afgewezen. Ik moest terugkeren naar Iran en bij de Nederlandse ambassade in Teheran opnieuw een aanvraag voor een machtiging voorlopig verblijf indienen. Ik belde Afshin op om hem op de hoogte te brengen van het slechte nieuws, maar hij meldde dat hij aan het werk was en geen tijd had voor de brief van de advocaat. Zijn onverschillige houding vormde een nieuwe domper. ’s Avonds nam mijn verdriet nog meer toe, nadat hij geen betrokkenheid met me had getoond en na het eten en de opium in slaap was gesukkeld, zonder zich om me te bekommeren. Zonder het te willen liepen de tranen over mijn wangen. Ik doolde rond in het fort van de eenzaamheid.

“Je hebt geen kans meer”, zei mijn advocaat. “Je moet terug naar Iran. Ik ga geen nieuwe aanvraag meer voor je indienen. Want je verliest alleen maar tijd.” Hij trok mijn map uit de stapel andere dossiers en liet me weten dat ik bij hem kon terugkomen, als ik uit Iran zou zijn teruggekeerd, met of zonder machtiging voorlopig verblijf. Misschien zou hij dan een nieuwe poging doen. De andere dossiers keken naar mijn dossier. Ze hoopten dat ze mochten blijven wachten op een verblijfsvergunning. Maar ze hadden vaker op verdriet dan op vreugde gewacht, zo leerde hun ervaring. Omdat de IND een afwijsmachine was, hadden ze bitter weinig kans dat ze uit de stapel zouden worden verwijderd omdat er een succes was behaald. Hoewel een dossier zich dan trots voelde, werd de blijdschap altijd getemperd. Want elke moeizaam verworven verblijfsvergunning toonde meteen ook aan hoe lang de dossiers moesten wachten en hoe zenuwslopend het gevecht tegen de IND was geweest. De zoete smaak van de uiteindelijke overwinning was vermengd met de bittere smaak van het geduld en het verdriet over de verloren jaren van het wachten.

Opnieuw kwamen we met mijn dossier onder de arm thuis. “Je mag hier niet meer blijven en de taalschool moet je later gaan inhalen, wanneer je terugkomt uit Iran”, zei Afshin. Iemand opbeuren is nooit zijn sterkste punt geweest. Weer een aanvraag afgewezen, weer hetzelfde liedje, weer een jaar weggegooid. Op de taalschool gaf Mehrnoesh me een sprankje hoop, toen ik in zak en as zat en haar over de nieuwe afwijzing vertelde. Ze adviseerde me om een gesprek te hebben met haar advocaat. “Hij is een goede en aardige man. Maar hij neemt geen nieuwe cliënten meer aan, omdat hij het te druk heeft. Probeer hem toch maar eens te bellen. Je weet nooit.” Na herhaald aandringen van mijn kant belde Afshin het advocatenkantoor uiteindelijk op. Op smekende toon probeerde hij de advocaat over te halen om de zaak alsnog aan te nemen. “We zullen uw kostbare tijd verder niet in beslag nemen, meneer, als u ons duidelijk maakt dat we geen kans hebben. We willen alleen maar dat u een blik werpt op ons dossier. En dan horen we van u of mijn vrouw moet terugkeren naar Iran. Alstublieft, meneer.”

Afshins woorden leken het gemoed van de advocaat te hebben geraakt, want we konden nu wel een afspraak met hem krijgen. Net als de vorige keren namen we het dossier weer met ons mee. Dit was mijn laatste kans, besefte ik. Ik was er zo bang voor dat ook deze advocaat me weer zou teleurstellen. Zijn kantoor bevond zich dichtbij onze stad en zag eruit als de woning van Lida. Van dat soort panden had ik vroeger erg gehouden. In de kleine en nette wachtkamer, waar we op hem wachtten, lag een prachtig tapijt en stond een mooi beeld. Na een paar minuten verscheen er een oudere kleine dikke man, die onze advocaat bleek te zijn. Hij droeg een colbert en een broek die nogal in kleur van elkaar verschilden en niet zo bij elkaar pasten. Maar zijn gedrag was correct en vriendelijk. Hij had twee secretaresses die net als hij al wat ouder waren. Ze maakten een bekwame indruk op me.

