Nederland blijft zijn verantwoordelijkheid ontduiken bij Sivas-proces

Carina Thuijs

Op 2 juli 1993 stak een horde van duizenden moslimfundamentalisten na een urenlange belegering een hotel in brand in het Turkse Sivas. Vijfendertig mensen kwamen daarbij om het leven, hoofdzakelijk alevitische intellectuelen, artiesten en kunstenaars die deelnamen aan een meerdaags alevitisch festival in de stad. Onder de slachtoffers was ook de Nederlandse studente culturele antropologie Carina Thuijs.

De Nederlandse staat heeft zich altijd stil gehouden over de moordpartij. De moeder van Thuijs, Wil Ditters, vertelde in 1997 in De Gelderlander: “Van de Nederlandse noch de Turkse regering kreeg ik iets te horen nadat duidelijk werd dat Carina bij de brand was omgekomen. Ik heb moeten bedelen om informatie. De dood van m’n dochter kreeg ik te horen van de Turkse vrouw waarbij ze logeerde. Het ministerie van Buitenlandse Zaken regelde niets. Ja, ze stuurden de persoonlijke spulletjes van Carina op. En ik kreeg direct daarop daarvan de rekening.”

Ze mocht een jaar later langskomen, samen met Carina’s jongere zus. “Ik heb eind oktober 1994 een gesprek op het ministerie gehad. Ik had in een brief tevoren op een rijtje gezet wat ik wilde weten. In dat gesprek werd niets beantwoord of toegezegd. Er werd alleen gevraagd of de thee smaakte. Ik voelde me voor joker gezet.” De ambtenaren toonden geen medeleven, bleken de brief niet eens gelezen te hebben en leken er vooral op uit om haar zo snel mogelijk naar buiten te werken. Na een half uur stapten Carina’s moeder en zus weer op. In de jaren daarna heeft de Nederlandse staat voor zover bekend niets meer ondernomen.

Strafzaak

In de tussentijd zijn negen in Turkije veroordeelde daders van de massamoord naar Duitsland gevlucht. Ze hebben daar een verblijfsstatus gekregen en jarenlang vrij rond kunnen lopen. Onlangs heeft de Wetenschappelijke Dienst van de Bondsdag echter verklaard dat de fundamentalisten alsnog aan Turkije uitgeleverd mogen worden of in Duitsland berecht kunnen worden volgens het Weltrechtsprinzip. Twee Groene parlementsleden van de deelstaat Berlijn hebben daarop direct aangifte gedaan tegen de groep van acht (een is inmiddels overleden) wegens moord en misdaden tegen de menselijkheid. Het Duitse OM heeft nog niet gereageerd op deze aangifte. In Turkije loopt nog wel een strafzaak tegen drie voortvluchtige verdachten. Deze zaak dreigt in 2023 te verjaren.

SP-Tweede Kamerlid Sadet Karabulut heeft daar op 23 september 2020 schriftelijke vragen over ingediend. De antwoorden van 7 december van minister Stef Blok bevestigen het beeld dat Nederland van begin af aan de kop in het zand gestoken heeft. Karabulut vroeg de minister: “Volgt u, of heeft de Nederlandse ambassade de processen gevolgd? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?” Waarop die antwoordde: “De volgende zitting is gepland voor 20 januari 2021. De ambassade heeft aandacht voor deze rechtszaak, en beziet per zitting of en op welke wijze deze wordt gevolgd.” Dat is natuurlijk geen volledig antwoord op de vraag. Het lijkt er sterk op dat het ministerie, aangespoord door de vragen, nu pas is gaan overwegen om het proces te volgen.

Karabulut diende op 24 december een reeks vervolgvragen in. Ze zette daarin de minister voor het blok. “Dient uit uw eerdere beantwoording over de strafprocessen tegen verdachten in de zaak van het bloedbad van Sivas, opgemaakt te worden dat geen enkel strafproces tegen verdachten door Nederland is gevolgd? Zo ja, waarom niet? Zo nee, welk strafproces heeft u wanneer, tegen welke verdachte(n), op welke wijze gevolgd?” En natuurlijk vroeg ze daarop meteen nogmaals: “Bent u bereid de lopende rechtszaak tegen drie verdachten, waarvan de volgende rechtszaak op 20 januari 2021 zal plaatsvinden, actief bij te wonen? Zo nee, waarom niet?”

