Recht, ruil of gift: opvattingen van bijstandsgerechtigden over sociale zekerheid

Boekcover

Uit enquêtes blijkt dat de meerderheid van de bevolking in Nederland voorstander is van een rechtvaardige sociale zekerheid en goede arbeidsvoorwaarden voor de werkenden. Wel moet misbruik streng worden bestraft. Wie niet naar betaald werk zoekt maar wel kan werken, of wie fraude pleegt, die moet hard worden aangepakt. Voor de arbeidsongeschikten moet een rechtvaardig sociaal vangnet zijn. Wat uit de enquêtes ook naar voren komt, is een groot wantrouwen tegenover de overheid. Niet alleen de toeslagenaffaire, maar sowieso het optreden van de overheid bij de benadering van (uitkeringsgerechtigde) burgers is punt van kritiek. Er is veel verontwaardiging over de toenemende kloof tussen arm en rijk en over het feit dat veel mensen in Nederland te weinig inkomen hebben om van rond te komen en in armoede leven. Overigens hebben de traditioneel linkse partijen, zoals GroenLinks, SP en Partij van de Arbeid, die bij de verkiezingen zwaar verloren, in de verkiezingsstrijd nauwelijks gebruik gemaakt van de verontwaardiging hierover. Maar in wat voor kader of frame plaatsen de mensen een rechtvaardige sociale zekerheid? Hoe denken uitkeringsgerechtigden zelf over deze materie? Kunnen we op bovenstaande opvattingen inzoomen om er meer over te weten te komen?

Melissa Sebrechts en Thomas Kampen, beiden verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek, respectievelijk als antropologe en socioloog, hebben dat onderzocht in het artikel “De bijstand als recht, ruil of gift. Rechtvaardigheid van de uitkering volgens bijstandsgerechtigden zelf”, dat is te vinden in het boek “Streng maar onrechtvaardig. De bijstand gewogen”. Weliswaar gaat dit alleen over bijstandsgerechtigden, maar veel andere mensen zullen naar verwachting op dezelfde manier denken. De perspectieven van bijstandsgerechtigden op de (on)rechtvaardigheid van de bijstand staan niet op zichzelf, maar zijn gebaseerd op wat in de maatschappij als rechtvaardig of onrechtvaardig wordt gezien. Daarnaast hebben de veranderende bijstandsregimes waarschijnlijk invloed op de opvattingen – de bijstand is in de loop der jaren steeds strenger geworden en met name vanuit de VVD was het gehak op bijstandsgerechtigden niet van de lucht.

Deze invloeden vormen het venster van waaruit bijstandsgerechtigden rechtvaardigheid beoordelen. Zo’n venster wordt frame genoemd. De onderzoekers onderscheiden drie perspectieven of frames waarbinnen bijstandsgerechtigden het hebben van een bijstandsuitkering beoordelen. De bijstand als recht, de bijstand als ruil en de bijstand als gift. Het onderstaande is voornamelijk een samenvatting.

De bijstand als recht

Het frame van de bijstand als recht kwam het minst in het onderzoek voor. In dit frame zou de bijstand een onvoorwaardelijke uitkering moeten zijn voor iedereen die (tijdelijk) niet in zijn of haar levensonderhoud kan voorzien. Bij het rechtenperspectief ga je er als het ware van uit dat ieder mens recht heeft op een waardig bestaan en dat dit recht door de overheid moet worden gewaarborgd. In dit perspectief zijn er bezwaren tegen een verplichte tegenprestatie voor de uitkering. Dat ondergraaft het recht op een uitkering. In dit frame heerst veel verontwaardiging over de tegenprestatie. Aanhangers van dit frame beschouwen gedwongen onbetaald werk als uitbuiting. Bijstandsgerechtigden moeten aantonen dat ze de uitkering nodig hebben, maar (teveel) controle op de naleving van verplichtingen is overbodig en contraproductief. In dit perspectief wordt de nadruk gelegd op de falende reïntegratietrajecten, die uitkeringsgerechtigden demotiveren, nutteloos zijn en waarbij alleen maar baantjes voor improductieve arbeidsbemiddelaars worden gecreëerd.