Afshin en ik gingen achter hem aan de wenteltrap op. Zijn kamer lag op de tweede verdieping. “Hoe kan die man nog dik zijn, als hij elke dag zoveel trappen op en af moet gaan?”, vroeg ik me af. Hij opende een van duur hout gemaakte deur. Het interieur zag er keurig uit. De dossiers stonden netjes op volgorde in een grote donkere archiefkast, in dezelfde kleur hout als de tafel en de stoelen. Er stonden ook een paar opvallende beelden uit diverse werelddelen, die tevreden klanten hem misschien ooit cadeau hadden gegeven. Hij liet ons plaatsnemen en ging zelf achter zijn bureau zitten. Hij begon op zijn gemak het dossier in te zien. Het duurde lang voordat hij het hele dossier had doorgenomen. Nauwkeurig las hij elke bladzijde. Hij vroeg niets en wij zaten braaf op hem te wachten. Af en toe wierp hij een blik op me, waarna hij zijn hoofd weer over de papieren boog. Mijn dossier was voldoende dik om hem lang aan het werk te houden. Soms besteedde hij veel tijd aan een bladzijde en dan weer sloeg hij snel een paar bladzijden om.

Na elke door hem gelezen bladzijde nam de spanning in mijn lichaam toe, alsof ik bij de huisarts was die de uitslagen van het laboratoriumonderzoek doornam waaruit moest blijken of ik ziek was en hoe erg die ziekte dan wel was. Hoe meer de advocaat aan het einde van het dossier kwam, hoe meer ik in paniek raakte over wat hij ter sprake zou gaan brengen. Zou hij kansen zien voor mij? En als hij de zaak kansloos vond, wat moest ik dan gaan doen? Ik wist dat ik een doorzetter was en dat ik nooit zomaar iets opgaf, als ik me er eenmaal in had vastgebeten. Hoewel mijn droomprins me geen enkele aanleiding gaf om voor ons huwelijk en mijn daaraan gekoppelde verblijfsrecht te vechten, moedigde mijn hoop op een beter bestaan me aan om door te gaan, om – als het moest – na deze advocaat weer een nieuwe te nemen en de strijd voort te zetten.

Uiteindelijk sloot hij het dossier. Hij pakte pen en papier en stelde zijn vragen in een bijna serene rust. Na onze antwoorden noteerde hij het een en ander en merkte tenslotte op: “Ik ga werken aan uw zaak”. “Mag ik weten of we voldoende kans maken?”, vroeg Afshin. “Ik zou uw zaak niet aannemen als dat niet zo was”, stelde hij ons gerust. “Ik stuur u een kopie van de aanvraag toe. En ik laat u ook tijdig weten wat de IND heeft besloten.” Hij stond op, ten teken dat het gesprek was afgelopen. Hij glimlachte vriendelijk en liep met ons mee naar beneden. Dat vond ik erg beleefd van hem. Nadat we waren vertrokken, moest hij immers weer naar boven sjokken. Hij behandelde ons alsof we tot de koninklijke familie behoorden, zo voelde het voor ons. Ik was zo tevreden over mijn derde advocaat dat ik me niet kon voorstellen dat hij met slecht nieuws zou kunnen komen.

Het einde van het schooljaar brak aan. Vroeger zou ik daar blij mee zijn geweest, maar nu speet het me. Ik zou mijn sociale contacten gaan missen. En het was niet mogelijk om het volgende studiejaar door te gaan met de taalschool. Wel konden de leerlingen met een bijstandsuitkering een vervolgopleiding gaan doen. Maar ik was daarvan uitgesloten, omdat ik geen verblijfsrecht had. Na het eindexamen hadden de cursisten een feestje, samen met de docenten. Elke cursist had een gerecht meegenomen volgens een traditioneel recept uit het land van herkomst. Een ingehuurde muziekgroep maakte flamenco-muziek, waarvan het intense karakter me nog droeviger maakte dan ik al was. Er werden veel foto’s genomen. Op een paar foto’s viel duidelijk waar te nemen hoe groot mijn melancholie was. Ik was jaloers op de andere cursisten, die met een vervolgopleiding verder konden werken aan hun ontwikkeling. Zoals mijn moeder het haar hele leven had betreurd dat ze niet mocht verder leren, zo vond ik het ontzettend jammer dat ik mijn talenten niet kon ontplooien. Toen de cursisten van onze groep afscheid van elkaar namen, wenste iedereen elkaar veel succes. Maar niemand wenste mij succes met het huisvrouw zijn en blijven.