Voegen

Wanneer de Nederlandse staat zich alsnog zou voegen in de lopende Turkse strafzaak tegen de drie voortvluchtigen, dan geeft dat de zaak een internationale dimensie en meer aandacht, wat natuurlijk de druk opvoert. Los daarvan is de staat vanzelfsprekend ook moreel verplicht om zich te voegen, gezien de verdachten een Nederlandse staatsburger vermoord hebben als onderdeel van een misdaad tegen de menselijkheid. Tijdens haar gesprek in 1994 drong de moeder van Thuijs al aan op een actieve houding van de staat jegens de toen lopende rechtszaken in Turkije. En in 2007 is er een document overhandigd door de nabestaanden van de Turkse slachtoffers aan de Nederlandse ambassadeur in Turkije, waarin onder meer de eis stond dat Nederland zou meedoen aan die processen. Op 4 september vorig jaar hebben ook een familielid van een van de slachtoffers en de Democratische Alevitische Verenigingen (DAD) de Nederlandse staat verzocht om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om zich te voegen in de rechtszaak. Daartoe wilden zij een brief overhandigen aan de Nederlandse ambassade. Karabulut vroeg in haar eerste reeks vragen aan de minister of het klopte dat de ambassade daarbij weigerde de brief van de afvaardiging in ontvangst te nemen.

De minister antwoordde doodleuk: “De ambassade heeft de afgelopen jaren meermaals gesprekken gevoerd met genoemde organisatie en personen. Bij deze gesprekken is geen verzoek aan Nederland gedaan om zich bij een rechtszaak te voegen.” En over de brief die het personeel niet in ontvangst wilde nemen schreef hij: “Op 4 september jl. meldde zich een aantal personen onaangekondigd bij de ambassade, die voor het ambassadegebouw een krans neerzetten en een aantal spandoeken plaatsten. Op hun verzoek om tot de ambassade te worden toegelaten deelde de bewaking mede dat hiervoor een afspraak noodzakelijk is, maar dat de bewaking gaarne bereid was de petitie die ze bij zich hadden in ontvangst te nemen. De groep heeft daarop de petitie niet afgegeven.” Dat klopt niet, reageert advocaat Özgür Coskun Piroglu die de brief daar wilde afgeven. De groep wilde helemaal niet naar binnen. Hij was in toga en aanwezig als formeel belanghebbende in de zaak. Hij heeft de beveiliging verzocht of ze zijn brief in ontvangst wilden nemen, maar dat weigerden ze. In haar nieuwe vragen spreekt Karabulut zich dan ook uit tegen het verhaal van Blok. Ze schrijft dat de betrokkenen “zich niet herkennen in dit beeld. Bent u bereid dit verzoek alsnog te honoreren, mede tegen de achtergrond dat de Turkse Orde van Advocaten en rechters in Turkije deze zaak zien als een misdaad tegen de menselijkheid waarbij ook een Nederlandse is vermoord? Zo nee, waarom niet?”

Opzettelijk vaag

“In 2019 werd de Duitse regering gevraagd hoeveel personen die in Turkije waren veroordeeld in de Sivas-zaak op dat moment in Duitsland woonden. De Duitse regering antwoordde in april 2019 dat ze daar geen informatie over had”, schrijft minister Blok in een van zijn antwoorden, met een verwijzing naar antwoorden op vragen die in het Duitse parlement werden gesteld. Dat klopt niet, geeft Karabulut met haar nieuwe vragen aan: “De Duitse regering heeft thans vast kunnen stellen dat negen personen die in Turkije veroordeeld zijn in verband met de Sivas moorden, in Duitsland verblijven.” Wat blijkt? Blok verdraaide de Duitse antwoorden. Wat de Duitse regering aangaf niet te weten, was waarom het aantal verdachten in Duitsland in de loop der jaren is afgenomen van vierentwintig naar negen. Maar wie die resterende negen zijn, weet men wel degelijk. Maar door te doen alsof dat niet zo is, kan de minister suggereren dat onderzoek instellen naar Nederlandse deelname aan een mogelijk proces onzinnig zou zijn als Duitsland niet eens zou weten om welke vermoedelijke daders het gaat.

Rond eventuele uitleveringsverzoeken speelt de minister een vergelijkbaar spelletje. Duitsland had “op één uitleveringsverzoek na”, aldus Blok, “geen informatie over nieuwe uitleveringsverzoeken door Turkije sinds 2013. Uit antwoorden op vragen uit de Bondsdag van juli jl. valt op te maken dat er nog geen besluit was genomen over het betreffende uitleveringsverzoek. Mede gezien de antwoorden van de Duitse regering op Bondsdagvragen hierover ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om hierin stappen te ondernemen richting Duitsland.” Er is echter geen enkele logische reden om te wachten met contact op te nemen omdat een uitleveringsverzoek nog loopt. En zo blijft de Nederlandse staat na 27 jaar nog steeds haar verantwoordelijkheid ontduiken.

Inmiddels zijn er ook schriftelijke vragen gesteld in het Turkse parlement.

Eric Krebbers