We zagen al dat er in dit frame veel verontwaardiging heerst over de verplichte tegenprestatie. De onderzoekers halen een Amerikaanse socioloog aan, Arlie Hochschild, die een samenhang zag tussen frames en gevoelens. Referentiekaders of frames bepalen vaak welke gevoelens de betrokkene zichzelf en anderen toestaat. Vaak worden in referentiekaders historische, morele of pragmatische argumenten gebruikt die dan weer emoties oproepen. Zoals jaloezie, schaamte of boosheid. Ook in het rechtenperspectief wordt vaak een historische vergelijking gemaakt met hoe de bijstand vroeger was. Ruimer, en met minder plichten. In dit kader past de verontwaardiging over de afbraak van de sociale zekerheid en de verzorgingsstaat. De onderzoekers vinden het opvallend dat vaak relatief hoog opgeleide, witte mannen van 45 jaar en ouder zonder veel psychische of lichamelijke problemen de bijstand als recht beschouwen.

De bijstand als ruil

Het ruil-perspectief of -frame wordt gekenmerkt door het uitgangspunt dat er bij het verstrekken van bijstand een evenwicht moet zijn tussen geven en ontvangen. Dat was in het onderzoek verreweg het meest gehanteerde perspectief. In dit perspectief is het rechtvaardig dat je iets terugdoet voor je uitkering (ruil van geven en nemen) in de vorm van een tegenprestatie. Men vindt het in dit frame rechtvaardig dat het recht op bijstand onderdeel is van een sociaal contract met duidelijke plichten. Het belangrijkste in dit perspectief is wederkerigheid. Maar in het ruilperspectief moet er wel sprake zijn van een evenwicht tussen rechten en plichten. De verplichte tegenprestatie is daarom niet per definitie rechtvaardig. Op basis van het principe van wederkerigheid moet je er iets mee opschieten, zoals het opdoen van een werkritme, sociale contacten of een kans om sociale vaardigheden te ontwikkelen. Bijstandsgerechtigden die vinden dat ze meer terugdoen dan zij ontvangen, worden kwaad. In dit frame vergelijken de bijstandsgerechtigden zich met anderen. Wanneer ze bijvoorbeeld streng gecontroleerd worden op fraude, vinden ze dat ze strenger worden behandeld dan ze verdienen en voeren ze het argument aan dat de eigenlijke grote fraudeurs niet worden aangepakt. Dit leidt tot jaloezie en wrok jegens andere bijstandsgerechtigden.

Hoewel de onderzoekers het zelf niet zo noemen, zou je kunnen zeggen dat het dominante ruilperspectief past in het neo-liberale gedachtegoed. Je moet streven naar “voor wat hoort wat”, in marktsituaties, maar ook in het dagelijks leven. Je moet voornamelijk vanuit je eigen belang redeneren. Kritiek is er niet zozeer op het stelsel van rechten en plichten als zodanig, maar op de uitvoering ervan, waarin een disbalans kan optreden tussen rechten en plichten op basis van wederkerigheid.

De bijstand als gift

Het derde perspectief is minder dominant dan het ruilperspectief, maar komt toch vaker voor dan het rechtenperspectief. In dit frame is de bijstand niet een recht, maar moet je gevoelens van dankbaarheid tonen als je bijstand krijgt. De mensen die bijstand beschouwen als gift zijn gespeend van kritiek. Om niet ondankbaar te lijken, oefenen ze geen kritiek uit. Ze vinden het niet gepast om te klagen of eisen te stellen aan de bijstand. Ze hanteren een pragmatisch referentiekader, dat wil zeggen: ze vergelijken de Nederlandse bijstand met de situatie in andere landen en vinden dat wij beter af zijn. Bij het giftenperspectief is het ontvangen van bijstand niet vanzelfsprekend, en dat betekent een gevoel van afhankelijkheid van de gever, dat schaamte in de hand werkt. Bijstandsgerechtigden die redeneren vanuit het giftenperspectief schamen zich vaak dat ze een uitkering hebben. De verplichte tegenprestatie is niet een kwestie van ruilen, zoals in het ruilperspectief, maar een uiting van behulpzaamheid. Toch kunnen mensen in het giftenperspectief zich onrechtvaardig behandeld voelen. Ze willen zelf graag behulpzaam zijn, en als de klantmanager dan druk op hen uitoefent om iets te doen, vinden ze dat onrechtvaardig. Het valt op dat het vaak alleenstaande moeders met een verleden vol problemen zijn die de bijstand als een gift beschouwen. De bijstand schonk hen financiële onafhankelijkheid van hun voormalige echtgenoten. Maar tegelijkertijd is er het gevoel van een nieuwe afhankelijkheid, namelijk van de staat. Hoewel de mensen in het giftenperspectief dankbaar zijn, zouden ze toch liever hun eigen geld verdienen, onafhankelijk zijn.