Het aanbreken van de zomer betekende vroeger dat het schooljaar voorbij was en dat ik was overgegaan of geslaagd. Van de basisschool ging ik naar de middelbare school en daarna naar de universiteit. Ik was er altijd trots op geweest dat ik met studeren zoveel had bereikt. Maar deze keer voelde ik me moedeloos en teleurgesteld. Een volgende stap kon ik niet meer zetten, want ik mocht geen opleiding meer volgen. Wat moest ik nu gaan doen? Hoe kon ik in de samenleving vooruit komen? Zonder verblijfsvergunning was ik niets in Nederland. Als ik verblijfsrecht zou hebben gehad, dan zou ik ook recht hebben gehad op studiefinanciering, omdat ik nog geen achtentwintig jaar was. Dan zou ik naar de universiteit hebben kunnen gaan. Nu kon dat niet, omdat ik was uitgesloten van dat soort opleidingen. Van organisaties die buitenlanders hielpen met onderwijs, begreep ik dat ze mensen in mijn positie financieel niet steunden. Ik was geen vluchteling en had ook nog eens geen verblijfsrecht. En voor cursussen en opleidingen bij een particuliere instelling had ik geen geld. Zonder vooruitzichten moest ik daarom thuis blijven zitten, wachtend op de postbode. Het voelde alsof ik stil stond in de tijd. Vurig wenste ik zo snel mogelijk een verblijfsvergunning te krijgen, zodat ik alsnog kon gaan studeren.

De donkere herfstdagen kondigden een strenge winter aan. De bomen met hun kleurige bladeren wilden zijn komst langzaam voorbereiden, maar de wind had zoveel haast dat de bomen in korte tijd waren uitgekleed. Sommige stormen verjoegen de inmiddels omlaag gedwarrelde bladeren zelfs uit de nabijheid van de bomen en bliezen hen zo ver weg dat de bomen hun uitgetrokken kleding niet langer meer misten. Alsof de wind de naakte lichamen van de bomen zo vroeg mogelijk in het najaar aan de naderbij sluipende winterman wilden laten zien, die ervan genoot als de natuur niets om het lijf had. Ik hoorde alleen maar de regen, de gierende wind en het gekerm van de laatste vliegen van het seizoen, die op sterven na dood voedsel zochten.

De zon vergat maandenlang wie hij was, en sliep liever dan dat hij straalde. Net als hem wilde ik een paar maanden winterslaap houden, daarna wakker worden en er aangenaam door worden verrast dat de zon in mijn leven was gaan schijnen. De muren om het fort van mijn eenzaamheid werden steeds dikker. Ik zat opgesloten, maar wilde vooruit. Mijn toekomst stond op het spel. Soms ging ik naar buiten om rond te lopen en de moed erin te blijven houden. Het leek erop dat ik ergens op de wereld zoek was geraakt en niemand mij kon vinden. Ik moest mezelf vinden, mezelf terugvinden. De huis-aan-huiskranten die door mijn brievenbus werden geduwd, bleken een nieuwe taalschool voor me te zijn. Mijn woordenboek hielp me om de artikelen in die kranten te begrijpen. Ik wilde het niveau van mijn Nederlands zo opschroeven dat ik gereed stond om naar de universiteit te gaan, zodra ik een verblijfsvergunning zou hebben. Met Mehrnoesh had ik geen contact meer. In een vreemd land verbleef ik, zonder vrienden. Mijn verslaafde echtgenoot was de enige persoon die ik kende.

