Uit de oude doos: echte veranderingen moeten we zelf doorvoeren, dat kan niet via verkiezingen

Je kan het woord ‘politiek’ op twee manieren opvatten. De meest gebruikelijke (burgerlijke) opvatting gaat ervan uit dat er professionele specialisten moeten zijn die we ‘politici’ noemen en die beslissingen nemen. Beslissingen die onze levens beïnvloeden. De politici voeren hun beslissingen door via overheidsinstanties en ambtenaren. Politici komen aan de macht door middel van (over het algemeen) hiërarchische en bureaucratische partijen. Ze worden ‘gekozen’ door ‘de kiezers’. Politici vormen een elite, de ‘verkozenen’, ook al beweren ze ‘namens de mensen te spreken’. Eén Tweede Kamerlid ‘spreekt’ zo namens maar liefst 100.000 Nederlanders. In het gunstigste geval ‘vertegenwoordigen’ ze deze mensen, maar meestal manipuleren ze hen. In beide gevallen behoren ze duidelijk zelf niet tot ‘de mensen’. De meeste mensen hebben, zacht gezegd, vrij weinig waardering voor deze politici en hun politiek. Steeds minder mensen ‘geloven in de politiek’. Er wordt gesproken over een ‘crisis in de politiek’ want de mensen komen in steeds kleinere getalen opdraven als er weer gekozen mag worden. De politici trachten de mensen te ‘mobiliseren’ om te gaan stemmen. Ze gaan naar de mensen toe, ‘de wijken in’, om ‘het geloof’ te herstellen. Vlak voor verkiezingen willen ze ‘hun oor’ daar ‘te luisteren leggen’. Het komt zelden voor dat de politici zich na de verkiezingen houden aan de beloften in hun ‘verkiezingsprogramma’s’. Programma’s waar het merendeel van de kiezers overigens nog nooit een blik in geworpen heeft. Het breken van de beloften proberen politici recht te praten door slim gebruik te maken van de media. Het is niet verbazingwekkend dat ze zich niet houden aan de beloften die ze de mensen als een worst voorgehouden hebben. Ze vertegenwoordigen immers over het algemeen niet hen maar de lobby’s van de elite: de rijke mensen die bezig zijn goed voor zichzelf, hun carrière en hun klasse te zorgen. Nadat de politici gekozen zijn moeten we hun beslissingen accepteren; totdat er opnieuw verkiezingen zijn. We kunnen ze niet tussentijds ontslaan. We zijn gedegradeerd tot een massa passieve consumenten – het publiek – van politieke spektakels. Deze vorm van politiek is historisch gezien nog niet erg oud. Zij ontstond een paar honderd jaar geleden in Europa. Sinds de absolute vorsten staten gingen vormen. De elite heeft de centraal geleide staten steeds verder ontwikkeld tot wat we nu ‘overheden’ of ‘moderne’ staten noemen, die rechtvaardiging trachten te verkrijgen door het nu en dan organiseren van verkiezingen. Gedurende de eeuwen dat de centrale staat nu al bezig is haar macht uit te breiden hebben plaatselijke gemeenschappen, zoals steden, als leeuwen gevochten om hun zelfstandigheid te behouden. Dat ging gepaard met complete burgeroorlogen. Die geschiedenis is in het vergeetboek terecht gekomen. Ze had trouwens ook best anders kunnen lopen. In het zestiende eeuwse Spanje werd de opkomende centrale staat bijna verslagen door de Communeros-beweging. In die beweging hadden de Spaanse steden zich verenigd. Tijdens de Amerikaanse en de diverse Franse revoluties trokken de steden snel weer de macht naar zich toe. En in het machtsvacuüm vlak na de Golfoorlog gingen de Koerdische gemeenschappen vlotjes over op zelfbestuur, totdat de politieke partijen de macht naar zich toe trokken. Voor de tijd van de centrale staat betekende het woord ‘politiek’ iets heel anders. Een betekenis die de huidige politici ons graag willen doen vergeten. Het woord ‘politiek’ komt van het Griekse ‘polis’, dat ‘stad’ betekent. Politiek betekende vroeger ‘bestuur van de stad’: directe democratie. Er zijn tijden geweest waarin het heel gewoon was dat steden, dorpen en buurten door de bewoners zelf bestuurd werden. Je kan daarbij voor wat de westerse geschiedenis betreft denken aan het oude Athene, de Europese middeleeuwen (de Hanzesteden), de Renaissance en andere perioden. Ook in andere delen van de wereld hebben tradities bestaan waarin de mensen zichzelf bestuurden. De bewoners kenden elkaar persoonlijk en men besloot gezamenlijk in grote bijeenkomsten over de gemeenschap. In veel gebieden, waaronder Nieuw-Engeland in het noorden van de VS, bestaan nog steeds van die gemeenschapsbijeenkomsten. Natuurlijk bestond er in elk land wel een elite, een koning bijvoorbeeld, maar die beperkte zich tot het ophalen van belastingen en bemoeide zich verder niet met het dagelijks leven in de steden en dorpen. En natuurlijk waren er in die steden zelf ook enorme machtsverschillen, niet in de laatste plaats tussen mannen en vrouwen. De situatie was verre van ideaal, maar toch was er over het algemeen veel meer zeggenschap over het eigen bestaan dan nu. Niet voor niets zei men ‘stadslucht maakt vrij’ en was men bereid ervoor te knokken om dat ook zo te houden.

Eric Krebbers en Ellen de Waard in Kun je een groene politiek kiezen? (of maak je die zelf?) (Gebladerte)