Oordelen

Hoe oordelen bijstandsgerechtigden nu vanuit de verschillende frames over de andere bijstandsgerechtigden? In het rechtenperspectief zijn andere bijstandsgerechtigden vooral onwetend. Het zijn mensen die laaggeletterd zijn, ze spreken de taal vaak niet goed of hebben problemen, zoals schulden, chronische ziekte of een verslaving. Daardoor komen ze niet goed vanuit een rechtenperspectief voor zichzelf op. Overigens worden bijstandsgerechtigden in dit perspectief met vertrouwen en zorgzaamheid benaderd. In het ruilperspectief moet er een evenwicht zijn tussen rechten en plichten. In dit frame worden bijstandsgerechtigden al gauw als profiteurs gezien, die de kantjes eraf lopen en te weinig terugdoen voor hun uitkering. Zij moeten hard aangepakt worden. Vaak zijn het migranten die als profiteurs worden neergezet. Degenen die de bijstand als gift beschouwen, zijn kritisch over bijstandsgerechtigden die kritiek hebben. In dit frame beschouwd men dat als ondankbaarheid. Ondankbaarheid is bijvoorbeeld het aanspraak maken op extra voorzieningen. De bijstand is al een geschenk en dan vraag je daar niet nog eens toeslagen bovenop. Mensen die de bijstand als gift zien, zijn dankbaar en verwachten dat ook van anderen.

Onderzoek

In het onderzoek waren ongeveer driekwart van de respondenten voorstander van het ruil- of giftenframe. De onderzoekers vergelijken hun bevindingen met een vergelijkbaar onderzoek eind jaren tachtig van de vorige eeuw, getiteld “Een tijd zonder werk. Een onderzoek naar de leefwereld van langdurig werklozen”. In dat onderzoek concludeerde men dat het rechtenperspectief het meest werd gehanteerd. De huidige onderzoekers constateren dat dat onderzoek verricht werd op een kantelpunt: daarna is het gehak op bijstandsgerechtigden en baanlozen begonnen en werd de bijstand steeds strenger. Zij constateren dat de hervorming van de verzorgingsstaat diep heeft ingegrepen in de ideeën over rechtvaardigheid van bijstandsgerechtigden.

Ik voeg eraan toe dat dertig jaar propaganda voor het neo-liberalisme zijn uitwerking op de opvattingen van bijstandsgerechtigden niet heeft gemist, hoe ze de bijstand beschouwen en hoe ze andere bijstandsgerechtigden zien. Voor een uitgebreide behandeling van de drie frames verwijs ik naar het artikel. Voor ons, als ondersteuners van bijstandsgerechtigden, is dit onderzoek van belang omdat het aanwijzingen geeft over hoe we argumenten moeten aanvoeren waarin het rechtenperspectief centraal staat. We moeten zoveel mogelijk benadrukken dat de bijstand een verworvenheid is waar men recht op heeft. En we moeten steeds wijzen op de noodzaak van anti-racisme campagnes, om daarmee verdeel-en-heerspolitiek zoveel mogelijk te bestrijden. Maar ook geeft het onderzoek aanwijzingen voor hoe het ruilperspectief en het giftenperspectief effectief met argumenten kan worden weerlegd.

Piet van der Lende

(Dit is een enigszins geredigeerde versie van het artikel dat eerder op de weblog van Piet van der Lende is verschenen)