Na minder dan zes maanden wierp de postbode weer ongelukspost door mijn brievenbus. Dit keer kon ik de brief gemakkelijk begrijpen. Mijn aanvraag was opnieuw afgewezen. De IND had een paar bladzijden nodig gehad om de misdaden op te sommen van die Iraanse vrouw die het waagde om op een andere plek van de aarde in vrede en voorspoed te willen leven. Mijn advocaat nodigde me uit voor een gesprek. De hoop vloeide weg uit mijn gedachten, maar ik had geen andere keuze dan te vertrouwen op zijn deskundigheid en strijdbaarheid.

Met zijn charmante beleefdheid kwam de advocaat de trappen aflopen om Afshin en mij te begroeten. Hij was zichtbaar vergenoegd met zijn bezoek. We gingen achter hem aan naar boven. Zijn gedrag schonk me rust en vertrouwen. Dat had ik hard nodig, want ik wist niet meer wat ik moest doen: doorgaan met de aanvraag, of alles vergeten en terugkeren naar Iran. Alleen de hoop dat ik na het verkrijgen van verblijfsrecht zelf mijn leven en mijn toekomst kon gaan bepalen, gaf me de kalmte om naar zijn geruststellende woorden te luisteren en hem te blijven vertrouwen. Terwijl hij sprak, glimlachte hij naar me, alsof hij wenste dat ik alleen was en kon praten zonder de beperkende aanwezigheid van mijn man. “Ik ga voor u een bezwaarschrift indienen”, zei de advocaat. “U moet niet aan terugkeer denken, want in Nederland heeft iedereen er recht op om zijn zaak voor een onafhankelijke rechter te brengen. Die rechters zijn meestal aardige mensen. Omdat ze niet verbonden zijn aan de IND, zijn ze in de positie om eerlijk te oordelen.” We gingen akkoord met zijn voorstel. Hij liep met ons de trappen af. Beneden stond een keurige heer op hem te wachten. Hij had een bos prachtige rode rozen in zijn handen, die hij voor mijn kleine dikke advocaat had meegenomen. Daarmee wilde hij hem ervoor bedanken dat zijn vrouw een verblijfvergunning had gekregen. Ik hoopte over een paar maanden ook met een bos bloemen in het kantoor van mijn advocaat te staan.

Thuis herinnerde ik me dat een medewerkster van de steungroep voor mensen zonder verblijfsrecht me had verteld dat ik daar juridisch advies kon krijgen. Die woorden waren nu niet meer onbekend voor me. Het voordeel was dat de mensen van die steungroep, die verstand van zaken leken te hebben, gratis mijn dossier wilden bestuderen en hun mening konden geven. Gelukkig had mijn derde advocaat ons geen geld gevraagd. Hij werkte met een toevoeging, wat inhield dat de overheid de rechtshulp vergoedde voor arme mensen als Afshin en ik. Financieel hadden de drie verblijfsaanvragen in elk geval een dalende lijn in mijn voordeel laten zien: van de “elk gesprek kost 300 gulden”-geldwolf via de “elk gesprek kost 150 euro en u hoort nog van mij”-sjacheraar naar de “de overheid vergoedt uw rechtshulp”-gentleman.

De volgende dag maakte ik een dikke map met kopieën van de brieven van de advocaat en de IND. Voor het eerst ontmoetten mijn fiets en mijn dossier elkaar. Beiden begeleidden me op de weg vooruit: de fiets die in weer en wind stand hield, en het dossier dat de hoop bood dat ergens tussen zijn papieren een mogelijkheid zou opdoemen om te ontsnappen uit het leven in de illegaliteit. Met z’n drieën stonden we weer voor het haveloze pand. De deurbel voelde beter aan, omdat ik deze keer geen onbetaalde rekening bij me had, maar om advies kwam vragen. Een andere medewerker dan de vorige keren deed de deur open. Toen hij mijn map zag, begreep hij dat ik voor het spreekuur langs kwam.

Net als de vorige keer zat op de dag van het spreekuur de wachtkamer vol mensen zonder verblijfsrecht, die steun zochten bij hun overlevingsstrijd. De medewerker die me te woord stond, was Herman, dezelfde man die me de eerste keer had geholpen met de rekening. Ik kwam hem bekend voor. Ook nu was hij aardig en probeerde hij geduldig naar me te luisteren. Hij besteedde zoveel tijd en aandacht aan me dat hij uiteindelijk snapte wat ik bedoelde met mijn nauwelijks te begrijpen Nederlands. Zoals vaker, schaamde ik me omdat ik niet duidelijk kon uitleggen wat mijn probleem was. Hij bekeek mijn dossier, maakte er een kopie van en merkte na enige tijd op dat de overheid mij onvoldoende kans gaf. “De overheid is heel streng tegen vrouwen in jouw situatie. Er zijn veel mensen met weinig inkomen die niet naar Nederland kunnen komen. En als ze hier zijn, dan worden ze illegaal gemaakt en uitgesloten van de rest van de samenleving. Ik ga je dossier goed bestuderen. Kun je volgende week langskomen? Misschien heb ik dan ideeën over hoe je verblijfsrecht kunt krijgen.” Zijn woorden hadden me geen nieuwe hoop gegeven, maar me eerder meer teleurstelling bezorgd. Toch wekte zijn vriendelijkheid vertrouwen op.

De week erna warmde ik mezelf op bij de kachel in de wachtkamer. De heerlijke warmte ervan deed me denken aan de houtkachel in het vakantiehuis dat onze familie voor een paar dagen had gehuurd in Motel Gho, de stad in het noorden van Iran waar ik fijne herinneringen aan heb overgehouden. De stad ligt aan de Kaspische Zee en heeft mooie stranden. Aan de andere kant van de stad bevindt zich een bos. De boulevard langs de zee heeft er geen bezwaar tegen dat zoveel vakantiegangers met hun auto’s op zijn wegdek een rondje rijden, om te kijken en bekeken te worden. Onze familie bezocht de stad tijdens de noroez-vakantie, in het voorjaar, als de zon nog niet zo fel schijnt en het ’s avonds snel kouder wordt. Motel Gho is een toeristisch oord waar mannen en vrouwen tijdens hun vakantie plezier maken en verlangen naar liefde en avontuur. In de gezellige steegjes van de stad maken ze onder de sinaasappel- en mandarijnenbomen nader kennis met elkaar. Ze maken de afspraak om elkaar ’s avonds te ontmoeten op het strand, een vuur te maken en liedjesliedjes te zingen. Het vuur moet hen opwarmen, want ze dreigen verkleumd te raken door de koude wind. Nadat ze zijn teruggekeerd naar hun vakantiehuis, gaan ze bij de houtkachel zitten en vertellen ze stoere verhalen over hun vakantiebelevenissen. Mijn zussen, mijn nichten en ikzelf waren op zulke momenten uiterst bedreven in het aandikken van gebeurtenissen die onvermijdelijk te maken hadden met het andere geslacht. “Heb je die jongen gezien die zo lief naar me keek? Waarom kwam hij niet naar me toe om zijn telefoonnummer te geven?”, riep nicht Vida vertwijfeld uit. “Ik ga God vragen of hij ervoor kan zorgen dat ik die jongen morgen opnieuw zie. Ik vind hem zo leuk dat ik de hele nacht over hem ga dromen. Morgenochtend vroeg sta ik al op om me mooi te maken. Ik waarschuw jullie alvast maar.”

De opmerking “Jij bent aan de beurt” weerhield me ervan om nog langer verder te mijmeren over de fijne vakantiedagen in mijn vroegere leven, die wel een eeuw geleden leken. “Ik heb je dossier gelezen”, zei steungroepmedewerker Herman. “Je kunt alleen maar wachten op de beslissing van de IND. Als je bezwaar wordt afgewezen, dan kun je altijd nog in beroep gaan bij de rechtbank. Verder kun je nu niets doen.” Zijn woorden boden me vanzelfsprekend geen nieuwe aanknopingspunten en gaven me ook geen nieuwe hoop voor mijn aanvraag. Maar ik voelde me door hem wel erkend in mijn bestaan en bevestigd in mijn overtuiging dat ik in Nederland mocht zijn. Ook al had hij niets bijzonders gezegd of gedaan, toch had hij me een beetje gesteund in mijn moeizame strijd. Ik wilde hem voor zijn hulp bedanken door wat terug te doen. “Als jullie vrijwilligers nodig hebben om andere mensen te helpen, dan zou ik graag bij jullie willen werken. Ik heb tijd genoeg en ik ben er klaar voor. Ik zou het erg fijn vinden om wat voor jullie te doen.” De medewerker antwoordde dat hij mijn verzoek zou voorleggen aan zijn collega’s. Het zou worden besproken tijdens de tweewekelijkse vergadering van de steungroep. Over twee weken zou ik horen wat er was besloten.

Hoopvol keerde ik terug naar huis. Ik telde de uren en de dagen weer af, niet vanwege de post, maar in de hoop op een telefoontje van de steungroep. Hoe zouden ze over mij denken? Mijn Nederlands was erg slecht en ik wist bijna niets over de politiek, de filosofie en de sociologie in Europa. Op school had ik wel wat geleerd over bijvoorbeeld Karl Marx, Friedrich Nietzsche en Sigmund Freud, maar ik had me er nooit zo in verdiept. Over de regering en het parlement van Nederland kon ik ook niets zinnigs zeggen. Elke dag werd ik wanhopiger. Ze zouden toch geen persoon aannemen die vrijwel geen kennis over politiek had en die zelfs nauwelijks Nederlands kon spreken. Maar ook al was ik zo met mezelf aan het worstelen, toch kon ik tenminste proberen om andere mensen zonder verblijfsrecht, mijn lotgenoten dus, te helpen. Terwijl ik ongeduldig op een telefoontje zat te wachten, ontving ik post van mijn advocaat. Afshin en ik werden uitgenodigd om een paar weken later voor een rechtbank te verschijnen. Hoe meer ik aan die rechtbank dacht, hoe meer spanning ik voelde over wat ik zou moeten zeggen tegen de rechters. De rechtszitting vond plaats om mij en mijn advocaat de gelegenheid te geven om mijn bezwaren tegen de afwijzing door de IND nader toe te lichten. Mijn schuld was het dat mijn man een te laag inkomen had, en zijn misdaad betrof opiumverslaving, waardoor hij niet wit werkte, geen arbeidscontract had en mij dus geen afhankelijk verblijfsrecht kon geven. Ik stelde me de rechtbank voor als in een misdaadfilm. In mijn verbeelding hoorde ik de rechters Afshin en mij al veroordelen en bestraffen. Ondertussen was ik helemaal vergeten dat ik had gesolliciteerd naar vrijwilligerswerk.

Na twee weken werd ik warempel gebeld door Herman. Ik had helemaal niet meer verwacht dat hij me nog zou bellen. Toen hij zich voorstelde en de reden van zijn telefoontje noemde, spitste ik mijn oren om ergens in zijn woordenstroom het woord “helaas” te horen. “Helaas”, dat woord was vertrouwd voor me geworden door de post van de IND en van de advocaten die ik inmiddels had versleten. “Helaas is uw verblijfsaanvraag afgewezen”, en straks zou de medewerker gaan zeggen: “Helaas moeten we je aanbod om bij ons te komen werken afwijzen”. Maar tot mijn verbazing hoorden mijn oren wat anders. Herman nodigde me uit voor een kennismakingsgesprek dat zijn collega’s Kees en Monique met mij wilden voeren. Hij stelde voor dat gesprek een datum en een tijdstip voor. Na het gesprek zou de steungroep een beslissing over mij nemen. Weer moest ik wachten. De tijd dat ik mezelf nuttig kon maken en mezelf kon ontwikkelen, ging op aan wachten. Wachten, wachten, wachten… Als je levenslot in handen van anderen is gelegd en je zelf niets kunt ondernemen, dan moet je wachten tot je een ons weegt. Je benen zijn aan een zware ketting vastgeklonken en wegvliegen is niet alleen onmogelijk, maar ook streng verboden.

Het kennismakingsgesprek vond eerder plaats dan de rechtszitting. Ik was niet heel formeel gekleed, vond ik. Maar uit de keren dat ik bij de steungroep was geweest, had ik kunnen opmaken dat daar geen sjieke modepoppen rondliepen. Dat gaf me hoop. Mijn nervositeit ebde langzaam weg, toen ik in het kantoor van de steungroep tegenover Kees en Monique zat, twee vriendelijke mensen die rustig hun vragen stelden. Mijn beperkte Nederlands probeerde ik met wat humor te omzeilen. Ik voelde me op mijn gemak toen ze me verzekerden dat ze me begrepen en dat ik me geen zorgen hoefde te maken. Zo’n gesprek had ik nog nooit meegemaakt. De medewerkers waren zo aardig dat mijn zelfvertrouwen helemaal niet op de proef werd gesteld.

Ik legde hen uit wat ik vroeger had gedaan en vertelde hen dat ik waardeerde wat de steungroep deed. Ik liet hen weten dat ik hen graag wilde helpen, als ze iemand als mij nodig hadden. Ze gaven me volop de tijd en de gelegenheid om te kunnen zeggen wat ik wilde zeggen en om vragen te kunnen stellen. Op hun beurt legden ze me uit welke activiteiten en standpunten ze hadden. Toen ze daarover aan het uitwijden waren, verloor ik enigszins mijn aandacht. Ik stelde voor mezelf vast dat ik, anders dan zij, in mijn leven tot nu toe niet had gestreden voor een rechtvaardige verdeling van de welvaart en voor een wereld waarin alle mensen gelijk zijn. Ik kende alleen de patriarchale tirannie van het moslimfundamentalisme. Mijn eigen ideologie draaide veel meer om de strijd tegen die tirannie dan om de strijd tegen het kapitalisme. Het ging mij om de strijd tegen het geestelijk aan de ketting leggen van de bevolking door de religieuze dictatuur, om de bevrijding van de Iraanse samenleving, om het open zetten van de deuren van de psychische kerkers waarin muziek, dans, liefde, intimiteit en vrijheid zaten opgesloten. “De mensen die tegenover me zitten”, bedacht ik me, “die vechten daar niet voor, want ze zijn niet geknecht en gekneveld door religieuze machthebbers. Hun voorouders hebben ooit gestreden voor vrijheid en democratie, en daar beschikken deze mensen nu over en daar handelen ze ook naar. Maar ik en zoveel andere migrantenvrouwen moeten nog volop leren om de knellende geestelijke banden van ons af te werpen. We moeten ons er nog in oefenen om werkelijk vrij te zijn, om ons vrij te gedragen, te dansen, te genieten, om ons te ontdoen van de vroeger verplichte allesbedekkende kleding. Ons lichaam is al in het nieuwe land, maar onze geest verblijft nog op onze geboortegrond.”

Bezorgd vroeg ik me af of mijn strijd voldoende zou aansluiten bij hun strijd. Maar met mijn beperkte woordenschat kon ik die twijfels niet bespreken. Toch bleef ik hoop houden. Want elke strijd voor een betere samenleving is er een, elke strijd tegen onrechtvaardige machtsverhoudingen is van levensbelang en moet gevoerd worden. Het maakt dus niet uit tot welke categorie een strijd behoort. Het is altijd beter om te vechten dan om op te geven. Zo nam ik afscheid van de steungroepmedewerkers. Vechten deed ik al jaren, en vechten zou ik blijven doen.

Lili Irani

(Lees verder in deel 7.)



Het kan even duren voor je reactie voor anderen zichtbaar wordt omdat de redactie er eerst nog even naar kijkt. Seksistische en racistische reacties worden niet doorgelaten, evenals scheldpartijen, bedreigingen, 'off topic'-bijdragen en pure 'knip en plak'-reacties (deze website is geen prikbord). Wil je contact met de redactie? Mail dan: doorbraak@doorbraak.eu


Je mag de volgende tags gebruiken: <a href=""> <blockquote> <del> <code> <em> <i> <strong> <b>


*